Belgium-Holland Desk Newsletter | Maart 2020

24 maart 2020
vlag belgie, vlag nederland

Inhoud

Naar boven

1. Fiscale en economische maatregelen met betrekking tot het coronavirus

De coronapandemie heeft een grote invloed op bedrijven wereldwijd. Ook voor bedrijven met activiteiten in Nederland en België kunnen de financieel-economische gevolgen groot zijn. Inmiddels hebben de Nederlandse en Belgische overheden noodmaatregelen aangekondigd. Omdat de ontwikkelingen en maatregelen elkaar in hoog tempo opvolgen, verwijzen wij naar de berichtgeving op onze webpagina’s over dit onderwerp.

Bekijk de laatste ontwikkelingen en maatregelen in Nederland en in België.

Naar boven

2. Mobiliseren van vrijgestelde reserves in België

Met de derde fase van de hervorming van de Belgische vennootschapsbelasting wordt de – tijdelijke – mogelijkheid geboden om bepaalde vrijgestelde reserves op te nemen tegen een gunsttarief van 15%. Dit tarief daalt verder tot 10%, mits het bedrag geïnvesteerd wordt in kwalificerende activa.

Aanleggen van belastingvrije reserve

De Belgische fiscale regelgeving biedt vennootschappen soms de mogelijkheid om een deel van hun resultaat vrij te stellen door een vrijgestelde reserve aan te leggen. Deze reserves behouden dan onder voorwaarden slechts hun belastingvrije karakter zolang de onaantastbaarheidsvoorwaarde wordt gerespecteerd. Meer specifiek moet de reserve op een afzonderlijke rekening van het passief worden geboekt én mag ze niet worden uitgekeerd aan de aandeelhouders. Wanneer de onaantastbaarheidsvoorwaarde niet langer wordt nageleefd, wordt de vrijgestelde reserve onmiddellijk belastbaar aan het nominaal tarief (29,58% voor aanslagjaar 2020 en 25% vanaf aanslagjaar 2021).

Belastingvrije reserves worden ten laatste belastbaar wanneer de vennootschap geliquideerd wordt of zich andere vormen van een vereffening voordoen (zoals onder omstandigheden bij emigratie het geval kan zijn).

Mobiliseren van vrijgestelde reserves

Vanwege budgettaire redenen worden vennootschappen nu tijdelijk aangemoedigd om hun vrijgestelde reserves vervroegd te mobiliseren tegen een verlaagd gunsttarief. Meer specifiek kunnen de vrijgestelde reserves worden omgezet in belaste reserves, mits betaling van een verlaagd tarief van 15% plaatsvindt. Deze afzonderlijke belasting vormt wel een minimum belastbare basis waartegen eventuele verliezen of andere fiscale aftrekken niet kunnen worden afgezet. Er mogen ook geen voorheffingen, Forfaitaire gedeelte van de Buitenlandse Belasting (FBB), noch belastingkredieten mee worden verrekend.

Ook kent de maatregel een beperkt temporeel toepassingsgebied. Om in aanmerking te komen voor het gunstregime dienen de vrijgestelde reserves immers gemobiliseerd te worden in de aanslagjaren 2021 of 2022. Ten slotte dienen de vrijgestelde reserves verbonden te zijn met belastbare tijdperken die afsluiten vóór 1 januari 2017. Helemaal nieuw is deze maatregel niet, het betreft immers de herintroductie van een maatregel die reeds gold voor de aanslagjaren 2008 tot 2010.

