Het Europese Hof van Justitie ('HvJ') heeft op 17 september 2014 uitspraak gedaan in de zaak Skandia America Corporation ('Skandia'). Het HvJ oordeelt dat dienstverlening door een hoofdhuis aan een vaste inrichting die deel uitmaakt van een fiscale eenheid belastbaar is voor de btw. De verschuldigde btw moet worden voldaan door de fiscale eenheid als afnemer van de prestatie. Dit oordeel van het HvJ is niet in overeenstemming met de Nederlandse praktijk. Ook in andere EU-lidstaten kan dit het geval zijn.

Casus

Skandia America Corporation (‘Skandia’) is gevestigd in de Verenigde Staten en beschikt over een vaste inrichting in Zweden. Deze vaste inrichting is onderdeel van een Zweedse fiscale eenheid btw. In de jaren 2007 en 2008 heeft het Amerikaanse hoofdhuis extern aangekochte IT-diensten (met een mark up) aan zijn Zweedse vaste inrichting doorbelast. De Zweedse vaste inrichting bewerkte deze IT en belastte - op haar  beurt - de IT-kosten met een mark up door aan de overige vennootschappen van het concern (zowel binnen als buiten de fiscale eenheid). 

De Zweedse rechter heeft aan het Europese Hof van Justitie (‘HvJ’) de vraag voorgelegd of btw is verschuldigd over de door het hoofdkantoor extern aangekochte diensten die worden toegedeeld aan de vaste inrichting, nu de vaste inrichting onderdeel uitmaakt van een fiscale eenheid. En, indien dit het geval is, of dan de btw-verleggingsregeling van toepassing is.

Oordeel Hof van Justitie

Het HvJ oordeelt het volgende:

  • Diensten verricht door het hoofdhuis van Skandia in de Verenigde Staten aan zijn vaste inrichting in Zweden, die onderdeel uitmaakt van een fiscale eenheid btw in Zweden, vormen belastbare handelingen voor de btw.
  • De diensten zijn belastbaar in Zweden. De fiscale eenheid btw in Zweden is de Zweedse btw verschuldigd op grond van de verleggingsregeling.

In dit oordeel ligt besloten dat de diensten niet worden geacht te zijn verricht tussen het Amerikaanse hoofdhuis en de Zweedse vaste inrichting van Skandia. De diensten worden daarentegen geacht te zijn verricht tussen het Amerikaanse hoofdhuis van Skandia en de fiscale eenheid btw in Zweden. De Zweedse vaste inrichting van Skandia is onderdeel van deze fiscale eenheid btw in Zweden. Er is derhalve sprake van dienstverlening tussen twee afzonderlijke belastingplichtigen. 

De diensten zijn belastbaar in Zweden, het land waar de afnemer is gevestigd. Voor btw-doeleinden wordt de Zweedse vaste inrichting van Skandia geacht onderdeel te zijn van een fiscale eenheid btw in Zweden, een andere belastingplichtige dan het Amerikaanse hoofdhuis van Skandia. Deze laatste wordt, als dienstverlener, derhalve niet beschouwd als een belastingplichtige met vestiging (vaste inrichting) in Zweden. Om die reden is de verschuldigde Zweedse btw verlegd naar de afnemer, de fiscale eenheid btw in Zweden.

Gevolgen

De Nederlandse praktijk is dat transacties tussen een buitenlands hoofdhuis en een vaste inrichting in Nederland, die onderdeel zijn van een fiscale eenheid btw in Nederland, buiten het bereik van de Nederlandse btw blijven. Dit volgt uit rechtspraak van de Hoge Raad (14 juni 2002, nr. 35 976).

In de zaak Skandia stond vast dat de Zweedse vaste inrichting, los van het Amerikaanse hoofdhuis, onderdeel was van een fiscale eenheid btw in Zweden. In bovengenoemde zaak van de Hoge Raad is daarentegen expliciet geoordeeld dat het buitenlandse hoofdhuis in kwestie ook deel uitmaakte van een fiscale eenheid btw in Nederland. Het is derhalve de vraag of een buitenlands hoofdhuis, met een vaste inrichting in Nederland, in alle gevallen als een afzonderlijke belastingplichtige moet worden aangemerkt. Indien een buitenlands hoofdhuis, met een vaste inrichting in Nederland, voldoende ‘verweven’ is met in Nederland gevestigde vennootschappen, maakt het buitenlandse hoofdhuis mogelijk deel uit van een fiscale eenheid in Nederland.

Daarnaast stond in de zaak Skandia vast dat sprake was van doorbelasting van ‘externe kosten’. Het is niet duidelijk of het oordeel van het HvJ eveneens geldt voor de doorbelasting van ‘interne kosten’.

In de omgekeerde situatie, waarin een hoofdhuis in het binnenland onderdeel is van een fiscale eenheid en daarnaast een vaste inrichting in het buitenland heeft (en die aldaar geen onderdeel is van een fiscale eenheid), zou naar onze mening geen sprake moeten zijn van afzonderlijke belastingplichtigen. Conform het oordeel van het HvJ in de Skandia zaak, heeft een vaste inrichting zelf namelijk niet de hoedanigheid van belastingplichtige.

Het HvJ spreekt van een hoofdhuis in een ‘derde land’. De vraag is of het oordeel van het HvJ in de zaak Skandia dezelfde werking heeft indien een hoofdhuis is gevestigd in een land binnen de Europese Unie.

Tot de datum van de uitspraak van het HvJ waarborgt het beginsel van rechtszekerheid – naar onze mening – dat aangegane transacties tussen een buitenlands hoofdhuis en een Nederlandse vaste inrichting, die onderdeel is van een fiscale eenheid btw in Nederland, buiten het bereik van de Nederlandse btw blijven. Een vergelijkbare uitwerking van de gevolgen van HvJ rechtspraak hebben wij eerder gezien in rechtspraak van de Hoge Raad.  

Wat kunt u nu doen?

Voor dienstverlening tussen een buitenlands hoofdhuis en een Nederlandse vaste inrichting, die onderdeel is van een fiscale eenheid btw in Nederland, is in de toekomst mogelijk verlegde btw verschuldigd. Het is raadzaam om een inschatting van de risico’s te maken, zoals de beoordeling van individuele afspraken met de Belastingdienst over doorbelastingen, de verdeling tussen interne en externe kosten en de toetsing van de voorwaarden voor de vorming van een fiscale eenheid btw. Indien nodig kan bezwaar worden gemaakt tegen de voldoening van verlegde btw.

Ook in andere lidstaten kan het oordeel van het HvJ in de Skandia zaak gevolgen hebben voor de praktijk. In beginsel heeft HvJ rechtspraak terugwerkende kracht. Afhankelijk van de uitwerking in een lidstaat kan dus btw worden nageheven over transacties die in het verleden hebben plaatsgevonden.

Indien u verder van gedachten wilt wisselen over deze uitspraak, dan kunt u contact opnemen met de adviseurs van de Indirect Tax Financial Services Group van KPMG Meijburg & Co, of met uw gebruikelijke adviseur.