KPMG Belgium-Holland Desk Newsletter | Oktober 2021

25 oktober 2021
vlag belgie, vlag nederland

Inhoud

1. KPMG Belgium-Holland Desk Seminar 2021 gemist?

Op donderdag 21 oktober 2021 vond wederom het jaarlijkse KPMG Belgium-Holland Desk Seminar plaats. Tijdens deze tweede digitale versie hebben onze KPMG Belgium-Holland Desk-leden vanuit de studio’s in ons Bredase kantoor zes online workshops verzorgd. Daarin bespraken zij veelvoorkomende fiscale problematiek vanuit Belgisch-Nederlands opzicht. De volgende zes onderwerpen kwamen aan bod:

  • Actualiteiten vennootschapsbelasting
  • Grensoverschrijdend werken: working from anywhere
  • Actualiteiten dga en estateplanning
  • Kansen en valkuilen bij grensoverschrijdend gebruik van managementvennootschappen
  • Fiscale aandachtspunten bij vastgoedinvesteringen over de grens
  • Verschillen en overeenkomsten in contracteren tussen Nederland en België

Mocht u interesse hebben om de workshops terug te kijken, dan vernemen we dat graag! U kunt contact opnemen via deze link.

Naar boven

2. Nederlandse maatregelen Prinsjesdag 2021 – vennootschapsbelasting

Op Prinsjesdag, 21 september 2021, heeft het Nederlandse kabinet het Belastingplan 2022 ingediend bij de Tweede Kamer. Hieronder treft u een overzicht aan van de meest relevante maatregelen voor de Nederlandse vennootschapsbelasting.

  • Verhoging tarief vennootschapsbelasting naar 25,8%
    Het (hoge) tarief wordt vanaf 1 januari 2022 verhoogd van 25% naar 25,8%. Dit tarief geldt voor de belastbare winst vanaf € 395.000, terwijl het hogere tarief in 2021 gold voor winsten vanaf € 245.000. Voor fiscale winsten tot € 395.000 (in 2021: € 245.000) blijft het tarief van 15% gelden. Het hoge tarief werkt door naar de bronheffing op interest en royalty’s, zodat ook voor die heffing vanaf volgend jaar een tarief van 25,8% van toepassing zal zijn.
     
  • Aanscherping earningsstrippingmaatregel (generieke renteaftrekbeperking) 
    Thans zijn rente- en financieringskosten boven € 1 miljoen aftrekbaar tot 30% van de fiscale EBITDA (behoudens specifieke renteaftrekbeperkingen). Vanaf 1 januari 2022 geldt een generieke aftrekbeperking voor rente- en financieringskosten boven € 1 miljoen voor zover deze hoger zijn dan 20% van de fiscale EBITDA.
     
  • Wijziging verrekening voorheffingen in de vennootschapsbelasting
    Bedrijven zullen ingehouden dividendbelasting en kansspelbelasting (voorheffingen) per 1 januari 2022 alleen nog kunnen verrekenen met te betalen vennootschapsbelasting. Momenteel kan verrekening leiden tot een teruggaaf, maar vanaf volgend jaar niet meer. De niet te verrekenen voorheffingen worden voortgewenteld naar het volgende jaar en kunnen daardoor mogelijk op een later moment worden verrekend.

Op Prinsjesdag zijn naast het Belastingplan 2022 ook het wetsvoorstel ‘Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel’ en het wetsvoorstel ‘Wet implementatie belastingplichtmaatregel uit de tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking’ (ATAD2) bij de Tweede Kamer ingediend. Voor een korte toelichting op deze voorstellen verwijzen wij naar de maart 2021-editie van deze nieuwsbrief. Hoewel de wetsvoorstellen op enkele punten zijn gewijzigd en verduidelijkt, is de kern ervan niet veranderd. De beoogde ingangsdatum van beide voorstellen is 1 januari 2022.

