KPMG Belgium-Holland Desk Newsletter | Juni 2022

29 juni 2022
KPMG Belgium Desk

Inhoud

Naar boven

1. KPMG Belgium-Holland Desk Seminar 2022: zes workshops op dinsdag 4 oktober 2022

Op dinsdagochtend 4 oktober 2022 vindt ons jaarlijkse KPMG Belgium‑Holland Desk Seminar plaats. Tijdens het seminar kunnen we u weer ‘echt’ ontmoeten! In het prachtige Hotel Nassau in Breda zullen we zes workshops voor u verzorgen over diverse fiscale en juridische onderwerpen. Denk hierbij onder meer aan de belastingheffing over vermogen, estateplanning, bestuurdersaansprakelijkheid, grensoverschrijdende arbeid, het multilateraal instrument (‘MLI’) en grensoverschrijdende overnames. Voor en na de workshops zal er voldoende gelegenheid zijn om de leden van de KPMG Belgium-Holland Desk en de andere aanwezigen te spreken.

Spreekt deze nieuwsbrief u aan? Dan wilt u dit seminar niet missen! U kunt uw vooraanmelding reeds kenbaar maken via deze link.

Naar boven

2. Vergelijking nieuwe Belgische expatregime met Nederlandse 30%-regeling

In de november 2021-editie van deze nieuwsbrief bespraken we het Belgische wetsvoorstel inzake de nieuwe Belgische belastingregimes voor ingekomen belastingplichtigen en ingekomen onderzoekers. Inmiddels zijn beide regelingen van dit hernieuwde Belgische expatregime definitief vastgelegd in de Belgische fiscale wetgeving en werd de opheffing van de oude Belgische ‘kaderregeling’ verduidelijkt in twee administratieve omzendbrieven.

In deze bijdrage gaan wij in op de belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen dit nieuwe Belgische expatregime en het Nederlandse expatregime, de zogenoemde ‘30%-regeling’. Beide regimes bieden een aantal belangrijke fiscale voordelen en de nieuwe Belgische expatregeling lijkt sterk geïnspireerd op de Nederlandse regeling. Er bestaan tegelijkertijd een aantal belangrijke verschillen.

Voorwaarden toepassing expatregimes

Om in aanmerking te komen voor de Belgische en Nederlandse expatregimes dient aan een aantal strikte voorwaarden te worden voldaan. Zo zijn beide regimes alleen beschikbaar voor belastingplichtigen die door een binnenlandse werkgever (of vaste inrichting) uit het buitenland worden aangeworven of die vanuit het buitenland worden uitgezonden om in België respectievelijk Nederland voor een binnenlandse werkgever te komen werken.Nieuw ten opzichte van de oude Belgische kaderregeling is dat ook werknemers van verenigingen zonder winstoogmerk in aanmerking komen. In de Nederlandse 30%-regeling wordt aangesloten bij werknemers van een inhoudingsplichtige voor de loonbelasting (ook stichtingen en verenigingen).

Werknemers of bedrijfsleiders die al in België respectievelijk Nederland woonden of al werkten voor een binnenlandse werkgever, komen derhalve niet in aanmerking voor het Belgische dan wel Nederlandse expatregime. Bovendien mag de werknemer niet binnen 150 kilometer van de grens hebben gewoond in de 60 maanden (België) of in 16 van de 24 maanden (Nederland) voor aanvang van de tewerkstelling. De Belgische regeling kan evenmin worden toegepast als de werknemer in de loop van de 60 maanden voor aanvang reeds onderworpen was aan de Belgische belasting voor niet-inwoners ten aanzien van Belgische beroepsinkomsten.

Zowel in België als in Nederland geldt daarnaast een salariscriterium voor toepassing van de expatregeling. Zo geldt momenteel in België als grens een brutojaarbezoldiging (toerekenbaar aan de Belgische werkzaamheden) van minimaal € 75.000 op jaarbasis. De Nederlandse regeling kent een salarisdrempel van (in 2022) een in Nederland belastbaar jaarloon – na aftrek van de 30%-vergoeding (zie hierna) – van meer dan € 39.467 (onder voorwaarden verlaagd naar € 30.001). In beide landen is in principe geen salariscriterium van toepassing voor ingekomen wetenschappers.

