Belgium-Holland Desk Newsletter | Mei 2020

28 mei 2020
vlag belgie, vlag nederland

Inhoud

1. Nederlandse coronamaatregelen – NOW-regeling (Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid)

In de vorige editie van deze nieuwsbrief verwezen wij reeds naar de maatregelen die Nederland en België introduceerden in het kader van de corona/COVID-19-crisis. Omdat de ontwikkelingen en maatregelen elkaar onverminderd in hoog tempo opvolgen, verwijzen wij daarom opnieuw naar de laatste berichtgeving op de webpagina’s van Meijburg & Co, KPMG België en KPMG Global.

De op 31 maart 2020 gepresenteerde Nederlandse NOW-regeling (Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid) voor de periode maart‑mei 2020 (hierna: de NOW 1.0) is inmiddels op 4 april, 5 mei en 20 mei 2020 gewijzigd. Daarnaast zijn op 20 mei 2020 de contouren van de regeling voor de periode juni‑augustus 2020 (hierna: de NOW 2.0) gepresenteerd. Wij verwijzen naar onze berichtgeving hierover en beperken ons hierna tot de belangrijke uitbreiding van de NOW 1.0 vanaf 5 mei 2020 en de hoofdlijnen van de NOW 2.0.

Uitbreiding NOW 1.0

De NOW 1.0 is een subsidie op basis waarvan een werkgever die vanwege buitengewone omstandigheden, zoals de coronacrisis, wordt geconfronteerd met een omzetdaling van ten minste 20% een tegemoetkoming in de loonkosten voor de periode maart‑mei 2020 kan ontvangen. De hoogte van de NOW-subsidie is gerelateerd aan het omzetverlies van de werkgever of de groep waartoe deze behoort (gedurende een periode van drie maanden vanaf 1 maart, 1 april of 1 mei 2020) en bedraagt maximaal 90% van de loonsom van de werkgever. De regeling staat open voor Nederlandse werkgevers die onderdeel zijn van een Belgische groep, maar ook voor Belgische werkgevers die een of meerdere werknemers in dienst hebben die in Nederland sociaal verzekerd zijn.

De uitbreiding van de NOW 1.0 betreft alleen werkgevers die onderdeel zijn van een groep die wordt geconfronteerd met een omzetdaling die minder dan 20% bedraagt. Indien de omzetdaling van een dergelijke werkgever (standalone) ten minste 20% bedraagt, kan deze werkgever onder nadere voorwaarden ook aanspraak maken op de NOW-subsidie. Deze nadere voorwaarden betreffen onder meer:

  • De bedrijfsmatige activiteiten van de werkgever bestaan voor niet meer dan de helft uit het binnen de groep ter beschikking stellen van arbeidskrachten (geen personeelsvennootschap).
  • Het concern verklaart voor indiening van de NOW-aanvraag over het jaar 2020 geen dividenden en bonussen uit te keren.
  • De werkgever bereikt voor indiening van de NOW-aanvraag overeenstemming met de werknemersvertegenwoordiging over werkbehoud.

Op deze en de overige nadere voorwaarden van deze uitbreiding van de regeling gaan wij hier nader in. De per 20 mei 2020 aangekondigde wijzigingen van de regeling betreffen onder meer de uitkering van incidentele beloningen in januari 2020, de problematiek van seizoensbedrijven, startende ondernemingen en ondernemingen die overnames hebben gedaan. In deze berichtgeving gaan wij hier nader op in.

Omdat aanvragen voor toepassing van de NOW 1.0 uiterlijk op 5 juni 2020 moeten worden ingediend, moet in voorkomende gevallen spoedig worden gehandeld.

NOW 2.0

De NOW 2.0 betreft een verlenging van de NOW-regeling voor de periode juni-augustus 2020. Uit de op 20 mei 2020 gepubliceerde brief volgt dat deze regeling op hoofdlijnen overeenkomt met de NOW 1.0, waarbij:

  • vaker een verbod op het uitkeren van dividenden en bonussen over het jaar 2020 zal gelden;
  • voor werkgevers een inspanningsverplichting zal gelden om werknemers te stimuleren aan om- en bijscholing te doen;
  • de meer dan evenredige vermindering van de NOW-subsidie bij ontslag vanwege bedrijfseconomische redenen wordt gematigd om het werkgevers (beter) mogelijk te maken een noodzakelijke herstructurering uit te voeren.