Een maatregel die niet op Prinsjesdag 2021 werd gepresenteerd, maar die wel op 1 januari 2022 in werking treedt en voor zeer veel belastingplichtigen relevant is, is de wijziging van de verliesverrekeningsregels in de Nederlandse vennootschapsbelasting. Thans kunnen fiscale verliezen worden verrekend met fiscale winsten van het voorgaande boekjaar (één jaar carry-back) en de zes volgende boekjaren (zes jaar carry-forward). Vanaf 1 januari 2022 kunnen fiscale verliezen worden verrekend met fiscale winsten tot € 1 miljoen of 50% van fiscale winsten boven € 1 miljoen voor zover deze worden gerealiseerd in het voorgaande boekjaar (één jaar carry-back) of volgende boekjaren (onbeperkte carry-forward).

De verwachting is dat het Belastingplan 2022 en bovengenoemde wetsvoorstellen voor het einde van het jaar worden aangenomen. Wij verwijzen naar onze laatste berichtgeving in dit kader en houden u op de hoogte. Op onze two-pager treft u een overzicht aan van alle op Prinsjesdag gepresenteerde fiscale maatregelen.

Mark Foesenek en Pepijn van Eijk

Naar boven

3. Nederlandse maatregelen Prinsjesdag 2021 – loonbelasting

De belangrijkste op Prinsjesdag 2021 gepresenteerde voorstellen op het vlak van de loonbelasting betreffen de introductie van een onbelaste thuiswerkvergoeding en van een nieuwe optionele regeling voor aandelenoptierechten. Een uitgebreide toelichting op deze en een aantal andere maatregelen voor de loonheffingen leest u in ons Prinsjesdag-memorandum. Op onze two-pager vindt u een overzicht van alle op Prinsjesdag gepresenteerde fiscale maatregelen.

Introductie onbelaste thuiswerkvergoeding

Het Nederlandse kabinet introduceert per 1 januari 2022 de mogelijkheid tot het verstrekken van een fiscaal gefaciliteerde thuiswerkkostenvergoeding. Zo kunnen werknemers die thuiswerken en daarvoor kosten maken een onbelaste vergoeding krijgen van de werkgever. De thuiswerkkostenvergoeding die het Nederlandse kabinet introduceert, bedraagt maximaal € 2 per thuiswerkdag of een deel ervan, zonder impact te hebben op de vrije ruimte van de werkkostenregeling (een zogenoemde ‘gerichte vrijstelling’). Dit bedrag moet de extra kosten die zien op water- en elektriciteitsverbruik, verwarming, koffie, thee en toiletpapier benaderen.

Een belangrijke beperking aan de thuiswerkvergoeding is dat deze niet mag samenvallen met de reeds bestaande belastingvrije reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer, een auto van de zaak, een fiets van de zaak, of het gebruik van het openbaar vervoer op kosten van de werkgever. Een werknemer die vanuit huis werkt en later op de dag (even) naar zijn vaste werkplek gaat (een ‘gemengde werkdag’), kan dus niet gebruikmaken van zowel een onbelaste reiskostenvergoeding als de thuiswerkvergoeding. Indien de werkgever zowel een thuiswerkvergoeding als een reiskostenvergoeding toekent, dan wordt een van de twee vergoedingen aangemerkt als belaste vergoeding. Dit geldt overigens niet wanneer een werknemer een thuiswerkdag heeft en op dezelfde dag naar een zakelijke afspraak reist (mits de locatie geen vaste werkplek is). Beide vergoedingen kunnen dan wel onbelast worden toegekend. Van een ‘vaste werkplek’ is echter al sprake als de werknemer op jaarbasis op meer dan veertig dagen naar dezelfde locatie reist.

