Belgium-Holland Desk Newsletter | September 2020

16 september 2020
vlag belgie, vlag nederland

1. Uitnodiging webinar

Donderdagochtend 8 oktober aanstaande organiseren wij het jaarlijkse KPMG Belgium-Holland Desk Seminar. Dit jaar zal het evenement online plaatsvinden. Volgens het gebruikelijke concept gaan onze specialisten in diverse workshops in op de actuele fiscale ontwikkelingen in Nederland en België en hoe deze zich tot elkaar verhouden. De volgende workshops staan op het programma:

  • Actualiteiten grensoverschrijdende arbeid
  • Actualiteiten in de (internationale) vennootschapsbelasting
  • Actualiteiten BTW
  • Actualiteiten Transfer Pricing (documentatie)
  • Actualiteiten directeur-grootaandeelhouders en estate planning
  • Actualiteiten vennootschapsrecht

Hebt u zich nog niet aangemeld? Doe dit dan hier alsnog!

Naar boven

2. Prinsjesdag-update

Op Prinsjesdag, 15 september 2020, heeft het Nederlandse kabinet zijn fiscale voorstellen aangeboden aan de Tweede Kamer. De voorstellen betreffen een verlaging van het inkomstenbelastingtarief (box 1), een wijziging van het Box 3-regime, het niet doorvoeren van een tariefsverlaging in de vennootschapsbelasting, de invoer van een Co2-heffing voor industrie  en diverse andere maatregelen. Wij verwijzen naar ons memorandum in dit kader en zullen in de volgende edities van deze nieuwsbrief gedetailleerd op een aantal maatregelen ingaan. 

Naar boven

3. Update coronamaatregelen

De overeenkomst tussen Nederland en België waar wij u eerder over berichtten in de mei 2020-editie ten aanzien van de fiscale en socialezekerheidspositie van thuiswerkende grensarbeiders is verlengd tot en met 31 december 2020.

Verder heeft het Nederlandse kabinet op 28 augustus 2020 bij Kamerbrief een derde steun- en herstelpakket voor ondernemers en werkenden gepresenteerd. Dit nieuwe pakket, dat volgt op de twee eerdere noodpakketten, betreft onder meer een verlenging met negen maanden tot 1 juli 2021 van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (‘NOW’), de Tegemoetkoming Vaste Lasten mkb (‘TVL’) en de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (‘Tozo’). Wij verwijzen daarvoor graag naar het cliëntmemorandum dat hier te raadplegen is.

In België voerde de wetgever recentelijk een tax-shelterregime in ten voordele van kleine ondernemingen die hun omzet aanzienlijk hebben zien dalen door de coronacrisis. Natuurlijke personen die nieuwe aandelen op naam aankopen in deze vennootschappen, zullen vanaf nu kunnen genieten van een aantrekkelijke belastingvermindering. Zo wordt iedereen gestimuleerd om te (blijven) investeren in Belgische KMO’s in deze uitzonderlijke tijden.

Voorts is beslist om het basispercentage van de algemene eenmalige investeringsaftrek op te trekken tot 25%. De tijdelijke verhoogde aftrek geldt voor kleine vennootschappen die investeren in afschrijfbare vaste activa tussen 12 maart en 31 december 2020. Als een organisatie in 2020 geen of onvoldoende winst maakt, bestaat er daarnaast ook de mogelijkheid om de overgedragen investeringsaftrekken die werden aangelegd in 2019 uitzonderlijk over te dragen naar 2021. Klik hier voor meer informatie.

Tot slot verwijzen wij graag naar de recent geïntroduceerde Digital Gateway waarin wereldwijd COVID-19-belastinggerelateerd nieuws te vinden is.

Naar boven

4. TP in tijden van corona

De impact van de coronacrisis en de door de overheid getroffen maatregelen varieert sterk per onderneming. Sommige ondernemingen zijn tijdelijk gesloten (geweest) en andere ervaren een sterke terugval in de vraag. Weer andere ondernemingen profiteren juist door een sterke toename van de vraag in de sector waarin zij actief zijn. Inmiddels zullen veel ondernemingen dan ook een redelijk eerste inzicht hebben van de impact van de coronacrisis op hun organisatie tijdens het afgelopen half jaar. Nu het laatste kwartaal van 2020 nadert, is dit ook een goed moment om de impact van de ontwikkelingen omtrent de coronacrisis op het gehanteerde transferpricingbeleid binnen de onderneming onder de loep te nemen.

