KPMG Belgium-Holland Desk Newsletter | December 2021

21 december 2021
KPMG Belgium Desk

Inhoud

1. MLI van toepassing op belastingverdrag tussen Nederland en België vanaf 2022

Zowel Nederland als België is al geruime tijd partij bij het multilateraal instrument (‘MLI’). Het MLI is in het leven geroepen door de OESO en de bepalingen in het MLI gelden in aanvulling op dan wel in plaats van de bepalingen in belastingverdragen. Meer informatie over het MLI vindt u hier.

Het MLI is thans niet van toepassing op het belastingverdrag tussen België en Nederland, maar vanaf 1 januari 2022 komt daar verandering in. Hoewel België het belastingverdrag tussen België en Nederland reeds in 2019 als ‘covered tax agreement’ (‘CTA’) voor toepassing van het MLI aanmerkte, deed Nederland dat eerder niet. Omdat het MLI slechts van toepassing is indien een verdrag door beide verdragsluitende staten als CTA is aangemerkt, bleef het MLI in de context België-Nederland vooralsnog buiten toepassing. Op 25 november 2021 heeft Nederland het belastingverdrag tussen België en Nederland echter alsnog als CTA aangemerkt. Hierdoor wordt het MLI vanaf 1 januari 2022 wél van toepassing!

Wat betekent dit?

Het MLI bevat diverse bepalingen die doorwerken op de bepalingen uit een bestaand belastingverdrag. Een aantal van deze bepalingen betreft zeer specifieke situaties en een aantal bepalingen is meer generiek van aard. Een MLI-bepaling is in principe slechts van toepassing indien en voor zover beide verdragsluitende staten de betreffende MLI-bepaling van toepassing hebben verklaard op het betreffende belastingverdrag.

Een van de belangrijkste MLI-bepalingen betreft de zogenoemde ‘principal purpose test’ (‘PPT’). Deze bepaling is op vrijwel alle door België en Nederland als CTA aangemerkte belastingverdragen van toepassing. De PPT bewerkstelligt dat een belanghebbende geen aanspraak kan maken op een verdragsvoordeel indien het verkrijgen van dat voordeel het voornaamste of een van de voornaamste motieven van een transactie is (motiefvereiste), tenzij het toekennen van het betreffende voordeel in lijn is met doel en strekking van de betreffende verdragsbepaling (normvereiste).

Het voert te ver om in deze bijdrage de diverse MLI-bepalingen te bespreken. Van belang is dat u bij toepassing van het belastingverdrag tussen België en Nederland vanaf 1 januari 2022 steeds bovengenoemde PPT en andere toepasselijke MLI-bepalingen in aanmerking dient te nemen. Zonder in detail te treden merken wij reeds op dat het MLI van belang is bij de fiscale beoordeling van:

  • de uitkering van dividenden;
  • transferpricingcorrecties;
  • de beoordeling of sprake is van een vaste inrichting in België dan wel Nederland.

MLI-webinar KPMG Belgium-Holland Desk op 10 februari 2022

Tijdens ons MLI-webinar op 10 februari 2022 zullen wij nader ingaan op de toepassing van het MLI op het belastingverdrag tussen België en Nederland. Twijfel niet om u voor dit webinar aan te melden via deze aanmeldpagina.

Indien u vragen hebt over de fiscale gevolgen in uw specifieke situatie, adviseren wij u om uw adviseur te raadplegen en dit zorgvuldig te laten beoordelen.

Mark Foesenek en Pepijn van Eijk

Naar boven

2. De fiscale plannen in het Nederlandse coalitieakkoord van 15 december 2021

Op 15 december 2021 is na de langste kabinetsformatie in de Nederlandse geschiedenis een coalitieakkoord verschenen met de plannen voor de nieuwe kabinetsperiode (2022-2025). Het akkoord is opgesteld door dezelfde vier partijen waaruit het huidige demissionaire Nederlandse kabinet bestaat (VVD, D66, CDA en ChristenUnie).

Het document, getiteld ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ bevat diverse fiscale plannen, die grotendeels nog nader moeten worden uitgewerkt in de aankomende regeerperiode.

Een overzicht van het pallet aangekondigde fiscale maatregelen treft u aan in onze berichtgeving van 16 december 2021.