De werknemer en werkgever kunnen vaste afspraken maken over het aantal dagen per week waarop de werknemer thuiswerkt. In dat geval kan de werkgever een vaste thuiswerkvergoeding per maand toekennen. De vaste vergoeding hoeft niet te worden aangepast als incidenteel op een thuiswerkdag op kantoor wordt gewerkt, of andersom. Wanneer de werknemer structureel meer gaat thuiswerken of naar kantoor gaat, dan moet de vaste vergoeding wel worden aangepast. Voor het vaststellen van de hoogte van de vaste vergoeding mag gebruik worden gemaakt van de zogenoemde ‘128/214‑dagenregeling’ (ook wel de ‘wettelijke methode’ genoemd), zoals die reeds geldt voor het betalen van een vaste reiskostenvergoeding. Deze regeling houdt in dat indien een werknemer ten minste 128 dagen (op basis van een volledige werkweek) per jaar thuiswerkt, de thuiswerkvergoeding mag worden verstrekt alsof de werknemer 214 dagen thuiswerkt (op basis van een volledige werkweek). Een vaste thuiswerkvergoeding heeft echter wel impact op de bestaande vaste reiskostenvergoeding:

Voorbeeld 128-dagenregeling en combinatie

Een werknemer en werkgever spreken onderling af dat de werknemer van zijn vier werkdagen drie dagen thuiswerkt. De uitwerking van de 128-dagenregeling is dan als volgt: als de werknemer minimaal 76 dagen (3/5 van 128) thuiswerkt, dan mag er voor 129 dagen (3/5 * 214 dagen) een onbelaste thuiswerkvergoeding worden verstrekt. De maximale onbelaste thuiswerkvergoeding bedraagt dan € 21,50 per maand (129 * € 2 / 12 maanden).

Aangezien de vaste thuiswerkvergoeding niet gecombineerd kan worden met de vaste reiskostenvergoeding of met ander vervoer dat wordt verstrekt door de werkgever, kan voor de twee thuiswerkdagen geen onbelaste reiskostenvergoeding worden verstrekt als een onbelaste thuiswerkvergoeding wordt verstrekt. Voor de twee ‘kantoorwerkdagen’ kan de werknemer wel een onbelaste reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer ontvangen.

Afhankelijk van de reisafstand en het aantal thuiswerkdagen, kan de nieuwe thuiswerk/reiskostenvrijstelling hoger of lager uitvallen dan de vrijstelling op basis van de nu geldende wettelijke regeling voor een vaste reiskostenvergoeding. Wij merken hierbij op dat als de werkgever met de werknemer geen afspraken maakt over een vast reis- en thuiswerkpatroon, de vergoeding alleen kan worden gebaseerd op de werkelijke reis- c.q. thuiswerkdagen.

Optionele regeling ten aanzien van aandelenoptierechten

Aandelenoptierechten toegekend aan werknemers worden op basis van de Nederlandse wetgeving belast met loonbelasting op het moment van uitoefening van de opties. Heffing vindt dan plaats over het verschil tussen de waarde van de te verkrijgen aandelen in het economische verkeer en de overeengekomen uitoefenprijs van de optie (‘discount’).

Omdat er bij uitoefening niet altijd voldoende liquide middelen aanwezig zijn om de verschuldigde loonbelasting af te dragen, wordt voorgesteld werknemers de mogelijkheid te bieden het heffingsmoment te wijzigen. Indien gewenst wordt de belastingheffing over de verkrijging van aandelenoptierechten bij uitoefening uitgesteld tot het moment waarop de verkregen aandelen verhandelbaar worden. Als de verkregen aandelen beursgenoteerd zijn, geldt het uitstel tot maximaal vijf jaar na uitoefening van de optie.

Of uitstel van de belastingheffing onder de nieuwe Nederlandse regeling voordelig is, is afhankelijk van de waarde van de discount en de waardeontwikkeling van de verkregen aandelen. Indien na uitoefening van de optie en voor het verhandelbaar worden van de verkregen aandelen dividenden worden ontvangen, worden deze bij het opteren voor het nieuwe regime belast als loon. Wij adviseren per situatie te beoordelen of toepassing van de nieuwe regeling wenselijk is.

Pepijn van Eijk en Esther Hoppenbrouwers

Naar boven

4. Hervorming van de Vlaamse woonfiscaliteit

In haar Septemberverklaring heeft de Vlaamse Regering traditiegetrouw enkele maatregelen inzake de Vlaamse begroting voor het volgende jaar aangekondigd. De meest in het oog springende maatregel betreft de wijziging van de Vlaamse registratierechten bij de aankoop van vastgoed. De geplande hervorming moet op heden wel nog opgenomen worden in een wijzigingsdecreet.