De NOW 2.0 zal naar verwachting kunnen worden aangevraagd vanaf 6 juli 2020 tot en met 31 augustus 2020. Hoewel de brief reeds een aardig beeld geeft van de NOW 2.0, wachten wij de publicatie van de nieuwe regeling met grote belangstelling af.

Wij volgen de ontwikkelingen en houden u op de hoogte.

Ruud Hoevenaar en Mark Foesenek

Naar boven

2. Nederlandse coronamaatregelen – fiscale coronareserve

Indien een onderneming in 2020 een fiscaal verlies rapporteert, is dit verlies in beginsel verrekenbaar met fiscale winsten van het voorgaande boekjaar (één jaar carry-back) en de zes volgende boekjaren (zes jaar carry-forward).

(Voorlopige) verrekening van een fiscaal verlies 2020 met de fiscale winst van het boekjaar 2019 vindt echter pas plaats na indiening van de aangifte vennootschapsbelasting 2020. Om vennootschapsbelastingplichtigen in de huidige crisis tegemoet te komen keurt de Nederlandse wetgever goed dat reeds in 2019 een fiscale ‘coronareserve’ wordt gevormd. Deze coronareserve kan worden gevormd voor het gehele of gedeeltelijke verwachte ‘coronagerelateerde verlies’ in 2020. De reserve kan ook worden gevormd door een Belgische vennootschap met een vaste inrichting in Nederland.

Rekening houdend met de coronareserve kunt u mogelijk direct verzoeken om verlaging van de opgelegde (voorlopige) aanslagen vennootschapsbelasting 2019. Dit resulteert meteen in een teruggave vennootschapsbelasting 2019 en dus in de beschikbaarheid van liquiditeit.

Voorwaarden

Ten aanzien van de fiscale coronareserve geldt onder meer dat deze:

  • niet groter is dan het totale verwachte fiscale verlies 2020 van de belastingplichtige (inclusief niet-coronagerelateerde resultaten);
  • niet groter is dan de fiscale winst 2019 van de belastingplichtige zonder de vorming van deze reserve;
  • in het boekjaar 2020 vrijvalt ten gunste van de fiscale winst (waarbij dezelfde bepalingen van toepassing zijn).

De Nederlandse wetgever geeft aan dat fraude, misbruik en evident oneigenlijk gebruik van de coronareserve bij het aantreffen daarvan zo veel mogelijk zullen worden bestreden. Hoe moet worden vastgesteld of sprake is van een verwacht coronagerelateerd verlies is vooralsnog niet geheel duidelijk. Desalniettemin is dit een welkome tegemoetkoming die veel belastingplichtigen de mogelijkheid biedt direct liquiditeit beschikbaar te maken. Wij vertellen er u graag meer over.

Ruud Hoevenaar en Mark Foesenek

Naar boven

3. Nederlandse coronamaatregelen – gebruikelijk loon

In het kader van de corona/COVID-19-crisis biedt de Nederlandse wetgever eveneens een tegemoetkoming ten aanzien van het gebruikelijk loon van de directeur-grootaandeelhouder (dga).

Gebruikelijkloonregeling in het kort

De Nederlandse wetgeving vereist dat dga’s een minimaal gebruikelijk loon genieten. Indien een lager loon wordt genoten, wordt voor de Nederlandse belastingheffing een fictief loon in aanmerking genomen. Voor inwoners van België geldt deze regeling indien een natuurlijk persoon een aanmerkelijk belang (doorgaans 5% of meer van een soort aandelen) houdt in een in Nederland gevestigde vennootschap.

Indien de gebruikelijkloonregeling van toepassing is, wordt het loon van de betreffende persoon gesteld op het hoogste van de volgende drie bedragen:

  • € 46.000;
  • 75% van het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • het loon van de meestverdienende werknemer van de vennootschap (en met de vennootschap verbonden lichamen).