Verlaagd tarief van 10%

Het gunsttarief kan zelfs onder voorwaarden verder verlaagd worden tot 10% wanneer de opgenomen reserves aangewend worden voor investeringen in materiële vaste activa of immateriële vaste activa die afschrijfbaar zijn. Het verlaagde tarief van 10% geldt voor het gedeelte van de opnemingen dat overeenstemt met investeringen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • De investering moet gedaan zijn tijdens het belastbare tijdperk waarin de opneming werd verricht.
  • De investering moet gedaan zijn in afschrijfbare materiële of immateriële vaste activa, andere dan investeringen in personenauto’s en lichte vrachtauto’s. In art. 75, 5°, WIB 92, worden de personenauto's en auto's voor dubbel gebruik, met inbegrip van de lichte vrachtauto's bedoeld, die uitgesloten zijn van het stelsel van de investeringsaftrek.
  • De investering kan niet als een herbelegging of besteding worden beschouwd overeenkomstig het meerwaardenstelsel met betrekking tot bedrijfsvoertuigen, binnenschepen, de gespreide belasting van meerwaarden, de aftrek voor innovatie-inkomsten voor de vervreemding van een intellectueel eigendomsrecht en de meerwaarden op zeeschepen.

Indien slechts een deel van de gemobiliseerde reserves wordt geïnvesteerd, dwingt een proratering zich op.

In aanmerking komende reserves

Hoewel het materieel toepassingsgebied reeds ruimer is vergeleken met de oude regeling, komen niet alle vrijgestelde reserves in aanmerking voor mobilisatie tegen het gunsttarief. Het mobilisatieregime geldt wel voor de verwezenlijkte meerwaarden van artikel 190 WIB (enkele uitzonderingen buiten beschouwing gelaten), de belastbare opnemingen op de oude investeringsreserve van aanslagjaar 1982, de belastbare opnemingen van de nieuwe investeringsreserve, de 20% bijkomende kostenaftrek voor elektrische wagens, fiets-stimulerende maatregelen of beveiligingskosten en de opnemingen op vrijgestelde winsten van inschakelingsbedrijven.

Buiten het toepassingsgebied vallen onder meer: kapitaalsubsidies, waardeverminderingen op handelsvorderingen, het Tax Shelter-stelsel voor audiovisuele werken, voorzieningen, gespreide te belasten meerwaarden en voorzieningen voor sociaal passief.

Ilke Vandenbroeck en Thomas Zwaenepoel

Naar boven

3. Nederlandse behandeling bedrijfspensioenen bij grensoverschrijdende arbeid

In de mei 2019-editie van deze nieuwsbrief informeerden wij u over de Nederlandse fiscale behandeling van een Belgische pensioenregeling naar aanleiding van een zaak van Gerechtshof ’s Hertogenbosch (hierna: hof). Onlangs heeft advocaat-generaal (hierna: A-G) Niessen een conclusie genomen in deze zaak. In dit artikel gaan wij hier verder op in.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch

Belanghebbende woont in België en is vanaf 1978 in dienst van een internationaal concern. Hij werkte eerst voor een Belgische vestiging, waar hij deelnam in een Belgische pensioenregeling. Vanaf 1 juli 2007 werkt belanghebbende ook voor een Nederlandse vestiging van de Belgische werkgever. Belanghebbende zet zijn Belgische pensioenregeling voort. De pensioenregeling voldoet in principe niet aan de eisen van een kwalificerende pensioenregeling voor toepassing van de Wet op de loonbelasting. Voor de eerste vijf jaar (1 juli 2007 tot 1 juli 2012) wordt de Belgische pensioenregeling door de Nederlandse inspecteur aangewezen als ‘zuivere pensioenregeling’, op basis van een beleidsbesluit. Als gevolg hiervan zijn de ingehouden werknemerspremies aftrekbaar en de werkgeversbijdragen onbelast in Nederland.

Aan het hof werd onder andere de vraag voorgelegd of de situatie vergelijkbaar is met een Nederlandse grensarbeider die zijn bedrijfspensioen in België opbouwt tijdens zijn tewerkstelling in België, waarvoor wel een fiscale faciliteit is toegestaan op basis waarvan de aanspraak niet tot het loon wordt gerekend. Het hof geeft belanghebbende gelijk op grond van het gelijkheidsbeginsel, zodat hij ook na 1 juli 2012 gebruik kan maken van de fiscale faciliteiten. Wij verwijzen naar de mei 2019-editie van deze nieuwsbrief voor een nadere toelichting op deze uitspraak.