Wijziging van de tarieven

Het normale tarief voor de aankoop van vastgoed bedraagt in het Vlaamse Gewest momenteel 10%. Echter, in bepaalde gevallen wordt een verminderd tarief gehanteerd:

  • Voor de aankoop van een enige en eigen woning geldt een tarief van 6%.
  • Voor de aankoop van een enige en eigen woning die ingrijpend energetisch wordt gerenoveerd, of bij sloop en heropbouw, geldt een tarief van 5%.
  • Er geldt bovendien een bijkomende rechtenvermindering voor de aankoop van een enige en eigen ‘bescheiden woning’. Indien de aankoopprijs van de bescheiden woning maximaal € 200.000 bedraagt (maximaal € 220.000 in de Vlaamse kernsteden), is er een extra vermindering van € 5.600 of € 4.800 van toepassing.


Voor alle andere aankopen van onroerende goederen (denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een tweede verblijf of opbrengsteigendom, de aankoop van een grond, de aankoop van een garage, kantoor of handelspand) geldt het basistarief van 10%.

De volgende wijzigingen zullen vanaf 1 januari 2022 doorgevoerd worden:

  • daling van het tarief voor de aankoop van een enige en eigen woning naar 3%;
  • daling van het tarief voor de aankoop van een enige en eigen woning die ingrijpend energetisch wordt gerenoveerd, of bij sloop en heropbouw, naar 1%;
  • plafonnering van de maximumprijs voor de bijkomende rechtenvermindering bij de aankoop van een enige en eigen bescheiden woning tot maximaal € 220.000 (maximaal € 240.000 in de Vlaamse kernsteden). Het bedrag van de bijkomende rechtenvermindering daalt evenwel naar € 2.800 of € 980.

Bij de beoordeling van het tijdstip van inwerkingtreding van de bovenvermelde nieuwe tarieven is de datum van de notariële akte doorslaggevend.

Voor de aankoop van alle andere onroerende goederen stijgt het basistarief van 10% naar 12% vanaf 1 januari 2022. Enkel voor de aankoop van landbouwgronden en natuurgebieden blijft het tarief van 10% gelden. Voor de beoordeling van het tijdstip van inwerkingtreding van de tariefstijging is de datum van de onderhandse verkoopovereenkomst tussen de partijen doorslaggevend.

Afschaffing van de meeneembaarheid

Het stelsel van de ‘meeneembaarheid’ laat op vandaag toe dat de eerder betaalde registratierechten voor de aankoop van een enige en eigen woning in mindering worden gebracht van de verschuldigde registratierechten bij de aankoop van een nieuwe enige en eigen woning waar de hoofdverblijfplaats wordt gevestigd.

Vanaf 1 januari 2024 wordt dit systeem echter afgeschaft. Er wordt evenwel een overgangsregeling ingevoerd: tot 31 december 2023 zal de koper kunnen kiezen tussen ofwel het verlaagd aankooptarief van 3% registratierechten, ofwel het stelsel van de meeneembaarheid in combinatie met 6% registratierechten.

Sam Dejaegere en Kizzy Wandelaer

Naar boven

5. Het Vlaams gunstregime voor familiebedrijven en privévastgoed

In Vlaanderen is het mogelijk om de aandelen van familiebedrijven te schenken met vrijstelling van schenkbelasting, of te vererven aan een gunsttarief van 3% in de Vlaamse erfbelasting. Bij de beoordeling van de toepassingsvoorwaarden van het gunststelsel keek de Vlaamse Belastingdienst (‘Vlabel’) echter steevast wantrouwend naar de aanwezigheid van privaat vastgoed in de familiale vennootschap. Onder invloed van recente rechtspraak lijkt het tij te keren in het voordeel van de belastingplichtige.

Reële economische activiteit

Een van de drie voorwaarden van het gunststelsel betreft het feit dat de vennootschap (zelf of via een dochtervennootschap) op het ogenblik van de schenking of het overlijden een reële economische activiteit tot voorwerp heeft en deze ook effectief uitoefent.