Een ander relevant verschil is dat in België een bedrijfsleider slechts onder voorwaarden in aanmerking komt voor het expatregime. Zo geldt de Belgische regeling alleen voor zover de bedrijfsleider is belast met het dagelijks bestuur van de onderneming, maar niet voor oprichters van de betreffende vennootschap of grootaandeelhouders (meer dan 30% belang). In Nederland geldt daarentegen geen beperking voor bestuurders, oprichters of grootaandeelhouders, mits de betreffende persoon in (fictieve) dienstbetrekking staat tot een Nederlandse inhoudingsplichtige en ‘in het buitenland is aangeworven’. Verder kan in geval van uitzending naar België alleen gebruik worden gemaakt van het expatregime bij terbeschikkingstelling binnen een multinationale groep, waar in Nederland terbeschikkingstelling van werknemers door niet-groepsvennootschappen niet per definitie wordt uitgesloten. In Nederland geldt de 30%-regeling ten slotte onder voorwaarden ook voor vanuit Nederland naar het buitenland uitgezonden werknemers, terwijl de expatregeling in België beperkt is tot inkomende arbeidskrachten.

Voordelen van de expatregimes

De regelingen in België en Nederland bieden beide aanzienlijke fiscale voordelen. Allereerst geldt voor beide regelingen dat maximaal 30% van het brutosalaris/belastbaar loon (Nederland) van de werknemer onbelast mag worden vergoed aan de werknemer (vrij van loonbelasting/bedrijfsvoorheffing, inkomstenbelasting/personenbelasting en socialezekerheidsbijdragen), ter compensatie van kosten die rechtstreeks verband houden met de tewerkstelling in België respectievelijk Nederland (in Nederland aangeduid als ‘extraterritoriale kosten’). In België is de onbelaste 30%-vergoeding gemaximeerd op € 90.000 per jaar (kan vanaf 2024 worden geïndexeerd). In Nederland geldt momenteel nog geen maximum, maar het Nederlandse kabinet heeft onlangs een voorstel aangekondigd om de 30%-regeling te gaan maximeren tot een maximumbedrag van het arbeidsinkomen. Dit maximum wordt gekoppeld aan de ‘WNT-norm’, beter bekend als de ‘balkenendenorm’. In 2022 bedraagt de WNT-norm € 216.000 (jaarlijks onderhevig aan indexatie), resulterende in een maximale 30%-vergoeding van € 64.800. Boven op de onbelaste 30%-vergoeding kunnen in zowel Nederland als België bepaalde expatgerelateerde kosten door de werkgever onbelast worden vergoed, zoals verhuiskosten en schoolgeld voor meegekomen kinderen.

Wanneer een werknemer in Nederland gebruikmaakt van de 30%-regeling en woonachtig is in Nederland, dan kan worden geopteerd voor zogenoemde partiële buitenlandse belastingplicht in de Nederlandse inkomstenbelasting. De werknemer kwalificeert in dat geval als een buitenlands belastingplichtige voor het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Het voordeel hiervan is dat mogelijk minder inkomstenbelasting hoeft te worden betaald, omdat buitenlands belastingplichtigen in box 2 en box 3 slechts belastingplichtig zijn over een beperkte grondslag (beperkt tot hoofdzakelijk een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en inkomen in box 3 uit in Nederland gelegen onroerende zaken).

Onder de oude Belgische kaderregeling bestond een vergelijkbaar systeem, maar in het nieuwe expatregime zijn de algemene regels inzake fiscaal inwonerschap in België van toepassing op de ingekomen werknemer of onderzoeker. Derhalve zullen de ingekomen belastingplichtigen in het nieuwe stelsel in principe als fiscaal inwoner van België beschouwd worden, tenzij zij fiscaal inwoner zijn van een ander land op basis van de bepalingen van het desbetreffende dubbelbelastingverdrag en zij dit jaarlijks kunnen aantonen aan de hand van een woonplaatsattest. Als fiscaal inwoner van België zal de belastingplichtige zijn wereldwijde inkomen dienen op te nemen in de jaarlijkse aangifte in de personenbelasting, inclusief buitenlandse onroerende goederen en het buitenlands investeringsinkomen.

Een ander belangrijk voordeel van de Nederlandse 30%-regeling is tenslotte dat een werknemer onder de 30%-regeling een buitenlands rijbewijs kan omwisselen voor een Nederlands rijbewijs.