Conclusie A-G Niessen

De staatssecretaris is een andere mening toegedaan en gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Hij betoogt dat zich hier geen vergelijkbare situatie voordoet, omdat de werkgever van belanghebbende in Nederland is gevestigd, terwijl in het als vergelijking genoemde geval de werkgever in België was gevestigd. De A-G concludeert in het voordeel van de staatssecretaris; het gelijkheidsbeginsel kan ook volgens hem niet worden toegepast.

Verder concludeert A-G Niessen dat de wetgever in de inkomstenbelasting buitenlandse pensioenregelingen onder bepaalde voorwaarden ‘erkent’, ingeval de werkgever niet in Nederland inhoudingsplichtig is. Via deze weg wordt de omkeerregel (aanspraak onbelast, uitkering belast) in de inkomstenbelasting toegepast. Deze erkenning werkt echter niet door in de loonbelasting, waarop het geschil betrekking heeft.

De A-G concludeert dat de stelling van belanghebbende dat het afkoopverbod in strijd zou zijn met het EU-recht, niet opgaat. Aan alle werknemers die bij een Nederlandse werkgever pensioenaanspraken opbouwen worden immers dezelfde eisen gesteld. Het Unierecht heeft niet als doel om de pensioenregelingen in elke lidstaat onder dezelfde arbeids- en fiscaalrechtelijke voorwaarden te laten afsluiten.

Belanghebbende stelt daarnaast dat een dubbele aanwijs- of coulanceperiode moet gelden, vanwege het feit dat andere door Nederland gesloten belastingverdragen deze kennen. De A-G is het hier ook niet mee eens. Belastingverdragen kunnen nu eenmaal uiteenlopende regelingen hebben.

Wij zijn benieuwd naar de uitspraak van de Hoge Raad. Volgt deze het oordeel van het hof of de conclusie van A-G Niessen? Indien de conclusie van A-G Niessen wordt gevolgd, kan belanghebbende de omkeerregel maximaal vijf jaar toepassen en is daarna sprake van een belaste aanspraak.

Esther Schutte en Asmae Bousrou

Naar boven

4. Invoering WVV wijzigt Belgische rechtsfiguren maatschap en feitelijke vereniging

Vanaf 1 mei 2019 is het nieuwe Belgische Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna: WVV) in werking getreden. In het hervormde vennootschapsrecht zijn een aantal vennootschapsvormen verdwenen, waaronder de stille en de tijdelijke handelsvennootschap. Zo blijven enkel nog de maatschap en de feitelijke vereniging over als vennootschapsvorm zonder rechtspersoonlijkheid. De Belgische btw-administratie heeft recent een aanschrijving (2020/C/17 van 22 januari 2020) gepubliceerd over de btw-behandeling van deze twee vennootschapsvormen.

De maatschap

De maatschap is een vennootschap met een burgerlijk of een handelsdoel die geen rechtspersoonlijkheid bezit. Het is een overeenkomst waarbij twee of meer personen zich verbinden om hun inbrengen in gemeenschap te brengen, met het oogmerk het rechtstreekse of onrechtstreekse vermogensvoordeel dat daaruit kan ontstaan, met elkaar te delen. Zij wordt in het gemeenschappelijk belang van de partijen aangegaan.

Stille maatschap

Overeenkomstig aanschrijving nr. 17 van 22 januari 1971 kwalificeerde de stille handelsvennootschap voor btw-doeleinden als een niet-belastingplichtige.

De stille handelsvennootschap was niet naar buiten toe gekend, en de actieve vennoot werd op basis van de commissionairsfictie geacht zelf alle uitgaande handelingen aan derden – die hij voor rekening van de stille handelsvennootschap stelde – te hebben verricht, en alle inkomende handelingen verricht door derde leveranciers zelf te hebben ontvangen. De inbrengen van de andere stille vennoten moesten gefactureerd met btw, tenzij deze inbrengen vrijgesteld waren of uit geld bestonden.