Mark Foesenek en Pepijn van Eijk

Naar boven

3. Verlenging risicotermijn voor niet-geregistreerde schenkingen in Wallonië

Recent heeft de Waalse regering aangekondigd dat de zogenoemde ‘verdachte periode’ inzake schenkingen wordt verlengd van drie naar vijf jaar. Deze maatregel maakt onderdeel uit van een nieuw decreet houdende een ‘meer rechtvaardige belastingheffing’, dat tot heden nog niet werd goedgekeurd door het Waals Parlement.

Verlenging verdachte periode

Voor het schenken van roerende goederen is het in België de vaste regel dat de tussenkomst van een notaris vereist is. Wanneer de schenking plaatsvindt middels notariële akte wordt deze automatisch geregistreerd, met als gevolg dat er onmiddellijk schenkbelasting verschuldigd is. In het Waalse Gewest bedraagt het vaste tarief 3,3% of 5,5%, naargelang de verwantschapsband tussen de schenker en de begiftigde.

Het is in een aantal gevallen echter mogelijk om een roerende schenking te doen zonder tussenkomst van een notaris. Als voorbeeld kan verwezen worden naar de klassieke hand- of bankgift. Tot 15 december 2020 waren ook schenkingen die voor een buitenlandse (bijvoorbeeld Nederlandse) notaris werden verleden niet verplicht registreerbaar. Wij verwijzen naar ons artikel over de ‘Kaasroute’ in de januari 2021-editie van deze nieuwsbrief.

Wanneer de schenking niet wordt geregistreerd, is er aldus geen Belgische schenkbelasting verschuldigd. Als keerzijde van de medaille moet er echter wel rekening gehouden worden met een fiscale risicotermijn van drie jaar vanaf het moment van de schenking. Indien de schenker gedurende deze periode overlijdt, zal er erfbelasting geheven worden over de waarde van de schenking. De tarieven van de erfbelasting zijn een pak hoger dan de tarieven van de schenkbelasting. In het Waalse Gewest gelden bijvoorbeeld progressieve tarieven tot 30% (bij verervingen aan afstammelingen of tussen partners).

De Waalse regering heeft nu besloten deze fiscale risicoperiode uit te breiden naar vijf jaar, als stimulans voor belastingplichtigen om hun schenking alsnog te registreren en over te gaan tot de onmiddellijke afdracht van schenkbelasting.

Op wie is deze maatregel van toepassing?

De nieuwe maatregel is enkel van toepassing op schenkers met fiscale woonplaats in het Waalse Gewest. In het Vlaamse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijft de risicotermijn drie jaar.

Inwerkingtreding

De verlengde risicotermijn treedt in werking op 1 januari 2022, maar is meteen van toepassing op reeds gedane, niet-geregistreerde schenkingen. Stel dat u een handgift had gedaan op 14 december 2020, dan loopt de termijn pas af op 14 december 2025 (en niet op 14 december 2023). Niet-geregistreerde schenkingen die worden uitgevoerd vanaf 1 januari 2022 vallen meteen onder de nieuwe vijfjarige risicotermijn.

Indien de risicoperiode reeds is afgelopen voor 1 januari 2022, heeft deze nieuwe maatregel geen impact meer op uw gedane schenking.

Sam Dejaegere en Kizzy Wandelaer

Naar boven

4. Belgische dga krijgt Nederlandse dividendbelasting niet terug

Op dividenduitkeringen door in Nederland gevestigde vennootschappen moet 15% dividendbelasting worden ingehouden, tenzij gebruikgemaakt kan worden van een inhoudingsvrijstelling. Bij een uitkering aan een natuurlijk persoon is geen beroep op een inhoudingsvrijstelling mogelijk. Voor in Nederland wonende natuurlijke personen is de dividendbelasting een voorheffing op de verschuldigde inkomstenbelasting, bij in het buitenland wonende natuurlijke personen is het maar de vraag of, en op welke wijze de Nederlandse dividendbelasting kan worden verrekend met de in het buitenland verschuldigde belasting.

Van een dergelijke situatie was ook sprake in 2012, toen een in Nederland gevestigde vennootschap (‘bv’) € 100.000 dividend uitkeerde aan haar in België wonende directeur en enig aandeelhouder (‘dga’). De bv hield 15% Nederlandse dividendbelasting in, waarna in België over € 85.000 (het nettodividend) personenbelasting werd geheven van de dga.