Looptijd en aanvraag van de expatregimes

Het nieuwe Belgische expatregime kent een maximale looptijd van vijf jaar, die op verzoek (na een nieuwe aanvraag) kan worden verlengd met nog eens drie jaar tot in totaal acht jaar. In Nederland geldt sinds 2019 een looptijd van maximaal vijf jaar, zonder mogelijkheid tot verlenging. Voorheen gold wel een termijn van acht jaar. Voor uitgezonden werknemers geldt in beginsel een onbeperkte termijn, gedurende de periode waarin de uitzending voortduurt.

Overigens kan in de Nederlandse 30%-regeling de maximale looptijd worden gekort op basis van een eerder verblijf of eerdere tewerkstelling van de werknemer in Nederland in de afgelopen 25 jaar. Bepaalde korte periodes van tewerkstelling of verblijf in Nederland worden daarbij niet in aanmerking genomen.

De aanvraag van het Belgische expatregime dient ten slotte binnen drie maanden na de start van tewerkstelling in België te worden ingediend. In Nederland bedraagt de aanvraagtermijn in beginsel vier maanden na aanvang van de tewerkstelling. Wordt buiten deze termijn een verzoek ingediend, dan kan de 30%-regeling toch worden toegepast, maar niet per aanvang van de tewerkstelling. In dat geval is de regeling van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op maand waarin het verzoek is gedaan.

Conclusie

Zowel België als Nederland tracht met deze gunstige belastingregimes deskundigen uit het buitenland aan te trekken. Bij het opzetten van het nieuwe belastingregime in België was de Nederlandse 30%-regeling duidelijk een inspiratiebron, al zijn er ook een aantal duidelijke verschillen.

Carolien Van Echelpoel, Julie Van Den Bogerd, Esmiralda Pasma en Monique van Leeuwen

Naar boven

3. Nederlands initiatiefwetsvoorstel box 2 en bedrijfsopvolgingsregelingen

In de mei 2022-editie van deze nieuwsbrief informeerden wij u over de Voorjaarsnota 2022 van het Nederlandse kabinet. Kort na het verschijnen van deze nota hebben GroenLinks en de Partij van de Arbeid van zich laten horen en een initiatiefwetsvoorstel ingediend.

Het initiatiefwetsvoorstel bevat een aantal voorstellen om de belastingheffing van directeuren-grootaandeelhouders en familiebedrijven te herzien en de lasten voor hen aanzienlijk te verzwaren. Een nadere toelichting vindt u in ons cliëntmemorandum. Hierna gaan wij in op de meest in het oog springende voorstellen. Deze betreffen de aanpassing van het box 2-tarief, de afschaffing van de doorschuifregeling in box 2 en de versobering van de bedrijfsopvolgingsregeling (‘BOR’).

Aanpassen tarief box 2

Het Nederlandse kabinet stelt in de Voorjaarsnota voor vanaf 2024 een progressief box 2-tarief in te voeren van 26% voor een box 2-inkomen tot € 67.000 per jaar (€ 134.000 voor fiscale partners) en van 29,5% voor het meerdere. Wellicht ten overvloede: box 2 geldt voor houders van een aanmerkelijk belang, dat wil zeggen: natuurlijke personen die ten minste 5% van een soort aandelen bezitten. GroenLinks en de Partij van de Arbeid stellen voor vanaf 2023 een veel groter verschil in tarief aan te brengen dan het kabinet voorstelt en hanteren bovendien een lager opstapje, namelijk 25,96% voor een box 2-inkomen tot € 58.989 per jaar (€ 117.978 voor partners) en 40,59% voor het meerdere.

Afschaffen doorschuifregelingen in box 2 en versobering van de BOR

De initiatiefnemers stellen verder voor om de doorschuifregelingen in box 2 voor schenking en vererving af te schaffen en de BOR in de erf- en schenkbelasting aanzienlijk te versoberen.

Momenteel kan, onder voorwaarden, de box 2-claim die rust op de waardestijging van een aanmerkelijk belang bij schenking of vererving worden doorgeschoven naar de verkrijger. Deze doorschuifregelingen zijn sinds 2010 reeds beperkt tot ondernemingsvermogen en zouden op basis van het wetsvoorstel in het geheel worden afgeschaft.