Overeenkomstig de nieuwe aanschrijving nr. 2020/C/17 is de maatschap stil wanneer overeengekomen wordt dat zij bestuurd wordt door een of meer zaakvoerders, al dan niet vennoten, die handelen in eigen naam. De stille maatschap zelf wordt aangemerkt als een niet-belastingplichtige. De vraag stelt zich evenwel of, bij gebrek aan verdere verduidelijking in de circulaire, de btw-behandeling van de stille handelsvennootschap zoals hierboven omschreven van toepassing blijft op de stille maatschap.

Tijdelijke maatschap

In tegenstelling tot de stille handelsvennootschap was de tijdelijke handelsvennootschap wel bekend ten aanzien van derden. Volgens de oude aanschrijving werd de tijdelijke handelsvennootschap niet als een belastingplichtige aangemerkt, maar de vennoten hadden wel de optie om de vennootschap als een belastingplichtige te laten aanmerken, mits een aantal voorwaarden werden vervuld.

In de nieuwe aanschrijving komt de tijdelijke maatschap niet meer afzonderlijk aan bod. Dit wijst erop dat alle maatschappen die niet als stille maatschap kwalificeren aan dezelfde btw-regels zijn onderworpen. Overeenkomstig de nieuwe aanschrijving kwalificeert een maatschap die niet als een stille maatschap wordt aangemerkt en die geen rechtspersoonlijkheid bezit, voortaan als een btw-belastingplichtige “voor zover zij voldoet aan de andere in dat artikel opgenomen voorwaarden”. Van een keuzerecht is dus niet langer sprake.

Voor de gewone 'maatschap' en de 'tijdelijke maatschap' geeft de nieuwe aanschrijving evenwel niet expliciet weer wat de gevolgen zijn inzake de btw-verplichtingen en stelt zich dus ook hier de vraag of de vroegere btw-behandeling van de tijdelijke handelsvennootschap met afzonderlijk btw-identificatienummer van toepassing blijft op de gewone 'maatschap' en de 'tijdelijke maatschap', en de vennoten dus hun inbrengen moeten factureren aan de maatschap (tenzij deze inbrengen vrijgesteld zijn van btw of uit geld bestaan).

Maatschap met rechtspersoonlijkheid

De vennoten kunnen er ook voor opteren om een maatschap op te richten met rechtspersoonlijkheid (vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap). Deze maatschappen worden door de nieuwe aanschrijving steeds aangemerkt als belastingplichtige “voor zover zij voldoet aan de andere in dat artikel opgenomen voorwaarden”. In dit geval zal de vennootschap de handelingen zelf verrichten. De inbrengen van de vennoten zullen dan aan de vennootschap moeten worden gefactureerd (tenzij de inbreng is vrijgesteld van btw of uit geld bestaat).

De feitelijke vereniging

Als laatste bevat de circulaire een luik over de feitelijke vereniging. Deze streeft een belangeloos doel na en mag rechtstreeks nog onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig ander persoon, behalve door het statutair bepaalde belangeloos doel.

Hoewel de feitelijke vereniging geen rechtspersoonlijkheid bezit, had zij onder de oude regeling de optie om zich te registeren voor btw-doeleinden. De nieuwe aanschrijving bepaalt nu dat de feitelijke vereniging altijd wordt aangemerkt als een btw-belastingplichtige “voor zover zij voldoet aan de andere in dat artikel opgenomen voorwaarden”.

Vragen onbeantwoord

De nieuwe aanschrijving geeft slechts een zeer beperkte toelichting op een aantal vlakken, onder andere wat betreft de btw-behandeling van de stille maatschap en de gewone maatschap (met inbegrip van de tijdelijke maatschap) zonder rechtspersoonlijkheid.

Zo verduidelijkt zij tevens nergens wat men bedoelt met de toevoeging “voor zover zij voldoet aan de andere in dat artikel opgenomen voorwaarden” bij de bepaling rond ‘belastingplichtige in de zin van artikel 4, §1 WBTW’. Allicht vereist men dat de maatschap of vereniging ook effectief een economische activiteit moet hebben (i.e. bijvoorbeeld niet louter passief participaties mag aanhouden) vooraleer zij als belastingplichtige kan worden aangemerkt.