De dga stelt dat hij recht heeft op teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting op grond van het EU-recht (vrijheid van kapitaalverkeer) en doet bij de Nederlandse Belastingdienst een teruggaafverzoek. In de procedure die daarop volgt, heeft de Nederlandse Hoge Raad onlangs, zonder nadere motivering, het oordeel van het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch (‘het hof’) in stand gelaten. Het hof oordeelde dat geen recht bestaat op teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting, aangezien sprake is van een dispariteit tussen de regelgeving in Nederland en België. Het hof stelt dat geen sprake is van een ongelijke behandeling van binnenlandse en buitenlandse dga’s door Nederland en dat Nederland derhalve niet verplicht is om de ingehouden dividendbelasting terug te geven.

Vergelijking met de Miljoenzaak

In het verleden zijn in enigszins vergelijkbare gevallen procedures gevoerd, onder andere in de bekende Miljoenzaak. In die procedures was in geschil of een in het buitenland wonende portfoliobelegger recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting vanwege strijdigheid met het EU-recht. In de Miljoenzaak oordeelde de Hoge Raad dat belanghebbende (de heer Miljoen) wel recht had op teruggaaf van de ingehouden Nederlandse dividendbelasting. Het verschil met bovenstaande casus is dat de dividendinkomsten van de heer Miljoen niet voortkwamen uit een aanmerkelijk belang, wat wel het geval was bij de dga.

De kwalificatie van inkomsten als inkomsten uit aanmerkelijk belang is relevant voor de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting. De heer Miljoen was niet onderworpen aan Nederlandse inkomstenbelasting, vanwege de beperkte heffingsgrondslag voor buitenlandse belastingplichtigen in box 3. Omdat het belang van bovengenoemde dga kwalificeert als een aanmerkelijk belang (belast in box 2), is de dga in bovengenoemde casus wel onderworpen aan Nederlandse inkomstenbelasting.

De dga in deze casus kan daarom – evenals een in Nederland wonende dga – de ingehouden Nederlandse dividendbelasting verrekenen met de door hem verschuldigde Nederlandse inkomstenbelasting. Op basis van de redenering van het hof gaat de vergelijking met de Miljoenzaak dan niet op. De dga wordt niet gediscrimineerd, zodat van strijdigheid met het EU-recht geen sprake kan zijn.

Mark Foesenek en Pepijn van Eijk

Naar boven

5. Derdenonderzoek door Nederlandse Belastingdienst toelaatbaar voor aantonen gebruikelijkheid in werkkostenregeling

Recent heeft de Nederlandse Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen ten aanzien van de werkkostenregeling in de Nederlandse Wet op de loonbelasting. De werkkostenregeling maakt het mogelijk om loonbestanddelen vrij van Nederlandse loonbelasting te verstrekken, mits voldaan wordt aan de voorwaarden. Een van die voorwaarden is het gebruikelijkheidscriterium. De gezichtspunten voor het gebruikelijkheidscriterium zijn in deze zaak reeds door de Hoge Raad gegeven op 12 juli 2019. Wij verwijzen graag naar onze eerdere berichtgeving. Het recentere arrest van 12 november 2021 gaat in op een formele vraag over de gevoerde procedure die leidde tot het arrest van 12 juli 2019.

In het voornoemde arrest van 2019 heeft de Nederlandse Belastingdienst een informatieverzoek neergelegd bij diverse bedrijven (inhoudingsplichtigen voor de loonheffing) op grond van een wettelijke medewerkingsverplichting voor administratieplichtigen. Deze wettelijke verplichting kan worden ingezet door de Belastingdienst bij het doen van derdenonderzoek, waarbij de Belastingdienst relevante informatie kan achterhalen voor de belastingheffing van een andere belastingplichtige. Voorheen werd gedacht dat de administratieplichtige een zakelijke relatie van de belastingplichtige moest zijn, bijvoorbeeld een leverancier, afnemer of aandeelhouder. Uit het arrest blijkt dat van een zakelijke relatie tussen de belanghebbende en de 88 ondervraagde administratieplichtigen geen sprake was, waardoor de opgevraagde informatie mogelijk niet toelaatbaar was. Het gerechtshof in Den Haag oordeelde echter reeds:

“Uit de tekst van de bepaling noch uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan valt op te maken dat op grond van dit artikel alleen informatie kan worden gevraagd van ondernemingen met wie belanghebbende een zakelijke relatie onderhoudt.” 