De Belgische wet bevat echter een vermoeden dat de vennootschap geen ‘reële’ economische activiteit heeft indien er aan twee parameters in de jaarrekening cumulatief wordt voldaan in een van de drie jaren die voorafgaan aan de schenking door of het overlijden van de aandeelhouder. Wanneer in een van die drie jaren het balanstotaal uit meer dan 50% vastgoed bestaat (balanspost 22) én de personeelslasten 1,5% of minder (balanspost 62) bedragen van het totaal actief, dan geldt het vermoeden dat de vennootschap geen reële economische activiteit heeft, waardoor het gunstregime in beginsel uitgesloten is.

Dit wettelijk vermoeden is echter weerlegbaar en tegenbewijs kan worden geleverd dat de vennootschap toch een reële economisch activiteit voert. Vlabel stelt echter in een ‘omzendbrief’ uit 2015 dat dit tegenbewijs niet aanvaard wordt indien er ook privaat vastgoed in de vennootschap aanwezig is. Bijgevolg is het onmogelijk om het tegenbewijs te leveren zodra de vennootschap enig onroerend goed aanhoudt dat niet wordt aangewend voor de economische activiteit van de vennootschap, zelfs indien het verhuurd wordt aan derden.

Recente rechtspraak

De rechtbank van eerste aanleg te Gent oordeelde op 4 januari 2020 dat de zienswijze van de Vlaamse Belastingdienst te streng is. De betwisting betrof een vennootschap die naast de exploitatie van een slagerij ook een woning en een aantal appartementen bezat. Ingevolge het overlijden van de aandeelhouder vroegen de erfgenamen de toepassing van het gunsttarief van 3% in de erfbelasting.

Het familiebedrijf voldeed aan de boekhoudkundige parameters, waardoor het wettelijke vermoeden van economische inactiviteit speelde. Vlabel was van mening dat de belastingplichtige het tegenbewijs niet kon leveren omwille van de aanwezigheid van het privaat vastgoed, en belastte de aandelen aan de gewone tarieven in de Vlaamse erfbelasting (tot 27%), waarop de erfgenamen de zaak voor de rechtbank brachten.

In eerste aanleg werd geoordeeld dat de interpretatie van Vlabel niet strookt met de letterlijke tekst van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (‘VCF’), die niet voorziet in een bepaling dat er geen tegenbewijs meer mogelijk is zodra de vennootschap ook maar één privaat onroerend goed aanhoudt. Uit de wettekst blijkt immers nergens dat er enig onderscheid moet worden gemaakt naargelang de aard van het vastgoed bij de beoordeling van het tegenbewijs.

Na dit vonnis werd er hoger beroep aangetekend door Vlabel, doch in een tussenarrest van 1 juni 2021 heeft het Hof van Beroep te Gent de eerdere uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg bevestigd. Dit betekent dat de belastingplichtige nu ook het tegenbewijs kan leveren ondanks de aanwezigheid van privaat vastgoed op de balans. Dit kan bijvoorbeeld door aan te tonen dat de exploitatie van het vastgoed op zich een daadwerkelijke economische activiteit uitmaakt (bijvoorbeeld bij systematische verhuur), of dat er een kwalificerende operationele activiteit aanwezig is naast de vastgoedactiviteit.

Discriminatie voor familiale ondernemingen?

Naast het gunstregime voor familiale vennootschappen bestaat er ook nog een gunstregime voor familiale ondernemingen (eenmanszaken) met haar eigen toepassingscriteria. Voor de overdracht van familiale ondernemingen worden de onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning zijn bestemd echter uitdrukkelijk (op grond van de wet) uitgesloten van het gunstregime. Het Hof van Beroep zal nu nog nagaan of er sprake is van discriminatie tussen familiale vennootschappen en familiale ondernemingen die privaat vastgoed aanhouden.