Ook over de inwerkingtreding en mogelijke overgangsregels voor de voorheen bestaande samenwerkingsvormen geeft de aanschrijving geen details.

Thomas Hermie en Kelly De Jonge

Naar boven

5. Het buitenlandse avontuur van de Belgische beurstaks: toetsing aan de Europese vrijheden

Het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) heeft in zijn arrest van 30 januari 2020 geoordeeld dat de Belgische beurstaks voor verrichtingen via een buitenlandse tussenpersoon verenigbaar is met het Europees recht. Dit betekent echter nog niet dat daarmee het verhaal ten einde is, aangezien ook het Belgisch Grondwettelijk Hof nog zijn oordeel moet vellen.

Achtergrond

Tot eind 2016 reikte de Belgische beurstaks niet verder dan de Belgische landsgrenzen. Enkel transacties die in België werden uitgevoerd via een in België gevestigde tussenpersoon (bijvoorbeeld een bank), waren onderworpen aan de taks. Vanaf 1 januari 2017 werd het toepassingsgebied van de beurstaks echter aanzienlijk uitgebreid tot transacties die rechtstreeks of onrechtstreeks voor rekening van Belgische fiscale residenten (zowel natuurlijke personen als vennootschappen) werden uitgevoerd via een buitenlandse tussenpersoon of een buitenlands (internet)handelsplatform.

Kort na deze uitbreiding van het toepassingsgebied werden er bij het Belgische Grondwettelijk Hof meerdere beroepen tot nietigverklaring ingesteld, omwille van een mogelijke schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en Europese verdragsvrijheden (vrijheid van dienstverlening en vrijheid van kapitaalverkeer). Meer concreet, voor verrichtingen via het buitenland moet de belegger – in tegenstelling tot verrichtingen via een Belgische tussenpersoon – de complexe aangifte en betalingsformaliteiten in principe zelf voldoen, onder dreiging van aanzienlijke boetes. Daarom zou het voor een Belgisch fiscaal inwoner relatief duurder en administratief zwaarder zijn om te investeren via een buitenlandse tussenpersoon.

Alvorens zelf uitspraak te doen, heeft het Belgische Grondwettelijk Hof enkele prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ, resulterend in het arrest van 30 januari 2020.

Beslissing van het HvJ

Volgens het HvJ leidt de Belgische fiscale wetgeving inderdaad tot een verschil in behandeling, waarbij een Belgische rijksinwoner mogelijks ontmoedigd wordt om gebruik te maken van (de diensten van) een buitenlandse tussenpersoon. Als een transactie uitgevoerd wordt via een buitenlandse tussenpersoon, is de ordergever zelf schuldenaar van de taks, waardoor hij in principe zelf alle beurstaksgerelateerde verplichtingen moet nakomen. Daardoor is het voor een niet-Belgische dienstverrichter (bijvoorbeeld een bank) moeilijker om zijn diensten aan te bieden aan Belgische inwoners.

Het HvJ acht deze beperking op het vrij verkeer van diensten echter gerechtvaardigd om dwingende redenen van algemeen belang, namelijk het waarborgen van een doeltreffende inning van de taks, effectieve fiscale controle en het voorkomen van ontwijking van beurstaks. Het Hof stelt dat de Belgische regels evenredig zijn en niet verder gaan dan noodzakelijk. Zo heeft een buitenlandse tussenpersoon in principe steeds de mogelijkheid om een in België gevestigde fiscaal aansprakelijke vertegenwoordiger aan te stellen die, net zoals een Belgische tussenpersoon, dan alle beurstaksformaliteiten kan vervullen.

Implicaties

Volgens het HvJ is de toepassing van de beurstaks voor verrichtingen via het buitenland dus verenigbaar met de Europese vrijheden van dienstverlening en kapitaal. Dit arrest heeft, met andere woorden, geen directe gevolgen. De beurstaks moet bijgevolg nog steeds worden aangegeven en betaald.