De rechtsvraag in de recente procedure bij de Hoge Raad is of de wijze waarop de Nederlandse Belastingdienst de informatie heeft opgevraagd niet indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. De Hoge Raad oordeelt, net als het hof, dat dit niet het geval is.

Met deze uitspraak kan een ongelijk speelveld ontstaan tussen inhoudingsplichtigen en de Belastingdienst om de (on)gebruikelijkheid voor toepassing van de werkkostenregeling te onderbouwen. De Belastingdienst kan wettelijke bevoegdheden inzetten om externe informatie op te vragen bij andere inhoudingsplichtigen en hen verplichten de vragen te beantwoorden. Deze bevoegdheid heeft een inhoudingsplichtige uiteraard niet.

Esther Hoppenbrouwers en Ruud Hoevenaar

Naar boven

6. Belgische UBO-update omtrent de STAK

Sinds enige tijd is zowel het Belgische als het Nederlandse UBO-register in werking getreden. In België werd een nieuwe update van de Frequently Asked Questions (‘FAQ’) op de website van de FOD Financiën gepubliceerd, bevattende een nieuw hoofdstuk met betrekking tot de registratie van een Belgische of Nederlandse stichting administratiekantoor (‘STAK’) in het Belgische UBO-register.

Registratie van de STAK

De voornaamste nieuwigheid betreft de aanpassingen die op 31 augustus 2021 gepubliceerd werden door de FOD Financiën in de inmiddels zesde bijgewerkte versie van de algemene FAQ van het UBO-register. Zo wordt er in de nieuwe versie van de FAQ een hoofdstuk gewijd aan hoe een STAK geregistreerd dient te worden in de structuur. Dit hoofdstuk vervangt de specifieke STAK-FAQ (gepubliceerd op 22 juli 2019).

Zoals reeds bekend, worden de volgende natuurlijke personen cumulatief aangemerkt als uiteindelijk begunstigde van een stichting:

  1. de leden van de raad van bestuur;
  2. het dagelijks bestuur;
  3. de stichters;
  4. de natuurlijke personen in wier hoofdzakelijk belang de stichting werd opgericht;
  5. overige personen die via ‘andere middelen’ (bijvoorbeeld stemafspraken) de uiteindelijke zeggenschap over de stichting uitoefenen.

Welke natuurlijke personen geregistreerd dienen te worden als uiteindelijk begunstigden van een Nederlandse STAK, dient bepaald te worden door de Nederlandse UBO-wetgeving. Zo zou het in principe moeten volstaan om de natuurlijke personen te registreren die volgens de Nederlandse wetgeving als uiteindelijk begunstigden van de STAK kwalificeren.

De gegevens die betrekking hebben op de uiteindelijk begunstigden van een stichting, kunnen enkel worden geraadpleegd door personen die een legitiem belang kunnen aantonen.

Indien een STAK (een Belgische dan wel een Nederlandse) fungeert als intermediaire entiteit ten aanzien van een Belgische vennootschap, doet dit geen afbreuk aan de UBO-regeling die geldt voor vennootschappen. Bijkomend zullen niet enkel de uiteindelijk begunstigden van de vennootschap zelf dienen te worden geregistreerd, maar ook die van de intermediaire entiteit, indien de stichting een voldoende percentage in de Belgische vennootschap aanhoudt.

Met de recente toevoeging in de FAQ van 31 augustus 2021 wordt nu ook duidelijkheid geschept over de registratieverplichting indien een Nederlandse STAK fungeert als intermediaire entiteit van een Belgische vennootschap. Zo stelt de FOD Financiën in de geüpdatete FAQ dat de informatieplichtige in dat geval de keuze heeft om de STAK te registreren als:

  • ‘buitenlandse entiteit’ zijnde een vennootschap; dan wel
  • ‘buitenlandse juridische constructie vergelijkbaar met een trust’, zijnde een trustachtige figuur.