Sam Dejaegere en Kizzy Wandelaer

Naar boven

6. Belangrijke aandachtspunten Nederlandse bedrijfsopvolgingsregelingen

De bedrijfsopvolgingsregelingen (‘BOR’) in de Nederlandse inkomstenbelasting en schenk- en erfbelasting staan in de belangstelling. Concrete aanpassingen bleven vooralsnog uit, ondanks de wens van diverse politieke partijen tot aanpassing van de BOR.

Voor toepassing van de BOR gelden diverse voorwaarden. De huidige Nederlandse regelingen zijn gecompliceerd en toepassing daarvan vergt aandacht. Om de BOR zo optimaal mogelijk te benutten, is het zaak hierop zorgvuldig en tijdig te anticiperen.

In een recente interviewreeks gaan wij in op de vijf belangrijkste voorwaarden van de Nederlandse BOR en treft u een handige BOR-checklist aan. Deze interviewreeks vindt u hier. België heeft eveneens diverse regelingen in het kader van bedrijfsopvolging. Neemt u gerust contact op met ons indien u vragen en/of opmerkingen hebt over de regelingen in België of Nederland.

Mark Foesenek en Pepijn van Eijk

Naar boven

7.  Tijdelijk akkoord tussen Nederland en België over situatie grensarbeiders wederom verlengd

In de vorige editie van deze nieuwsbrief (september 2021) gaven wij reeds aan dat Nederland voornemens was het met België tijdelijke gesloten akkoord over de belasting en premieheffing van grensarbeiders te verlengen.

Op 28 september 2021 is bekendgemaakt dat deze overeenkomst inderdaad – inmiddels al voor de zevende keer – is verlengd, tot en met 31 december 2021. De verwachting is vooralsnog dat dit de laatste verlenging van dit akkoord zal zijn, maar zoals we al vaker hebben gezien kan op termijn als gevolg van de voortdurende coronacrisis verlenging toch nodig zijn. Mocht dit het geval zijn, dan zullen we u uiteraard weer informeren.

Mark Foesenek en Pepijn van Eijk

Naar boven

8. Negatieve interesten aftrekbare beroepskost in België? Fiscus verduidelijkt in nieuwe omzendbrief

In de nasleep van de bankencrisis heeft de Europese Centrale Bank (‘ECB’) een ‘lage rentepolitiek’ ontwikkeld, waarbij banken worden aangemoedigd om goedkopere leningen te verstrekken aan hun klanten. Doen zij dit niet, dan moeten zij hun overtollige cash bij de ECB parkeren en wordt een strafrente (negatieve rente) van 0,5% aangerekend.

Als reactie op deze lage rentepolitiek rekenen steeds meer Belgische grootbanken deze negatieve rente door op de tegoeden van vennootschappen op hun spaar- en zichtrekeningen. Daarbij rees de vraag of deze rente fiscaal aftrekbaar is in de Belgische vennootschapsbelasting.

In de nasleep van de bankencrisis heeft de Europese Centrale Bank (‘ECB’) een ‘lage rentepolitiek’ ontwikkeld, waarbij banken worden aangemoedigd om goedkopere leningen te verstrekken aan hun klanten. Doen zij dit niet, dan moeten zij hun overtollige cash bij de ECB parkeren en wordt een strafrente (negatieve rente) van 0,5% aangerekend.

Als reactie op deze lage rentepolitiek rekenen steeds meer Belgische grootbanken deze negatieve rente door op de tegoeden van vennootschappen op hun spaar- en zichtrekeningen. Daarbij rees de vraag of deze rente fiscaal aftrekbaar is in de Belgische vennootschapsbelasting.

Brengt de omzendbrief van de Belgische fiscus duidelijkheid?