De door de initiatiefnemers voorgestelde versoberingen van de BOR betreffen een aanscherping van de voorwaarden en een beperking van het voordeel. De initiatiefnemers stellen voor de BOR nog slechts toe te passen op belangen die ten minste 25% van het geplaatste kapitaal betreffen (nu 5% en in specifieke gevallen 0,5%) en de BOR – anders dan nu – per definitie niet toe te passen op verhuurd vastgoed en/of preferente aandelen. Indien de BOR wel van toepassing is, wordt het voordeel van toepassing hiervan op basis van het voorstel vanaf 2024 in beginsel beperkt tot de schenk- of erfbelasting over het laagste van:

  • 25% van de waarde van het ondernemingsvermogen;
  • € 1.000.000 (voor alle verkrijgers tezamen).

Het voordeel van toepassing van de BOR betreft per heden de schenk- of erfbelasting over 100% van de waarde van het ondernemingsvermogen tot € 1.134.403 en 83% van de waarde van het ondernemingsvermogen voor zover dat meer is (niet gemaximeerd).

De door GroenLinks en Partij van de Arbeid voorgestelde versoberingen zijn aanzienlijk en liquiditeitsvraagstukken liggen op de loer. Om dit probleem het hoofd te bieden kan in geval van liquiditeitsproblemen onder voorwaarden uitstel van betaling worden verkregen.

Hoe verder?

Het initiatiefwetsvoorstel bevat een aanzienlijke lastenverzwaring voor directeuren-grootaandeelhouders en familiebedrijven. Het is vooralsnog afwachten wanneer dit wetsvoorstel wordt behandeld in de Tweede Kamer en in hoeverre dit (wellicht in aangepaste vorm) tot wet zal worden verheven. Wij volgen deze ontwikkelingen op de voet en houden u uiteraard op de hoogte. Hoewel er nog veel onzekerheid heerst, constateren wij dat nu reeds veel structuren tegen het licht worden gehouden en dat het thema ‘bedrijfsopvolging’ in veel gevallen hoger op de agenda wordt geplaatst. Hebt u reeds in beeld of er aanleiding is om te anticiperen?

Mark Foesenek en Pepijn van Eijk

Naar boven

4. Het nieuwe Belgische verbintenissenrecht: aandachtspunten

Op 21 april 2022 werden de Boeken 1 (‘Algemene Bepalingen’) en 5 (‘Verbintenissen’) van het nieuwe Belgische Burgerlijk Wetboek door het Belgische parlement goedgekeurd. Na de eerdere inwerkingtreding van Boek 8 (‘Bewijs’) per 1 november 2020, Boek 3 (‘Goederen’) per 1 september 2021 en de aanstaande inwerkingtreding van Boek 2, titel 3 (‘Relatievermogensrecht’) en boek 4 (‘Nalatenschappen’) is straks meer dan de helft van de boeken uit het nieuwe Belgische Burgerlijk Wetboek ingevoerd.

Graag zetten wij enkele aandachtspunten bij het nieuwe Boek 1 en Boek 5 voor u op een rijtje:

  • Bij een foutieve afbreking van lopende onderhandelingen tussen partijen (voorafgaand aan het sluiten van een contract), bestaat er de mogelijkheid om deze partij buitencontractueel aansprakelijk te houden. Als er een zogenaamd ’rechtmatig vertrouwen‘ gewekt is dat er (zonder twijfel) een contract gesloten zou worden, dan kan die partij tot het betalen van een schadevergoeding veroordeeld worden, niet enkel van de gemaakte kosten, maar mogelijks ook van het mislopen van de verwachte opbrengsten (uit dat contract).
  • Wanneer beide partijen in hun aanbod en aanvaarding naar de toepassing van hun eigen algemene voorwaarden verwijzen, dan komt er een contract tot stand. De zogenaamde onverenigbare bedingen in die algemene voorwaarden worden dan buiten toepassing gelaten (de zogenaamde ‘knock-outrule’). Een uitzondering bestaat echter in het geval een van de contractspartijen tijdig en uitdrukkelijk zou aangeven dat zij niet gebonden wil zijn aan de algemene voorwaarden van haar contractspartij.
  • Elk beding waarover niet onderhandeld werd en dat een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van partijen, is onrechtmatig en zal voor niet geschreven worden gehouden. Dit geldt thans in het bijzonder tussen consumenten onderling (‘C2C’) waar tot op heden geen specifieke regels voor waren opgenomen.
  • Indien een contractspartij misbruik maakt van omstandigheden verbonden aan de zwakke positie van de andere partij en er daarbij een kennelijk onevenwicht tussen de contractuele prestaties ontstaat ( ‘misbruik van omstandigheden’), dan bestaat thans de mogelijkheid voor de rechtbank om deze verbintenis(sen) aan te passen. In bepaalde gevallen kan dit zelfs leiden tot de nietigheid van het contract.
  • In geval van een wanprestatie, kan de getroffen partij onder bepaalde voorwaarden met een schriftelijke kennisgeving bepaalde sancties opleggen aan zijn contractspartij. De mogelijkheid bestaat eveneens om een prijsvermindering door te voeren, weliswaar evenredig met het verschil in waarde tussen de ontvangen en overeengekomen prestatie.
  • Een contractspartij kan thans, onder bepaalde omstandigheden en in het geval externe en onvoorzienbare omstandigheden de uitvoering van een contract buitensporig verzwaren, aan haar contractspartij verzoeken om het bestaande contract te heronderhandelen. Deze heronderhandeling gebeurt met het oog op een aanpassing of zelfs beëindiging ervan (‘imprevisieleer’). Indien partijen binnen redelijke termijn geen akkoord bereiken, kan de tussenkomst van de rechter gevraagd worden om hier finaal een beslissing over te nemen.