Indien parttime (in Nederland) wordt gewerkt, kan het standpunt worden ingenomen dat het gebruikelijk loon evenredig lager is.

Coronamaatregel

De tegemoetkoming in het kader van de corona/COVID-19-crisis betreft een goedkeuring dat het gebruikelijk loon over 2020 lager mag worden vastgesteld als er door de crisis sprake is van een omzetdaling. Het gebruikelijk loon voor 2020 mag dan – zonder afstemming met de Belastingdienst – worden gesteld op het bedrag van het gebruikelijk loon voor 2019 vermenigvuldigd met de breuk: omzet eerste vier maanden van 2020 / omzet eerste vier maanden van 2019.

Op basis van de goedkeuring wordt het gebruikelijk loon verlaagd naar rato van de omzetdaling van de vennootschap. Indien de dga feitelijk meer loon heeft genoten dan het minimum op basis van bovenstaande berekening, geldt dat hogere loon.

Voor toepassing van deze goedkeuring geldt als voorwaarde dat de rekening-courantschuld of het dividend niet toeneemt als gevolg van het lagere gebruikelijk loon. De goedkeuring geldt niet voor zover de omzet in het jaar 2019 of 2020 is beïnvloed door andere bijzondere oorzaken, zoals oprichting, staking, fusie, splitsing en bijzondere resultaten. Overigens kan aanpassing van het loon van de dga gevolgen hebben voor toepassing van andere (crisis)maatregelen, zoals de elders in deze nieuwsbrief besproken NOW-regeling. Indien gewenst, bespreken wij graag met u de mogelijkheden.

Ruud Hoevenaar en Mark Foesenek

Naar boven

4. Overeenkomst België en Nederland inzake thuiswerkdagen grensarbeiders door de coronacrisis

Op 30 april 2020 sloten de Nederlandse en de Belgische autoriteiten een overeenkomst ter verduidelijking van de fiscale situatie van grensarbeiders die door de COVID-19-pandemie thuiswerken of thuis moeten blijven met behoud van loon.

‘Grensarbeiders’ verwijst hier niet zozeer naar personen die in de grensstreek wonen en werken, maar dient ruimer te worden bekeken en omvat alle werknemers die in één land wonen en (deeltijds) in het andere land werkzaam zijn.

Overeenkomstig artikel 15 van het belastingverdrag tussen België en Nederland worden bezoldigingen in beginsel belast in het land waar de activiteiten verricht worden. Zonder afwijkende bepalingen zou dit betekenen dat grensarbeiders die tijdens de COVID-19-pandemie noodgedwongen van thuis moeten werken plots belast zouden worden in het land waar ze wonen, in plaats van in het land waar ze (doorgaans) werken.

Fictie met betrekking tot thuiswerkdagen

Om te vermijden dat grensarbeiders negatieve fiscale gevolgen ondervinden ten gevolge van de COVID-19-pandemie werd overeengekomen dat thuiswerkdagen geacht worden te zijn doorgebracht in het land waar de grensarbeider normaliter gewerkt zou hebben.

Het gaat enkel om dagen waarbij van thuis gewerkt wordt omwille van maatregelen die door de Nederlandse of Belgische regering getroffen werden om de COVID-19-pandemie te bestrijden. De fictie kan niet worden toegepast op werkdagen die de grensarbeider in normale omstandigheden, los van de maatregelen rond COVID-19, thuiswerkend of in een derde land zou hebben doorgebracht.

Grensarbeiders die gebruik wensen te maken van deze fictie zullen dit op een consistente wijze in de beide landen moeten doen. De fictie kan slechts worden toegepast voor zover de bezoldigingen in de werkstaat ook daadwerkelijk belast worden. Dit betekent dat de inkomsten in de werkstaat moeten zijn opgenomen in de grondslag om de belastingen te berekenen.

De grensarbeider zal tevens de nodige gegevens moeten bijhouden. In de voornoemde overeenkomst tussen België en Nederland wordt in dit verband als voorbeeld een schriftelijke bevestiging van de werkgever gegeven als mogelijk bewijs.