Recent heeft de Belgische fiscus in een omzendbrief meer handvatten geboden om te bepalen hoe fiscaal met deze negatieve renten (interesten) moet worden omgegaan. Samengevat bevestigt de Belgische fiscus de volgende principes met betrekking tot de fiscale behandeling van negatieve interesten:

  1. Negatieve interesten kwalificeren niet als roerend inkomen, waardoor er geen Belgische roerende voorheffing op verschuldigd is.
  2. Negatieve interesten kunnen fiscaal aftrekbaar zijn als beroepskost. Hiervoor moet geval per geval nagegaan worden of voldaan is aan de voorwaarden: betaald of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Aangezien het aanhouden van middelen op een bankrekening meerdere financiële en economische voordelen kan hebben ten opzichte van bijvoorbeeld beleggen in aandelen of andere financiële instrumenten die geen negatieve interesten aanrekenen, lijkt het ons dat doorgaans aan deze voorwaarden voldaan wordt.
  3. Compensatie van positieve en negatieve interesten in hoofde van de rekeninghouder om voor toepassing van de roerende voorheffing – tot een ‘belastbaar saldo’ te komen is niet toegestaan.

Merk op dat deze visie enkel die van de Belgische fiscus weergeeft. Zo is het mogelijk dat in een internationale context er wel buitenlandse bronheffing moet worden ingehouden of verschuldigd is op negatieve interesten. In Nederland wordt een vennootschap geacht met haar hele vermogen een onderneming te drijven en zijn negatieve rentebaten (rentelasten) in principe aftrekbaar. Dit is mogelijk anders indien er renteaftrekbeperkingen van toepassing zijn.

Julie Boon en Jill Peeters

Naar boven

9. Belgische registratiebelasting aftrekbaar als kosten voor eigen woning in Nederlandse aangifte inkomstenbelasting

In een recente uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant stond de volgende vraag centraal: is de in België betaalde registratiebelasting voor een woning aftrekbaar in de Nederlandse aangifte inkomstenbelasting?

Kwalificerende buitenlands belastingplichtige

Om als buitenlands belastingplichtige in aanmerking te kunnen komen voor de aftrek van kosten in verband met een eigenwoningschuld, dient in beginsel het inkomen op basis van de huidige Wet inkomstenbelasting 2001 (‘Wet IB’) voor 90% of meer in Nederland te worden verdiend. Deze situatie kan zich onder andere voordoen bij grensarbeiders die in België wonen en (nagenoeg) enkel in Nederland werken. Om de hypotheekrente of -kosten in aftrek te kunnen brengen dient de woning in België te kwalificeren als een ‘eigen woning’ van de belastingplichtige, en de schuld ten aanzien van die woning als een ‘eigenwoningschuld’ zoals gedefinieerd in de Wet IB. In de voornoemde uitspraak van de rechtbank was in dat kader niet in geschil dat:

  1. de belastingplichtige kon worden aangemerkt als kwalificerende buitenlands belastingplichtige;
  2. sprake was van een eigen woning in de zin van de Wet IB;
  3. de schuld ten aanzien van de eigen woning (inclusief bijbehorende kosten) kwalificeert als een eigenwoningschuld in de zin van de Wet IB.

Voor meer informatie over kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen verwijzen wij naar de januari 2021-editie van deze nieuwsbrief.

Achtergrond aftrekbaarheid van kosten

De kosten van een geldlening die behoren tot de eigenwoningschuld zijn aftrekbaar op grond van de eigenwoningregeling. De Hoge Raad oordeelde in zijn uitspraak van 23 september 2016 als volgt:

“De eigenwoningschuld is beperkt tot schulden die zijn aangegaan voor het verwerven, verbeteren of onderhouden van de eigen woning. Daarmee strookt dat tot de kosten van een geldlening in verband met die schulden uitsluitend worden gerekend de kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen, verlengen of aflossen van de voor die doeleinden aangegane geldleningen.

Het geschil: rechtstreeks verband?

Door de vaststelling van de voornoemde punten blijft de volgende rechtsvraag over ter beoordeling van de rechtbank: kwalificeert de in België betaalde registratiebelasting als ‘kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld’?

De Nederlandse inspecteur stelt dat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de kosten en de geldlening, aangezien de kostenpost een belasting betreft en dat van een rechtstreeks verband alleen sprake is wanneer tegenover de kosten een directe prestatie staat die haar oorsprong vindt in de eigen woning.