Het nieuwe verbintenissenrecht (Boek 5) zal vermoedelijk op 1 december 2022 of 1 januari 2023 in werking treden. Het is evenwel slechts van toepassing op contracten gesloten na inwerkingtreding daarvan. Volgens de Memorie van Toelichting staat het de rechtspraak evenwel vrij om in bepaalde gevallen reeds met het nieuwe verbintenissenrecht rekening te houden. Dit wil zeggen dat alle contracten gesloten voor de inwerkingtreding (alsook de toekomstige gevolgen die daaruit voortvloeien) in principe onderworpen blijven aan het oude Burgerlijk Wetboek.

Het nieuwe verbintenissenrecht verdient uw bijzondere aandacht gelet op de bijzonder brede toepassing ervan op alle soorten contracten (C2C, B2C én B2B). Belangrijk is dat heel wat bepalingen uitdrukkelijk kunnen worden uitgesloten of kunnen worden gemoduleerd in functie van een bepaalde context.

Nora Bejta en Tim Fransen

Naar boven

5. Levering van verhuurd vastgoed overdracht van een algemeenheid van goederen in Nederlandse omzetbelasting?

Wanneer u als btw-ondernemer een gebouw overdraagt, is die levering in Nederland in beginsel van rechtswege vrijgesteld van btw. Dat is slechts anders indien sprake is van een levering voor, op of uiterlijk twee jaren na eerste ingebruikneming van het gebouw. Bij een btw-vrijgestelde levering wordt de overdrager mogelijk met een beperking van diens recht op aftrek van voorbelasting geconfronteerd.

De levering van een nieuw vervaardigd gebouw, door bijvoorbeeld een projectontwikkelaar, is dus belast met btw. Dat betekent echter niet zonder meer dat de overdrager over de levering btw verschuldigd is, bijvoorbeeld indien de levering van een gebouw kwalificeert als de overdracht van een algemeenheid van goederen. Een dergelijke overdracht blijft namelijk buiten de heffing van btw.

Hof Arnhem-Leeuwarden: verhuurd vastgoed kwalificeert als overdracht van een algemeenheid van goederen

Wil sprake zijn van een overdracht van een algemeenheid van goederen, dan dient de overnemer met de geleverde goederen een zelfstandige economische activiteit te kunnen uitoefenen. Recent heeft Hof Arnhem-Leeuwarden in twee zaken geoordeeld dat met een (kort) verhuurd gebouw een zelfstandige economische activiteit kan worden uitgeoefend, namelijk de verhuur van een gebouw. Aldus vormt de overdracht van een gebouw in verhuurde staat een overdracht van een algemeenheid van goederen die als zodanig buiten de heffing van btw dient te blijven.

Met bovenstaande uitspraken breekt Hof Arnhem-Leeuwarden met een eerdere uitspraak van de Hoge Raad. Die oordeelde namelijk dat de overdracht van een verhuurd gebouw niet als een overdracht van een algemeenheid van goederen kwalificeerde, omdat de overdrager het gebouw niet had ontwikkeld met het oog op de verhuur van dat gebouw maar met het oog op de verkoop daarvan aan een derde. In tegenstelling tot de Hoge Raad is de intentie van de overdrager volgens Hof Arnhem-Leeuwarden niet van belang om te kwalificeren als een overdracht onder algemeenheid van goederen.