De fictie is van toepassing voor thuiswerkdagen tussen 11 maart 2020 tot 31 mei 2020 maar kan, mits beide landen dit schriftelijk overeenkomen, meermaals verlengd worden tot het eind van de volgende kalendermaand.

Thuisblijven zonder te werken met doorbetaling van loon

Wanneer een werknemer een of meerdere werkdagen thuis blijft zonder te werken maar toch een loon ontvangt, dient het loon over deze dagen volgens hetzelfde werkpatroon (verhouding van het aantal dagen in de werkstaat/totaal aantal werkdagen) over de landen verdeeld te worden als wanneer de werknemer gewoon gewerkt zou hebben. Dit geldt ook indien de doorbetaling van loon eventueel ondersteund wordt door de Nederlandse NOW-regeling (zie betreffende paragraaf in deze nieuwsbrief).

Tijdelijke werkloosheidsuitkering

Inwoners van Nederland die werkzaam zijn in België kunnen onder bepaalde voorwaarden recht hebben op een tijdelijke, aan COVID-19 verbonden werkloosheidsuitkering. Deze uitkering is belastbaar in het land waar de bezoldigingen mogen worden belast. Om na te gaan waar de bezoldigingen belast mogen worden, dient gekeken te worden naar het gebruikelijke werkpatroon voor de uitbraak van de COVID-19-pandemie.

Esther Schutte en Carolien Van Echelpoel 

Naar boven

5. Interestlasten lening voor kapitaalvermindering: in België aftrekbaar?

Het Belgische Hof van Cassatie heeft (in zijn arrest van 19 maart 2020) opnieuw uitspraak gedaan over de aftrekbaarheid van interestlasten die voortvloeien uit externe financiering, aangegaan om kapitaalverminderingen of dividenduitkeringen door te voeren. Het arrest brengt nieuwe inzichten, maar het welles-nietesspelletje tussen de belastingplichtige en Belgische belastingadministratie blijft onverminderd voortduren. Eén gegeven blijkt alvast overduidelijk uit het arrest: een belangrijke rol is weggelegd voor het aangeleverde bewijs.

Achtergrond

Vele ondernemingen zijn op papier in staat om kapitaalverminderingen of dividenduitkeringen te realiseren. Echter betekent dit niet steeds dat de nodige liquide middelen ook effectief beschikbaar zijn. Deze middelen zitten vaak vast in beleggingen of activa, waardoor deze niet zomaar kunnen worden gebruikt om de aandeelhouders uit te betalen. Daardoor overwegen vele vennootschappen om hiervoor extern te lenen.

De vraag rijst dan of de interestkosten die gepaard gaan met deze externe financiering beschouwd kunnen worden als aftrekbare beroepskosten. Er is immers geen wettelijke bepaling die voorziet in de principiële aanvaarding van de aftrek van de interestlasten van leningen aangegaan om kapitaalverminderingen of dividenduitkeringen door te voeren.

Het zwaartepunt van deze vraag ligt bij art. 49 van het Wetboek Inkomstenbelastingen (hierna: WIB). Art. 49 WIB omvat drie voorwaarden: de annualiteitsvoorwaarde, de realiteitsvoorwaarde en de finaliteitsvoorwaarde. De finaliteitsvoorwaarde houdt in dat uitgaven fiscaal slechts aftrekbaar zijn wanneer ze zijn gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. De belastingadministratie is van mening dat niet wordt voldaan aan die voorwaarde indien de uitgaven worden aangegaan om een kapitaalvermindering of dividenduitkering door te voeren. Hierdoor neemt ze al geruime tijd de stelling in dat de interestlasten die voortkomen uit dergelijke externe financieringen met het oog op kapitaalverminderingen of dividenduitkeringen niet kwalificeren als een aftrekbare beroepskost.