De bepalende factor voor deze keuze ligt wellicht bij de openbaarheid van de gegevens. Zo zullen de gegevens in het UBO-register die rechtstreeks betrekking hebben op de uiteindelijk begunstigden van een buitenlandse entiteit toegankelijk zijn voor elke burger, terwijl de gegevens die betrekking hebben op de uiteindelijk begunstigden van een buitenlandse juridische constructie vergelijkbaar met een trust enkel toegankelijk zijn voor personen of organisaties die een legitiem belang kunnen aantonen.

Daarentegen zullen er bij registratie als buitenlandse entiteit wellicht minder personen als UBO geregistreerd moeten worden (bijvoorbeeld, slechts de natuurlijke personen die minstens 25% van de stemrechten of eigendomsbelangen aanhouden).

Algemene documentatieplicht

In de meest recente update van de FAQ van het UBO-register (daterend van 8 december 2021) werd nog een kleine toevoeging gedaan aan de algemene documentatieplicht, die geldt voor elke informatieplichtige entiteit. Het is namelijk zo dat de informatieplichtige entiteit vanaf 11 oktober 2020 verplicht is om elk document te verstrekken dat aantoont dat de informatie met betrekking tot de uiteindelijk begunstigden toereikend, accuraat en actueel is.

De nieuwe FAQ stelt echter dat, indien uit een publicatie in het Belgisch Staatsblad reeds blijkt dat de informatie met betrekking tot de ‘Uiteindelijk Begunstigden’ juist is, er geen bewijsstukken meer dienen te worden toegevoegd via het online platform, maar dat u enkel nog het UBO-register aan het Belgisch Staatsblad dient te koppelen.

Sam Dejaegere en Lien Minardi

Naar boven

7. Meerwaarden op aandelen bij interne verkoop toch mogelijk vrijgesteld in België?

Het belastingvrij realiseren van meerwaarden op aandelen door het inbrengen van deze aandelen in een ’eigen‘ vennootschap werd op 1 januari 2017 wettelijk aan banden gelegd in België. De ‘interne verkoop’ van de aandelen aan een eigen vennootschap was reeds langer een doorn in het oog voor de Belgische fiscus, omdat op die manier een financieel voordeel voor de aandeelhouder ontstond. Nochtans blijkt uit een recente ruling dat er toch een mogelijkheid is om een belastingvrije verkoop te realiseren van aandelen aan een eigen vennootschap. 

Wat zijn interne meerwaarden?

Een interne meerwaarde ontstaat wanneer een belastingplichtige zijn aandelen verkoopt aan of inbrengt in een andere vennootschap die hij zelf controleert. De vennootschap is in dat geval geen ‘derde’. De aandeelhouder ontvangt bij verkoop een verkoopprijs of een vordering op de vennootschap, in geval van een inbreng van de aandelen kon een verhoogd fiscaal kapitaal gecreëerd worden (een zogenoemde ’step-up’). 

De fiscale wetgever heeft hier sinds 1 januari 2017 een stokje voor gestoken. In geval van een inbreng van de aandelen in een eigen vennootschap werd het fiscaal gestort kapitaal voortaan beperkt tot de aanschaffingsprijs van de aandelen in hoofde van de inbrenger. Het verschil tussen de werkelijke waarde van de aandelen en het gecreëerde bijkomende fiscaal kapitaal wordt beschouwd als belaste reserve. Dit betekent dat deze slechts na betaling van roerende voorheffing (in principe 30%) kan opstromen naar de aandeelhouder-natuurlijk persoon.

Wat bij verkoop?

De voormelde wetswijziging had enkel betrekking op een situatie waarin de aandelen worden ingebracht tegen uitgifte van nieuwe aandelen, en dus niet wanneer de aandelen verkocht worden aan een ’eigen’ holding. De fiscus was immers van mening dat dergelijke situaties in beginsel ’speculatief’ zijn en geen normaal beheer van het privévermogen. De meerwaarden worden aldus in een dergelijk geval meestal belast als divers inkomen (33% belastingheffing).

Recente ruling: interne meerwaarden toch niet belast bij een verkoop?

Uit een recente ruling van de federale Rulingdienst blijkt dat er toch een mogelijkheid is om interne meerwaarden onbelast te realiseren bij een verkoop, indien sprake is van economische en familiale motieven.