Dit is echter nog niet het einde van het verhaal. De bal wordt nu teruggekaatst naar het Belgische Grondwettelijk Hof, dat zich nu ook nog moet uitspreken over de zaak en onder meer moet beoordelen of de regeling tevens verenigbaar is met het Belgische grondwettelijke gelijkheidsbeginsel. Wordt vervolgd.

Kevin Hellinckx en Tom Ieven

Naar boven

6. OESO presenteert Final Guidance on Financial Transactions

Op 11 februari 2020 heeft de OESO de definitieve richtlijnen inzake de transferpricingaspecten van financiële transacties gepubliceerd. Deze zijn het resultaat van de discussietekst die op 3 juli 2018 is gepubliceerd, samen met alle input die vervolgens tijdens de openbare raadpleging is gegeven. Nooit eerder heeft de OESO definitieve richtlijnen voor transferpricingaspecten van financiële transacties opgesteld. Deze definitieve richtlijnen worden nu ook opgenomen als hoofdstuk X van de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen en gaan in op uiteenlopende onderwerpen, zoals transferpricingaspecten van leningen, garanties, derivaten, cashpools en interne verzekeraars. Er is in principe geen drempel voor de toepassing van deze nieuwe richtlijnen, zodat alle ondernemingen die financiële transacties tussen gelieerde partijen aangaan of zijn gegaan erdoor worden getroffen.

Inhoudelijke aspecten definitieve richtlijnen

Het nieuwe hoofdstuk richt zich op een breed scala aan financiële transacties en bijkomende aspecten. In overeenstemming met de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen wordt in het nieuwe hoofdstuk veel nadruk gelegd op de karakterisering van financiële transacties, waarbij de economische realiteit leidend is. Hierbij is een functionele en risicoanalyse cruciaal om te bepalen welke partijen belangrijke functies uitoefenen, waar de risico’s liggen en wie deze risico’s beheert en ook financieel kan dragen.

Een dergelijke analyse dient altijd te worden beoordeeld vanuit een tweezijdig perspectief. Dit houdt in dat het perspectief van de geldverstrekker en de inlener beide relevant zijn. Onder andere moet voor beide partijen worden onderzocht of er andere opties beschikbaar zijn indien de interne financiële transactie niet tot stand zou zijn gekomen. Ook de economische realiteit van de voorwaarden moet vanuit een tweezijdig perspectief in de analyse worden meegenomen. Op basis van deze analyse kan vervolgens aan alle betrokken partijen een vergoeding worden toegekend die correspondeert met de gelopen risico’s. De nieuwe richtlijnen beschrijven ook dat indien de gelopen risico’s beperkt zijn, een dergelijke vergoeding gekwantificeerd kan worden aan de hand van een risicovrij rendement en een eventuele risicopremie.

Het nieuwe hoofdstuk bevat verder richtlijnen over de kapitaalstructuur van een onderneming (schuld/eigenvermogenverhouding). In bepaalde situaties kan het volgens de richtlijnen nodig zijn om interne schuldinstrumenten te herkwalificeren tot eigen vermogen. Daarnaast geeft het nieuwe hoofdstuk richtlijnen over het vaststellen van creditratings binnen de groep en de invloed hiervan op interne verrekenprijzen. Andere belangrijke onderwerpen die aan bod komen zijn hoe in concernverband moet worden omgegaan met financiële (impliciete en expliciete) garanties, cash pooling, hedging en verzekeringsactiviteiten.

Belang definitieve richtlijnen

Voorafgaand aan deze publicatie waren er op internationaal niveau nog geen algemeen erkende richtlijnen omtrent de transferpricingaspecten van financiële transacties. Enkele landen, waaronder Nederland, voorzagen wel al in enig beleid op dit gebied. Deze internationale richtlijnen zijn van belang om te voorkomen dat lokale belastingautoriteiten verschillende benaderingen hanteren als het gaat om de zakelijkheid van gelieerde financiële transacties en de toepassing van interne verrekenprijzen op deze transacties.

Het is dan ook een belangrijke ontwikkeling dat de OESO dit rapport opneemt in de richtlijnen voor verrekenprijzen. Deze richtlijnen worden beschouwd als een (bindende) leidraad voor de uitleg van het ‘arm’s-lengthbeginsel’ dat veel landen toepassen, ook in relatie tot belastingverdragen.