Waar het voor de fiscus een alles-of-nietsverhaal blijkt te zijn, gaf het Hof Van Beroep te Antwerpen (in zijn arrest van 8 mei 2018) aan dat het niet zwart-wit is. Het was van oordeel dat interesten ingevolge een lening ter financiering van een kapitaalvermindering/dividenduitkering wel als beroepskosten kunnen worden beschouwd, mits voldoende bewijs door de belastingplichtige wordt aangevoerd omtrent de motivering van deze financieringen. Volgens het hof moest de vennootschap haar 'werkelijke intentie' voor het aangaan van de lening kunnen aantonen. Dat had de vennootschap naar de mening van het Hof niet voldoende gedaan. 

Het Hof van Cassatie gaat met dit arrest verder in op het belang en de overtuigingskracht van het aangeleverde bewijs. Het arrest genoot dan ook grote belangstelling in de fiscale wereld, aangezien de praktijk gehoopt had dat bij dezen de fiscale knoop eindelijk zou worden doorgehakt. Het arrest loste echter slechts deels zijn verwachtingen in, waardoor de praktijk nog steeds met veel vragen achterblijft.

Wat moet men bewijzen?

De belastingplichtige moet bewijzen dat de betwiste rentelasten zijn gemaakt om belastbare inkomsten te verwerven of te behouden. Een vennootschap die een lening aangaat voor de financiering van de betalingen die voortvloeien uit een beslissing tot kapitaalvermindering of dividenduitkering kan de aan die lening verbonden interestlasten als beroepskost aftrekken met toepassing van art. 49 WIB92 indien zij aantoont dat de interestlasten, en dus niet de kapitaalvermindering of dividenduitkering zelf, voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van art. 49 WIB92.

Dit stelt de belastingadministratie in een zeer comfortabele uitgangspositie. Verder bevestigde het Hof van Cassatie dat het louter aanhalen dat de onderneming te weinig liquide middelen bezit om de dividenduitkering/kapitaalvermindering door te voeren, niet volstaat.

De resterende vraag blijft hoe men voldoende aan kan tonen dat deze door de fiscus gewantrouwde financieringsoperatie werd doorgevoerd om inkomsten te verkrijgen of te behouden. Op die vraag is tot op heden nog geen expliciet antwoord gekomen. Uit het arrest lijkt men af te kunnen leiden dat de vennootschap zal moeten kunnen aantonen dat zij zonder deze externe financiering (deels) haar activa die gebruikt worden voor de winstgenererende activiteiten, zou hebben moeten realiseren om het gebrek aan liquide middelen op te lossen.  

Hoe kan men dit bewijs leveren?

Het aanleveren van de jaarrekening zelf of een verwijzing naar de jaarrekening, die zelfs aan de aangifte dient te worden toegevoegd, zal onvoldoende zijn. Hierover werd immers door het Hof gesteld dat er “(...) geen stukken [werden geleverd] waaruit blijkt dat de lening werkelijk werd aangegaan met het oog op het verkrijgen of het behoud van haar actiefbestanddelen en dat dienvolgens de intrestlasten werden gedaan of gedragen met het oog op het verkrijgen of het behoud van belastbare inkomsten uit deze activa”.

Aangezien een verwijzing naar de balans in de jaarrekening niet volstaat, zal men dus voorafgaand aan de verrichting voldoende uitgebreide documenten moeten opstellen waarin opgenomen wordt welke overwegingen geleid hebben tot het aangaan van de externe financiering. Hieruit moet duidelijk blijken dat de lening werd aangegaan om te vermijden dat winstgevende activa moeten worden gerealiseerd voor het bereiken van het beoogde doel (zijnde de voltooiing van de dividenduitkering of kapitaalvermindering). Daarenboven dient bijzondere aandacht te worden besteed aan (het gebrek aan) vlottende activa, die zoals het woord het zegt ‘vlotter’ te realiseren zijn. Indien deze nog aanwezig zouden zijn en mogelijks gerealiseerd kunnen worden, moet men beargumenteren waarom men de externe financiering verkiest boven de realisatie van deze activa.

Aangezien het arrest geen absolute uitsluiting geeft, blijft er onzekerheid bestaan over de aanvaarding van een dergelijk dossier. De aftrekbaarheid van intrestlasten verbonden aan externe financieringen aangegaan voor de uitvoering van kapitaalverminderingen of dividenduitkeringen, zal blijven afhangen van de feitelijke beoordeling van het dossier. De aanwezige onderbouwing en documentatie zal hiervoor steeds doorslaggevend zijn. Een goede voorbereiding van elk dossier voorafgaandelijk aan het aangaan van de financiering is dan ook belangrijk.