Arm’s-lengthbeginsel

Vanuit transferpricingperspectief is relevant aan welk land en aan welke entiteit binnen het concern eventuele (onverwachte) verliezen en winsten als gevolg van de coronacrisis gealloceerd dienen te worden. Het ‘arm’s-lengthbeginsel’ schrijft voor dat de voorwaarden voor transacties binnen het concern (waaronder de prijs voor het product of de verleende dienst) in lijn moeten zijn met wat onafhankelijke derden, onder vergelijkbare omstandigheden, overeen zouden komen. Kortweg moet er zakelijk worden gehandeld, ook in deze tijden van crisis.

Overwegingen

Internationaal opererende ondernemingen moeten bedenken waar de eventuele verliezen of winsten in deze buitengewone omstandigheden ‘thuishoren’. Dit enerzijds om eventuele discussies met belastingautoriteiten in de toekomst tot een minimum te beperken en anderzijds om ervoor te zorgen dat reacties van de onderneming op de huidige situatie en eventuele aanpassingen in het gehanteerde transferpricingbeleid in lijn zijn met de wettelijke vereisten bij het doen van hun aangifte vennootschapsbelasting. Hierbij is het belangrijk om de overwegingen voor eventuele prijsaanpassingen goed te documenteren. In dit kader adviseren wij om onder meer de volgende aandachtspunten te analyseren en documenteren:

  • de contractuele verhoudingen binnen de groep en in hoeverre deze de huidige situatie voorzien hebben, rekening houdend met de impact van de coronacrisis;
  • de impact van de coronacrisis op de activiteiten binnen de groep. Hierbij is ook het gedrag van derden (bijvoorbeeld afnemers en leveranciers of andere marktpartijen) relevant, en hoe deze omgaan met de huidige omstandigheden. Het is namelijk niet ondenkbaar dat onafhankelijke derden in bepaalde omstandigheden hun contractuele verhoudingen zullen heroverwegen;
  • de financiële impact van het bovenstaande op de groep als geheel en op de individuele partijen. Hierbij zijn ook eventuele afwijkingen van de eerder opgestelde budgetten en de achterliggende argumentatie relevant;
  • de door partijen uitgeoefende functies, gelopen risico’s en gebruikte activa en hoe deze zich verhouden tot de huidige situatie.

Mogelijk brengt uw analyse u tot aanpassingen in de gehanteerde transferpricingmethode. Houd in dat geval ook rekening met de impact hiervan op de heffing van douanerechten. Meer daarover leest u hier.

Melvin Roufs en Jens Karreman

Naar boven

5. Beurstaks – nieuw arrest grondwettelijk Hof

Zoals u reeds hebt kunnen lezen in de maart 2020-editie van deze nieuwsbrief oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie (‘HvJ’) op 30 januari 2020 dat de Belgische beurstaks voor verrichtingen via buitenlandse tussenpersonen verenigbaar is met de Europese vrijheden van dienstverlening en kapitaal. Dit betekende echter nog niet het einde van het verhaal, want het Belgisch Grondwettelijk Hof (‘GwH’) moest nog zijn eindoordeel vellen. Dat laatste is op 4 juni 2020 gebeurd. Conclusie? De beurstaks is ook verenigbaar met het Belgisch grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Inwoners van België moeten dus aanvaarden dat de Belgische beurstaks hen wereldwijd achtervolgt, ook al wil dit niet zeggen dat daarmee alles uitgeklaard is.

Achtergrond

Tot eind 2016 waren enkel (beurs)transacties die in België werden aangegaan of uitgevoerd via een in België gevestigde tussenpersoon (bijvoorbeeld een bank) onderworpen aan de Belgische beurstaks. Daardoor kon de beurstaks makkelijk worden ontweken via een buitenlandse bank of een buitenlands internetplatform (bijvoorbeeld in Nederland).