Belangrijke actiepunten

Naar aanleiding van de nieuwe richtlijnen verwachten wij meer discussies met autoriteiten en adviseren wij bedrijven om de volgende actiepunten te ondernemen:

  • Voer een grondige functionele en risicoanalyse uit op de financiële transacties binnen de groep. Uit een dergelijke analyse zal blijken welke entiteiten functies uitvoeren en risico’s beheren ten aanzien van deze financiële transacties.
  • Zorg dat interne financiële transacties zijn vastgelegd in contracten. De contractuele voorwaarden die worden opgenomen moeten in overeenstemming zijn met de economische werkelijkheid van de verbonden partijen en de onderliggende transactie.
  • Controleer en update de verrekenprijsdocumentatie om ervoor te zorgen dat bovenstaande aspecten goed zijn omschreven, de prijszetting goed is bepaald en onderbouwd en deze voldoen aan de nieuwe richtlijnen.

Janneke Versantvoort en Melvin Roufs

Naar boven

7. Invoering Nederlandse registratieplicht WagwEU met ingang van 1 maart 2020

In de februari 2019-editie van deze nieuwsbrief berichtten wij u over de registratieplicht op basis van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europe Unie (hierna: WagwEU). Deze registratieplicht werd eerder uitgesteld, maar is per 1 maart 2020 van toepassing.

Meldplicht op grond van de WagwEU

De WagwEU vloeit voort uit de Europese Handhavingsrichtlijn (2014/67/EU). Deze richtlijn heeft als doel instrumenten te geven voor betere handhaving van de Detacheringsrichtlijn. Hoewel de WagwEU al in 2016 in werking is getreden, geldt de meldplicht op basis van deze wet pas sinds 1 maart 2020.

De WagwEU is van toepassing voor buitenlandse werknemers die tijdelijk in Nederland arbeid verrichten. Dergelijke werknemers moeten door de dienstverrichter (uitzendende werkgever) voor de aanvang van de werkzaamheden worden aangemeld in Nederland. Tevens moet de dienstontvanger (het Nederlandse bedrijf) controleren of de gedetacheerde werknemers zijn aangemeld. Het gaat hier om uitzendingen binnen concernverband, om werknemers die tijdelijk ter beschikking worden gesteld aan een derde partij in Nederland en om werknemers die tijdelijk werkzaamheden verrichten in Nederland in verband met de uitvoering van een opdracht. De meldplicht geldt onder voorwaarden ook voor zelfstandigen.

De normboete voor het niet nakomen van de verplichtingen door de dienstontvanger (het Nederlandse bedrijf) bedraagt € 1.500 per overtreding. Het normbedrag voor de boete bij het niet nakomen van de registratieverplichtingen door de buitenlandse werkgever bedraagt € 1.500 tot € 4.500 per overtreding, waarbij de hoogte van de boete afhankelijk is van het aantal gedetacheerde werknemers. Zo geldt bij een werkgever met tien gedetacheerde werknemers bij overtreding een normboete van € 3.000 per werknemer, in totaal dus € 30.000. Daarbij gelden boetematigende en boeteverhogende omstandigheden (zoals recidive).

Uitzonderingen

Er zijn in een besluit uitzonderingen gemaakt voor situaties waarin geen sprake is van een registratieplicht. Dit ziet vooral op situaties met incidentele arbeid. Buitenlandse dienstverrichters en Nederlandse dienstontvangers doen er goed aan steeds na te gaan of een vrijstelling van toepassing is.

Naast de registratieplicht brengt de WagwEU ook andere verplichtingen met zich mee. De werkgever moet gedurende de detachering diverse documenten beschikbaar hebben op de werkplek, op verzoek inlichten verstrekken en een contactpersoon voor communicatie met de overheid aanstellen. Omdat het niet-naleven van deze verplichtingen tevens beboetbaar is, adviseren wij deze ook in acht te nemen.

Heleen Snieders

Naar boven

© 2020 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.