Conclusie

U bent gewaarschuwd: geld lenen kost ook geld. En mogelijks des te meer bij de externe financiering ter uitvoering van een kapitaalvermindering of dividenduitkering.

De fiscus kijkt immers toe hoe u de aftrekbaarheid van uw interestkosten probeert te bewijzen. Hoewel het opstellen van een dossier voorafgaand aan uw financieringsbeslissing een oplossing kan bieden, biedt dit nog geen zekerheid. Indien uw vennootschap dan ook een financiering overweegt ter uitvoering van een kapitaalvermindering of dividenduitkering, lijkt het ons zeker raadzaam vooraf uw fiscale adviseur te raadplegen, zodat mee bekeken kan worden welke documentatie in uw specifieke situatie wenselijk is om discussies zoveel als mogelijk te vermijden. Hoewel in Nederland de hier geschetste discussie doorgaans niet speelt en wordt aanvaard dat interesten van externe financiering die verband houden met een kapitaalvermindering of dividenduitkering kwalificeren als een beroepskost, staat de aftrekbaarheid daarvan overigens ook vaak ter discussie. Bij vragen en/of concrete plannen adviseren wij u steeds vooraf advies in te winnen.

Ilke Vandenbroeck en Jill Peeters

Naar boven

6. Advies ten aanzien van de Nederlandse belastingheffing van multinationals

Op 15 april 2020 is het adviesrapport verschenen van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals (‘de Commissie’). In opdracht van de Nederlandse Tweede Kamer moest de Commissie advies uitbrengen over maatregelen om de belastingheffing over winsten van multinationals eerlijker te maken, waarbij Nederland tegelijkertijd aantrekkelijk blijft voor Nederlandse hoofdkantoren.

Geïdentificeerde knelpunten

De Commissie heeft acht knelpunten geïdentificeerd in het huidige internationale stelsel van belastingheffing over de winst van multinationaal opererende ondernemingen. Deze acht knelpunten vormen de basis waarop de Commissie haar advies heeft gebouwd.

Het advies van de Commissie

Het advies van de Commissie is drieledig. Allereerst adviseert zij om structureel meer gegevens te verzamelen om het inzicht in de belastingafdracht van multinationals te vergroten, zowel internationaal als nationaal. Daarnaast benadrukt de Commissie het belang van Nederland om voorop te lopen in de internationale samenwerking op het gebied van winstbelastingen (zowel binnen de EU als de OESO, met name bij de discussies over Pijler 1 en Pijler 2). Ten derde heeft de Commissie onderzocht welke unilaterale beleidsopties voor Nederland mogelijk zijn. De voorstellen van de Commissie hebben in potentie impact op alle belastingplichtigen, ook degene die niet tot een multinationaal concern behoren.

De Commissie adviseert maatregelen die zijn gericht op het creëren van een ondergrens in de Vpb en het elimineren van verschillen (‘mismatches’) tussen Nederland en andere landen. Hieronder bespreken wij de maatregelen waarover binnen de Commissie consensus bestaat.

  1. Maximering van de jaarlijkse verliesverrekening
    De Commissie stelt voor om de jaarlijkse verliesverrekening (zowel voorwaarts als achterwaarts) te beperken tot ten hoogste 50% van de belastbare winst van het jaar voor alle winst boven de € 1 miljoen, onder gelijktijdige invoering van een in de tijd onbeperkte voorwaartse verliesverrekeningstermijn. In 2019 werd deze voorwaartse verliesverrekeningstermijn nog ingekort van negen naar zes jaar.
     
  2. Beperking aftrek van niet-doorbelaste aandeelhouderskosten tot een maximumpercentage van de belastbare winst
    Bij het begrip ‘aandeelhouderskosten’ moet onder andere worden gedacht aan de door een hoofdkantoor gedragen kosten van het opstellen van de jaarrekening, de uitgifte van aandelen, de activiteiten van de raad van commissarissen en corporate governance.
     