Sinds 1 januari 2017 geldt de taks evenwel ook voor verrichtingen via buitenlandse tussenpersonen en handelsplatforms. Dit uitgebreid toepassingsgebied leidde, vanwege een mogelijke schending van het Belgische grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en de Europese verdragsvrijheden, tot meerdere beroepen tot nietigverklaring bij het Belgisch GwH. Zo zou het voor een Belgische ordergever (bijvoorbeeld een Belgische natuurlijke persoon of vennootschap) aanzienlijk risicovoller, duurder en administratief zwaarder zijn om beroep te doen op een buitenlandse tussenpersoon. Daardoor zouden beleggers nadeliger worden behandeld louter omdat ze beroep doen op een in het buitenland gevestigde tussenpersoon en worden ontmoedigd om gebruik te maken van de diensten van een buitenlandse dienstverlener.

Vooraleer zelf ten gronde een uitspraak te doen, besliste het GwH in zijn arrest van 8 november 2018 om zich – via drie prejudiciële vragen – te richten tot het HvJ, om zekerheid te verkrijgen omtrent een vermeende niet-gerechtvaardigde schending van het vrij verkeer van diensten en/of kapitaal. Het HvJ oordeelde in zijn arrest van 30 januari 2020 dat de regeling beleggers inderdaad kan ontmoedigen om gebruik te maken van buitenlandse dienstverleners, maar acht die beperking gerechtvaardigd om dwingende reden van algemeen belang. Die dwingende redenen zijn het waarborgen van een doeltreffende inning van de taks, effectieve fiscale controle en het voorkomen van ontwijking van beurstaks.

Uitspraak Belgisch Grondwettelijk Hof (4 juni 2020)

Na het arrest van het HvJ (dat geen directe gevolgen had in België), lag de bal terug in het kamp van het GwH. Op 4 juni 2020 heeft het Hof zijn finale oordeel geveld, in het voordeel van de Belgische Staat.

Over het Europees aspect van de aangebrachte middelen is het GwH kort. Zo verwijst het enkel naar de uitspraak van het HvJ en concludeert dat de aangebrachte middelen, gestoeld op het Europees recht, ongegrond zijn en het uitgebreid toepassingsgebied verenigbaar is met de Europese vrijheden.

Naast de Europese middelen werd door de eisende partij ook een schending van het Belgisch grondwettelijk gelijkheidsbeginsel ingeroepen.

Enkel als beroep wordt gedaan op een buitenlandse tussenpersoon is de belegger zelf (persoonlijk) aansprakelijk voor de tijdige aangifte en betaling van de taks en loopt men het risico op aanzienlijke sancties. Daardoor zou er een onverantwoord verschil in behandeling zijn tussen Belgische ordergevers naargelang zij beroep doen op een in België dan wel een in het buitenland gevestigde tussenpersoon.

In lijn met het HvJ oordeelt ook het GwH dat er inderdaad een verschil in behandeling is, maar dat dit verschil (gezien het doel en de gevolgen van de maatregel) berust op een objectief criterium, namelijk de plaats van vestiging van de tussenpersoon. Dit criterium is, volgens het GwH, relevant aangezien het verband houdt met de verplichting voor elke Belgische ingezetene om beurstaks te betalen op zijn beursverrichtingen. Verder wordt eveneens de doelstelling van het uitgebreid toepassingsgebied, namelijk het creëren van een gelijk speelveld tussen een in België en een in het buitenland gevestigde tussenpersoon (naast de extra budgettaire inkomsten), als wettig aangezien. De wetgeving is daarenboven redelijk verantwoord. Zo heeft een in het buitenland gevestigde tussenpersoon de mogelijkheid om een in België gevestigde aansprakelijk vertegenwoordiger aan te stellen (alsof het een Belgische tussenpersoon is) en kan de ordergever een mandataris aanwijzen om voor hem alle verplichtingen te voldoen. Dergelijke mogelijkheden om de formaliteiten inzake de beurstaks uit te besteden, betekent een mogelijke verlichting van de administratieve lasten.

Gelet op bovenstaande, veegt het GwH naast de Europese middelen ook een schending van het gelijkheidsbeginsel van tafel en wijst het beroep tot nietigverklaring zonder meer af.

Implicaties

Met het eindoordeel van het GwH is het verhaal in de rechtszaal voor de beurstaks (voorlopig) ten einde. Belgische beleggers-ordergevers moeten zich er dus bij neerleggen dat de Belgische beurstaks hen wereldwijd achtervolgt, ook voor verrichtingen die volledig in het buitenland worden afgewikkeld.