Impact en vervolg

Als gevolg van de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden was de overdrager bij de overgang van een nieuw vervaardigd gebouw in verhuurde staat over de koopsom geen btw verschuldigd. De voor hem niet-aftrekbare btw (in verband met de eerdere, btw-vrijgestelde verhuur) bleef zodoende beperkt tot de btw op de verbouwingskosten, eventuele grondkosten en bijkomende kosten van de projectontwikkelaar. Daarnaast drukte er voor de koper geen niet-aftrekbare btw op de ontwikkelwinst.

Hoewel vooralsnog geen cassatie is ingesteld tegen bovengenoemde uitspraken van Hof Arnhem-Leeuwarden, verwachten wij dat de zaken wel naar de Hoge Raad zullen gaan. Daarnaast is er momenteel een Poolse zaak aanhangig bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Daarin staat de vraag centraal of een verhuurd winkelcentrum dat wordt overgedragen zonder dat alle verplichtingen van de overdrager mee overgaan op de overnemer, kwalificeert als de overdracht van een algemeenheid van goederen. Het is interessant om te volgen of het Hof van Justitie van mening is dat een dergelijke overdracht buiten de heffing van btw dient te blijven.

Waarschijnlijk zal de Hoge Raad – indien in de onderhavige zaken inderdaad cassatieberoep wordt ingesteld – wachten op het Hof van Justitie totdat een uitspraak wordt gedaan in de lopende procedure over de overdracht van een kort verhuurd gebouw. Wij houden u uiteraard op de hoogte.

Marieke Herber en Noël Lürken

Naar boven

6. Thuiswerken tot eind 2022 mogelijk zonder impact voor sociale zekerheid, fiscaal thuiswerkbeleid blijft uit

Per 1 juli 2022 lopen de tijdelijke regelingen omtrent de fiscale en socialezekerheidsgevolgen van thuiswerkdagen vanwege het coronavirus af. We verwijzen in dit kader naar onze eerdere bijdrage in de april 2022-editie van deze nieuwsbrief.

In EU-verband geldt tot 1 juli 2022 een beleid op basis waarvan gewijzigde arbeidspatronen vanwege coronarestricties geen wijziging van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving onder toepassing van de Europese socialezekerheidsverordening tot gevolg hebben. Nederland heeft bovendien afspraken gemaakt met België en Duitsland om voor de belastingheffing aan te sluiten bij het ‘normale’ werkpatroon. Ook deze afspraken gelden tot 1 juli 2022.

Overgangsperiode voor sociale zekerheid bij thuiswerken

Op 14 juni 2022 heeft de Administratieve Commissie (‘AC’) voor wat betreft de coördinatie van sociale zekerheid binnen de Europese Unie overeenstemming bereikt over een tijdelijke overgangsregeling voor thuiswerkers tot 1 januari 2023 om personen die onder het tijdelijke ‘no- impactbeleid’ vallen in staat te stellen zich aan te passen.

Deze overgangsregeling heeft tot gevolg dat meer dan 25% thuiswerken er voorlopig niet toe leidt dat de toepasselijke socialezekerheidswetgeving verschuift van de werkstaat naar de woonstaat (wat onder toepassing van de verordening in beginsel wel het geval is). Daarmee wordt in feite de eerder geldende ‘no-impactperiode’ die per 1 juli 2022 afloopt voor thuiswerkers verlengd. Op dit moment is onduidelijk of en wanneer een structurele aanpassing van de verordening zal volgen.

Fiscale thuiswerkregeling in relatie Nederland-België en Nederland-Duitsland blijft voorlopig uit

De Nederlandse staatssecretaris van Financiën heeft op 9 juni 2022 echter aangegeven dat de bovengenoemde thuiswerkovereenkomsten met België en Duitsland in principe niet worden verlengd. Nederland zal volgens de staatssecretaris in overleg treden met België en Duitsland om een structurele regeling voor thuiswerken overeen te komen middels aanpassing van de betreffende belastingverdragen. Deze afspraken zullen naar alle waarschijnlijkheid niet op korte termijn in werking treden en dus – in afwijking van de overgangsregeling voor sociale zekerheid – wordt per 1 juli 2022 teruggevallen op de reguliere verdeling van heffingsbevoegdheid over grensoverschrijdende arbeid in de belastingverdragen.