  3. Onderzoeken of de aftrek van royalty’s in groepsrelaties beperkt moet worden tot een maximumpercentage van de belastbare winst
     
  4. Beperking aftrek van het saldo van rente en hoofdkantoorkosten en/of royalty’s tot een gezamenlijk bedrag van (bijvoorbeeld) 50% van een gezamenlijke grondslag (in combinatie met maatregelen 2 en 3)
    Deze maatregel dient als aanvulling op de reeds bestaande ‘earningsstrippingmaatregel’ en zou ervoor zorgen dat altijd een minimumgrondslag overblijft na aftrek van rente, aandeelhouderskosten en/of royalty’s.
     
  5. Het effectiever maken van de bestaande CFC-regels
    De Commissie stelt voor de bestaande Nederlandse CFC-regels ook toe te passen indien voor het jaareinde het besmette inkomen door de CFC als dividend wordt uitgekeerd. Daarnaast adviseert de Commissie ook entiteiten die wezenlijke economische activiteiten verrichten onder de werking van de CFC-regels te brengen. Of een entiteit als CFC kwalificeert, zou gebaseerd moeten worden op het effectieve winstbelastingtarief over het CFC-inkomen en niet langer, zoals thans, op basis van het statutaire tarief.
     
  6. Het niet toepassen van het ‘arm’s-lengthbeginsel’ indien toepassing hiervan leidt tot een verlaging van de belastbare winst in Nederland, voor zover het andere land dat bij de transactie betrokken is de correctie niet in zijn grondslag betrekt
     
  7. Beperking van de afschrijving op vermogensbestanddelen die binnen concern in aftrek zijn overgedragen, voor zover de afschrijving ziet op stille reserves in het vermogensbestanddeel die bij de overdracht niet voldoende belast zijn geweest.

Door de commissie wordt met betrekking tot deze maatregel geadviseerd in overgangsrecht te voorzien, omdat partijen niet op de hoogte konden zijn van een voorgenomen inperking van de afschrijvingsmogelijkheden.

In aanvulling op deze zeven maatregelen stelt de Commissie diverse aanvullende maatregelen en maatregelen ter compensatie voor het vestigingsklimaat ter overweging voor. Omtrent deze voorstellen heeft de Commissie geen volledige consensus bereikt. De compenserende maatregelen betreffen onder meer een verdere verlaging van het reguliere vennootschapsbelastingtarief en een verlaging van het tarief voor de innovatiebox.

En nu?

De Commissie heeft in relatief korte tijd een indrukwekkende en goed onderbouwde studie verricht, die veel interessante informatie en gezichtspunten bevat. Belangrijk is dat de Commissie aantoont dat de ook in de politiek vaak geventileerde opvatting dat multinationals ‘te weinig’ Vpb betalen, in het algemeen onjuist is.

De huidige COVID-19-crisis roept de vraag op of de door de Commissie voorgestelde maatregelen thans in een vruchtbare bodem van de politiek en het bedrijfsleven kunnen vallen. Het is nu aan de politiek, die om het onderzoek heeft gevraagd, om opvolging te geven aan de onderzoeksresultaten en de suggesties die door de Commissie zijn gedaan. Wij volgen de ontwikkelingen en houden u op de hoogte. Onze uitgebreide toelichting op het adviesrapport treft u hier.

Tijs van Ruitenbeek en Martijn Katerberg

Naar boven

7. Aftrek van btw op basis van werkelijk gebruik

Belastingplichtigen die zowel btw-belaste als btw-vrijgestelde prestaties verrichten krijgen doorgaans te maken met een ‘pro-rata-aftrek’. Die houdt in dat de aftrek van btw op gemengde kosten in beginsel wordt vastgesteld op basis van de omzetverhoudingen. Slechts het aandeel van de btw-belaste omzet in de totale omzet geeft een recht op aftrek van btw. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het aftrekrecht op basis van het werkelijk gebruik vast te stellen. Gelet op de strikte uitleg van deze methode in de Nederlandse rechtspraak wordt dit nauwelijks toegepast. Met de uitspraak van Hof Den Bosch op 27 maart 2020 kan hier echter verandering in komen.