Maar ook al is er nu rechtszekerheid over het uitgebreid toepassingsgebied, wijzen we erop dat alle praktische en juridische vragen over de toepassing van de beurstaks nog niet beantwoord zijn. We denken bijvoorbeeld aan beurstaks voor zogenaamde verplichte corporate actions, het verschillend tarief voor transacties met betrekking tot beleggingsfondsen en -vennootschappen naargelang de aan- of afwezigheid van een Europees paspoort enzovoort. Bovendien is het nog steeds niet uitgesloten dat ooit een Europese Financiële Transactie Taks (‘FTT’) zal worden ingevoerd. Dan zou de beurstaks (gedeeltelijk) moeten worden geannuleerd en vervangen.

To be continued

Kevin Hellinckx en Tom Ieven

Naar boven

6. De toekomstige belastbaarheid van schenkingen voor buitenlandse notaris

Recent werd bij het Belgische parlement een wetsvoorstel ingediend om schenkingen van roerende goederen voor een buitenlandse notaris verplicht registreerbaar te maken. Daarmee komt een einde aan een praktijk die tweehonderd jaar werd toegelaten. De registratie bij de fiscale administratie heeft immers als gevolg dat er schenkbelasting verschuldigd is, waardoor het belastingvrij schenken voor een buitenlandse notaris binnenkort verleden tijd is. De nieuwe verplichting zou gelden voor schenkingen vanaf 1 december 2020. Voor schenkers die in België wonen, zou dit concreet betekenen dat de ‘kaasroute’ via de Nederlandse notaris hun vanaf dan geen onmiddellijk fiscaal voordeel meer zou opleveren.

Wat is het huidige systeem?

Of een schenking in België al dan niet belastbaar is met schenkingsrechten (in Vlaanderen spreekt men van ‘schenkbelasting’), hangt af van de vraag of de schenking geregistreerd wordt bij de fiscale administratie of niet.

Die registratie is wettelijk verplicht voor elke schenking die gebeurt voor een Belgische notaris, of het nu gaat om de schenking van vastgoed of om de schenking van roerende goederen zoals geld, aandelen of kunst. De schenker of de begiftigde moet daarvoor zelf niets doen; het is de notaris die het nodige doet voor de registratie van zijn akte.

Het is op vandaag echter niet verplicht om een schenking van roerende goederen voor een Belgische notaris te laten gebeuren. De huidige wet voorziet eenvoudigweg niet in die verplichting. Een schenking van roerend vermogen kan dan ook perfect geldig gebeuren voor een buitenlandse notaris of in bepaalde gevallen zelfs zonder tussenkomst van een notaris, zoals bij een handgift of een schenking via eenvoudige bankoverschrijving (bankgift). Daarbij heeft een buitenlandse notaris niet de plicht om zijn akte te laten registreren bij de bevoegde Belgische fiscale administratie. Voor de onderhandse documenten die worden opgemaakt ter bevestiging van de hand- of bankgift geldt ook geen registratieverplichting. Toch kan het opportuun zijn om deze schenkingen nadien vrijwillig te registreren bij de fiscus. Het al dan niet registreren van de schenking van roerende goederen heeft immers een verschillend fiscaal gevolg.

Wordt de schenking – verplicht of vrijwillig – geregistreerd, dan is er schenkbelasting verschuldigd. In Vlaanderen bedraagt die 3% bij een schenking in de rechte lijn en tussen partners, of 7% bij een schenking aan anderen. De schenking van een familiebedrijf kan zelfs met een volledige vrijstelling van schenkbelasting indien aan alle voorwaarden hiertoe wordt voldaan.

De registratie van de schenking heeft als onmiddellijk gevolg dat er in principe geen erfbelasting meer kan worden geheven over de geschonken goederen, zelfs niet indien de schenker overlijdt binnen de drie jaar vanaf de schenking.

Indien de buitenlandse schenkingsakte of de voormelde onderhandse documenten niet geregistreerd worden bij de fiscale administratie, dan is er op het ogenblik van de schenking geen schenkbelasting verschuldigd. Vanaf de datum van de schenking begint dan wel een fiscale risicotermijn (‘verdachte periode’) te lopen. Overlijdt de schenker binnen de drie jaar, dan is er erfbelasting verschuldigd over de waarde van de geschonken goederen. Die erfbelasting ligt een stuk hoger dan de schenkbelasting. In Vlaanderen lopen de tarieven van die erfbelasting immers op tot 27% vanaf € 250.000 in rechte lijn en tussen partners, en tot 55% boven € 75.000 tussen alle anderen.