De situatie was als volgt: de aandelen in de betrokken vennootschap zijn in handen van een samenwonend koppel met zuiver gescheiden vermogens. Het koppel wil de ongelijke verdeling van de aandelenverhouding tussen hen beiden naar 50-50 brengen, echter heeft de vrouw niet de middelen om de man uit te kopen noch wensen ze dat de man een persoonlijke vordering krijgt op de vrouw. Ze pakken het daarom als volgt aan:

  • Het koppel richt een nieuwe holdingvennootschap op waarin beide partners 50% van de aandelen aanhouden.
  • Beide partners brengen vervolgens elk 13% van de aandelen van hun bestaande vennootschap in bij de holding (‘interne inbreng’).
  • De overige 74% van de aandelen die de man bezit, wordt vervolgens verkocht aan de holding, waardoor de man een vordering verkrijgt op de holding (‘interne verkoop’).

De Rulingcommissie oordeelt dat noch de interne inbreng, noch de interne verkoop aanleiding geeft tot de aanwezigheid van fiscaal belaste diverse inkomsten en evenmin te beschouwen valt als fiscaal misbruik. De redenering luidt als volgt:

  • Interne inbreng: de inbreng zorgt niet voor fiscale voordelen en creëert slechts fiscaal gestort kapitaal bij de holding ten belope van de aanschaffingswaarde (in plaats van de werkelijke waarde) van de aandelen.
  •  Interne verkoop: de reorganisatie is niet (louter) fiscaal geïnspireerd, maar ingegeven door werkelijke economische en familiale motieven, waaronder:
    • het ondersteunen van de continuïteit en groei van de onderliggende vennootschap;
    • het organiseren van de persoonlijke vermogenssituatie van de man en de vrouw;
    • Het optimaliseren vanuit erfrechtelijk oogpunt.

Het bovenstaande oordeel van de Rulingcommmissie kan bijvoorbeeld interessant zijn indien ouders hun vermogensplanning willen uitwerken en hun kinderen op een gelijke manier willen behandelen. Indien u hierover vragen hebt, neem dan contact op met ons team van specialisten.

Jill Peeters, Julie Boon en Kizzy Wandelaer

Naar boven

8. Wederom coronasteunmaatregelen aangekondigd in Nederland en update omtrent situatie grensarbeiders

Nederland heeft een aantal coronasteunmaatregelen wederom verlengd en een aantal coronasteunmaatregelen opnieuw in werking gesteld. De Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (‘NOW’), de Tegemoetkoming Vast Laten (‘TVL’) en het bijzonder uitstel van betaling voor belastingschulden zullen eveneens gelden voor het vierde kwartaal van 2021. Bovendien is aangekondigd dat de invorderingsrente tot en met 30 juni 2022 0,01% zal bedragen. Voor meer informatie verwijzen wij naar onze berichtgeving van 19 november 2021 en 30 november 2021.

Inmiddels is de ‘avondlockdown’ in Nederland tot en met 14 januari 2022 verlengd en heeft het kabinet aangekondigd dat diverse steunmaatregelen daarom ook beschikbaar zullen zijn in het eerste kwartaal van 2022. Naar verwachting wordt over de uitwerking hiervan in januari 2022 meer bekend gemaakt. Bovendien is het de verwachting dat de maatregelen in het kader van de impact van het coronavirus op grensarbeiders tussen Nederland en België ook zullen worden verlengd.

Dit betreft zowel het akkoord tussen Nederland en België ten aanzien van de fiscale aspecten van grensarbeiders ten gevolge van het coronavirus als de goedkeuring vanuit de Europese Unie met betrekking tot de socialezekerheidsaspecten van Europese grensarbeiders in verband met het coronavirus. In de september 2021- en oktober 2021-edities van deze nieuwsbrief informeerden wij u over de verlenging van deze maatregelen tot en met 31 december 2021.

Nederland heeft inmiddels aangekondigd het akkoord met België ten aanzien van de fiscale gevolgen te verlengen tot en met 31 maart 2022. Bovendien is door de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de Europese Unie onlangs over gesproken over een verlenging van de goedkeuring voor de socialezekerheidsaspecten. De verwachting is dat een officiële bevestiging van verlening tot en met 30 juni 2022 in de loop van december bekend wordt gemaakt. Uiteraard houden wij u op de hoogte.

Mark Foesenek en Pepijn van Eijk

Naar boven

© 2022 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.