Rechtbank oordeelt: wél sprake van een rechtstreeks verband

De Nederlandse rechtbank heeft echter geoordeeld dat wél sprake is van kosten van een geldlening die rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen van een geldlening ten behoeve van de eigen woning. De registratiebelasting wordt geheven vanwege het inschrijven van een Belgische hypotheekakte. Vaststaat dat in België de inschrijving van de hypotheekakte vereist is om een recht van hypotheek te vestigen en die inschrijving is tevens nodig om de hypotheeklening te verkrijgen. Daarmee vloeit de heffing van de registratiebelasting naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks voort uit het opnemen van een hypothecaire geldlening.

De rechtbank overweegt verder dat buitenlandse belastingen niet zijn uitgesloten van belastingaftrek. De omstandigheid dat sprake is van een vorm van (buitenlandse) belasting die naar zijn aard niet aan te merken is als een betaling voor een direct ontvangen prestatie is dus niet voldoende om te oordelen dat geen sprake is van aftrekbare kosten. We hebben begrepen dat er in deze zaak geen hoger beroep is ingesteld door de Belastingdienst.

Esther Schutte en Ruud Hoevenaar

Naar boven

10. Digitale oprichting Belgische vennootschappen mogelijk sinds 1 augustus 2021

Sinds 1 augustus 2021 kan een Belgische vennootschap volledig digitaal opgericht worden. Deze stap richting meer digitalisering is het gevolg van de omzetting van een Europese richtlijn (Richtlijn 2019/1151 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht).

Op basis van deze richtlijn is het voor iedere lidstaat verplicht om de online oprichting van rechtspersonen, dus zonder dat een partij zich fysiek nog ergens zou moeten melden, mogelijk te maken.

De lidstaten dienden uiterlijk op 1 augustus 2021 aan deze verplichting te voldoen. België heeft deze richtlijn (net op de valreep) omgezet in nationale regelgeving met de Wet van 12 juli 2021, waardoor de online oprichting mogelijk wordt gemaakt voor alle types van vennootschappen.

De inhoud van de notariële oprichtingsakte blijft ongewijzigd en ook de tussenkomst van een notaris als onafhankelijke tussenpersoon blijft vereist. Het digitaal verlijden van de notariële akte zelf vindt plaats via elektronische ondertekening tijdens een videovergadering met de notaris (via een elektronisch platform dat beheerd wordt door Fednot, de beroepsfederatie van het Belgische notariaat).

Indien de oprichting gebeurt door middel van een zogenoemde ‘inbreng in natura’ kan er jammer genoeg geen gebruik worden gemaakt van deze nieuwe mogelijkheid.

De notaris kan bovendien alsnog de fysieke verschijning van een partij eisen in de volgende twee gevallen:

  • wanneer er redenen zijn om te vermoeden dat er identiteitsfraude is gepleegd;
  • wanneer dit nodig zou zijn om de handelingsbekwaamheid of vertegenwoordigingsbevoegdheid van een partij te controleren.

De nieuwe wet is alvast een stap in de richting van een verdere modernisering van het Belgische vennootschapsrecht.

Uitstel voor implementatie Richtlijn 2019/1151 in Nederlands vennootschapsrecht

Ook in Nederland heeft de aangehaalde Europese richtlijn werking en is reeds bijbehorende implementatiewetgeving opgesteld. Hoewel het de bedoeling was dat oprichting van een Nederlandse besloten vennootschap (‘bv’) per 1 augustus 2021 digitaal mogelijk zou moeten zijn, is recent besloten de implementatiedatum van de bijbehorende wetgeving met maximaal één jaar uit te stellen. De Europese richtlijn biedt hiertoe een mogelijkheid. Het is nog niet bekend wanneer de implementatiewetgeving ook in Nederland in werking zal treden. De digitale systemen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (‘KNB’) zijn echter reeds beschikbaar.

Ook na inwerkingtreding blijft het vereist dat een notaris met standplaats in Nederland betrokken is bij de oprichting van een Nederlandse bv via een online proces.

Tim Fransen, Julie Kempenaars en André van Hoepen

Naar boven

© 2022 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.