Voor de schenking van een familiebedrijf voor een buitenlandse notaris onder de BOR (zie elders in deze nieuwsbrief) geldt geen risicotermijn van drie jaar, maar van zeven jaar. Overlijdt de schenker binnen die zeven jaar, dan geldt onder voorwaarden een vlak successietarief van 3% tussen partners en in rechte lijn, of 7% voor alle anderen.

Indien de schenker na die drie of zeven jaar overlijdt, is er geen erfbelasting meer verschuldigd over de geschonken goederen en blijft de schenking dus volledig belastingvrij. In het Vlaamse regeerakkoord is in dit verband overigens afgesproken dat de risicotermijn van drie jaar wordt verlengd tot vier jaar. Volgens de laatste berichten zou die verlengde termijn van vier jaar gelden voor niet-geregistreerde schenkingen vanaf 1 januari 2021. In Brussel en Wallonië is op vandaag nog geen sprake van het verlengen van de risicotermijn van drie jaar.

Schenker(s) en begiftigde(n) moeten dus een keuze maken: ofwel betalen zij onmiddellijk 3% of 7% schenkbelasting, ofwel betalen ze niets bij de schenking en nemen ze het risico dat de veel hogere erfbelasting verschuldigd zal zijn bij overlijden van de schenker binnen de drie jaar. Indien de schenker in die drie jaar bijvoorbeeld terminaal ziek wordt en de risicotermijn wellicht niet zal halen, dan kunnen de buitenlandse schenkingsakte of de schenkingsdocumenten tijdens het leven van de schenker alsnog vrijwillig worden geregistreerd met betaling van de 3% of 7% schenkbelasting (om tot 27% of zelfs 55% successierechten te vermijden).

In de praktijk blijkt het belangrijkste risico een onverwacht overlijden te zijn tijdens de risicotermijn, dat echter vaak wordt afgedekt door het afsluiten van een successieverzekering.

Wat zal er wijzigen?

Het nieuwe wetsvoorstel strekt ertoe om de registratie van buitenlandse notariële schenkingsaktes te verplichten, waardoor er over deze schenkingen voortaan dus ook 3% of 7% schenkbelasting verschuldigd zou zijn (of een vrijstelling voor familiebedrijven onder voorwaarden). De keuze voor een vrijwillige registratie met betaling van schenkbelasting of het laten lopen van de fiscale risicotermijn zou in dat geval vervallen. In de toelichting bij het voorstel wordt daarbij uitdrukkelijk verwezen naar het sluiten van de kaasroute via de Nederlandse notaris, maar de nieuwe verplichting zal eveneens gelden voor schenkingen voor bijvoorbeeld de Franse of Zwitserse notaris die in de praktijk ook voorkomen.

Bij gebrek aan andersluidende regeling in het voorstel zou de buitenlandse schenkingsakte in principe binnen de vijftien dagen moeten worden geregistreerd bij de Belgische fiscus. De praktijk zal moeten uitwijzen of die korte termijn haalbaar is.

De verplichting om de buitenlandse schenkingsakte te laten registreren wordt opgelegd aan zowel de schenker als de begiftigde(n): zij moeten onderling uitmaken wie er concreet voor de registratie zorg zal dragen, zonder dat de fiscus evenwel gebonden is door die keuze.

Wat wijzigt er niet?

Schenkingen die niet voor een notaris gebeuren, zoals een handgift, een bankgift of een onrechtstreekse schenking zoals een kwijtschelding van schuld, worden niet geviseerd. Voor deze schenkingen blijft het huidige systeem bestaan.

Vanaf wanneer geldt de nieuwe regeling?

De huidige tekst van het wetsvoorstel bepaalt dat de nieuwe verplichting zal gelden voor schenkingen vanaf 1 december 2020. Schenkers die dus overwegen om roerend vermogen te schenken en nog van de huidige regeling gebruik willen maken, wachten dus best niet te lang meer om actie te ondernemen.