Situatieomschrijving van het gewezen arrest

Belanghebbende is een bank die vrijgestelde en btw-belaste prestaties verricht. Alle door de bank gemaakte kosten worden aangemerkt als gemengde kosten. Haar omzet bestond grotendeels uit btw-vrijgestelde interestbaten en btw-belaste provisiebaten. Belanghebbende heeft een bedrijfseconomische analyse gemaakt van de ‘profit and loss’ (‘P&L’) per product. Dit heeft geresulteerd in een toerekening van gemengde kosten van de bank aan de verschillende omzetcategorieën.

Belanghebbende heeft in de btw-aangifte aftrek geclaimd conform de omzet-pro-rata, zonder rekening te houden met specifieke activiteiten. In de kern wil belanghebbende via deze procedure btw-aftrek toepassen conform het werkelijk gebruik.

Uitspraak Hof Den Bosch

Met betrekking tot de toepassing van het werkelijk gebruik start het hof met de vaststelling dat bij het bepalen van het werkelijk gebruik enige marge moet worden gelaten in de nauwkeurigheid en dat een dergelijke bepaling geen exacte wetenschap betreft. Volgens het hof gaat het, conform Europese rechtspraak, niet om het meest nauwkeurige resultaat.

Hof Den Bosch is het vervolgens met belanghebbende eens dat de aftrek conform werkelijk gebruik tot een nauwkeurigere aftrek leidt, mits dat werkelijk gebruik op basis van objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens kan worden bepaald. Het hof ziet daarbij geen aanleiding om de bedrijfseconomische analyse van de profit and loss/P&L per product in twijfel te trekken. De verdeelsleutels op basis van deze analyse worden derhalve gehanteerd voor het vaststellen van het aftrekrecht. Het hof volgt de inspecteur dan ook niet in zijn stelling dat belanghebbende het werkelijk gebruik niet aannemelijk heeft gemaakt.

Impact Nederlandse praktijk

Uit de uitspraak maken wij op dat de lat van objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens lager is dan Nederlandse rechters en de Belastingdienst eerder voor ogen hadden. Deze uitspraak zal daarom voor veel belastingplichtigen welkom zijn en biedt aanleiding voor onder meer financiële, publieke, onderwijs- en zorginstellingen om nader naar hun btw-aftrek op gemengde kosten te kijken. Aangezien tegen deze uitspraak cassatie is ingesteld, is het wachten op het oordeel van de Hoge Raad. Het kan interessant zijn om reeds nader te onderzoeken of er een werkelijkgebruikmethode te onderkennen is die tot een nauwkeurigere bepaling van het aftrekrecht leidt. Deze kan bijvoorbeeld gebaseerd zijn op de reeds binnen de organisatie bestaande costaccountingmethodes.

Vergelijking met België

In België geldt eveneens de ‘pro-rata-aftrek’ (algemeen verhoudingsgetal) als hoofdregel voor de aftrek van voorbelasting. Echter, in België kan men ook verzoeken om aftrek van voorbelasting conform het werkelijk gebruik te hanteren. Daartoe dient een voorafgaand verzoek te worden gericht aan de belastingadministratie, die de toepassing van het werkelijk gebruik moet toelaten. In de praktijk komt het soms ook voor dat de belastingadministratie ambtshalve de methode van het werkelijk gebruik oplegt indien door hen geconstateerd wordt dat de hoofdregel tot onredelijke uitkomsten zou leiden voor de belastingplichtige. Voor bepaalde categorieën van belastingplichtigen wordt de toepassing van het werkelijk gebruik zelfs geëist, terwijl voor anderen de modaliteiten voor de toepassing ervan strikt zijn bepaald door de belastingadministratie. Wij denken hier onder meer aan verzekeringsmaatschappijen, banken en financiële instellingen.

Rianda Zwakhoven, Arthur Eijssen, Camille Corten en Leo van Loo

Naar boven

© 2020 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.