Tillo Dumont

Naar boven

7. Conditionele eindafrekening in de dividendbelasting

Op 10 juli 2020 heeft het Nederlandse Tweede Kamerlid Snels (GroenLinks) een initiatiefwetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer voor de invoering van een (conditionele) ‘exitheffing’ in de Nederlandse dividendbelasting. Doel van het wetsvoorstel is de aanwezige winstreserves van een in Nederland gevestigde vennootschap aan de heffing van Nederlandse dividendbelasting te onderwerpen wanneer deze vennootschap wordt verplaatst naar een land dat:

  • geen met de Nederlandse dividendbelasting vergelijkbare bronheffing op dividenden heft; of
  • bij binnenkomst voor deze bronheffing op dividenden de (latente) winstreserves van de vennootschap aanmerkt als gestort kapitaal (anders gezegd: een step-up verleent).

Wij veronderstellen dat de Belgische roerende voorheffing kwalificeert als een met de Nederlandse dividendbelasting vergelijkbare bronheffing. Omdat België voor deze bronheffing geen step-up verleent, nemen wij aan dat – indien dit wetsvoorstel wordt aangenomen – bij verplaatsing van een vennootschap van Nederland naar België deze nieuwe Nederlandse exitheffing niet van toepassing zal zijn.

Achtergrond en reikwijdte van het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel heeft een onlosmakelijk verband met de (mogelijke) verplaatsing/reorganisatie van de hoofdkantoren van de beursgenoteerde multinationals Shell en Unilever naar het Verenigd Koninkrijk, dat thans geen dividendbelasting kent. Na verplaatsing van deze hoofdkantoren naar het buitenland kan Nederland veelal geen dividendbelasting meer heffen. Tegen deze achtergrond beoogt het wetsvoorstel alsnog Nederlandse dividendbelasting te heffen over de (latente) winstreserves, die bij een grensoverschrijdende reorganisatie overgaan naar een land dat de Nederlandse dividendbelastingclaim niet overneemt.

De reikwijdte van het wetsvoorstel is beperkt tot vennootschappen die onderdeel zijn van een groep met een geconsolideerde nettojaaromzet van ten minste € 750 miljoen. Dit betreft bij uitstek, maar niet uitsluitend, internationale beursgenoteerde ondernemingen. Omdat het wetsvoorstel uitgaat van introductie van de nieuwe heffing met terugwerkende kracht tot 10 juli 2020, dient onder meer bij de reorganisatie van dergelijke ondernemingen reeds met de mogelijke introductie van deze heffing rekening te worden gehouden.

Vormgeving van het voorstel

De eindheffing is vormgegeven aan de hand van een fictieve uitdeling van alle aanwezige (latente) winstreserves van de Nederlandse vennootschap op het moment onmiddellijk voorafgaand aan een grensoverschrijdende reorganisatie. Onder voorwaarden en op verzoek wordt voor de betaling van de verschuldigde dividendbelasting uitstel verleend. Opvallend is dat bij betaling van de verschuldigde dividendbelasting ineens geen recht op verrekening bestaat met de door de aandeelhouder verschuldigde inkomsten- of vennootschapsbelasting. Bij betaling van de verschuldigde belasting na verlening van uitstel van betaling bestaat voor de (Nederlandse) aandeelhouder op termijn namelijk wel recht op verrekening. 

Het uitstel van betaling wordt onder meer beëindigd wanneer dividend beschikbaar wordt gesteld aan de aandeelhouders. Dat is tevens het moment waarop de dividendbelasting als voorheffing kan worden verrekend met de Nederlandse inkomsten- en vennootschapsbelasting. Nu het moment van de exitheffing en de daadwerkelijke uitkering van het betreffende dividend veelal niet op hetzelfde tijdstip liggen, kan het verrekeningsrecht aan een ander toekomen dan aan degene die aandeelhouder was op het moment dat de exitheffing verschuldigd werd. In welke mate de buitenlandse belegger, bijvoorbeeld de Belgische belegger, de Nederlandse eindheffing kan verrekenen is vooralsnog ongewis.

Tot slot

Bij het wetsvoorstel in huidige vorm kunnen de nodige juridische kanttekeningen worden geplaatst. Het wetsvoorstel is mogelijk in strijd met belastingverdragen en/of EU-recht. Wij zijn dan ook erg benieuwd of dit wetsvoorstel, al dan niet met enige aanpassingen, zal worden aangenomen. Vanzelfsprekend houden wij u op de hoogte. 

Sven Alderlieste en Mark Foesenek

Naar boven

© 2020 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.