Esther Schutte en Pepijn van Eijk

Naar boven

7. Nederlandse regeling voor aflopende deelnemingen niet van toepassing op aandelenopties

Voordelen uit hoofde van (kwalificerende) aandelenbelangen of soortgelijke rechten die een ‘deelneming’ vormen zijn onder voorwaarden vrijgesteld voor de heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting. Hiermee wordt, net zoals geldt ten aanzien van dividenden onder de Belgische DBI-aftrek, voorkomen dat in een deelnemingsverhouding dezelfde winst tweemaal wordt belast (bij de deelneming en bij de aandeelhouder).

Nederlandse deelnemingsvrijstelling en Falconsleer

De Nederlandse deelnemingsvrijstelling is in beginsel alleen van toepassing op de voordelen uit belangen van ten minste 5% in het gestorte kapitaal van een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal (bezitsvereiste). Op de andere voorwaarden, de intentie-, bezittingen- en onderworpenheidstoets, gaan wij nu niet nader in. Voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling is niet relevant hoe lang reeds aan het bezitsvereiste wordt voldaan.

Op basis van jurisprudentie van de Nederlandse Hoge Raad is de deelnemingsvrijstelling onder voorwaarden ook van toepassing op de voordelen uit aandelenopties. De houder van callopties heeft toegang tot de deelnemingsvrijstelling indien de opties bij uitoefening kunnen leiden tot het houden van een belang van ten minste 5% in het gestorte kapitaal van een vennootschap. Niet vereist is dat de opties daadwerkelijk worden uitgeoefend en/of dat er een aandelenbelang wordt verworven. Hét Hoge Raad-arrest in dit kader is het Falconsarrest en de hierin geformuleerde rechtsregel staat bekend als de Falconsleer.

Belgische DBI-aftrek

De Belgische equivalent van de Nederlandse deelnemingsvrijstelling is de DBI-aftrek. Op basis hiervan zijn dividenden uit kwalificerende deelnemingen per saldo niet belast in de Belgische vennootschapsbelasting (via een 100% vrijstelling). De Belgische evenknie van het bovengenoemde bezitsvereiste stelt als voorwaarden a) dat het gaat om een aandelenbelang van ten minste 10% of een aandelenbelang dat ten minste een kapitaal met aanschaffingswaarde van € 2,5 miljoen vertegenwoordigt en b) dat dit belang gedurende een periode van een jaar in volle eigendom wordt gehouden (kwantitatieve voorwaarden).  

Indien op het moment van een dividenduitkering nog niet aan de onder b) genoemde voorwaarde is voldaan, kan de DBI-aftrek reeds worden toegepast maar wordt deze ‘teruggenomen’ indien de aandelen niet gedurende het restant van de periode van een jaar in volle eigendom van de ontvanger van het dividend blijven. Wij gaan op de nadere voorwaarden voor toepassing van de DBI-aftrek nu niet in.

Omdat de DBI-aftrek geldt voor dividend en uit aandelenopties geen dividenden voortkomen, is toepassing van de DBI-aftrek op voordelen uit opties niet aan de orde.

Nederlandse regeling voor aflopende deelnemingen

De Nederlandse regelgeving kent een speciale regeling voor aflopende deelnemingen. Op basis daarvan blijft de deelnemingsvrijstelling nog drie jaar van toepassing indien de omvang van het belang in een deelneming zakt onder 5% van het gestorte kapitaal. Deze regeling speelt onder meer bij verwatering door uitgifte van nieuwe aandelen of gefaseerde vervreemding van aandelen. De regeling bevat een antimisbruikbepaling en is slechts van toepassing indien de belastingplichtige de deelneming meer dan een jaar houdt en gedurende die periode onafgebroken aan de beziteis is voldaan.

In België wordt er niet voorzien in een vergelijkbare regeling. Aan het bezitsvereiste voor toepassing van de DBI-aftrek moet steeds voldaan zijn op het moment van toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden.

Rechtbank Gelderland

In een recente uitspraak oordeelde Rechtbank Gelderland dat de Nederlandse Falconsleer niet zo ver reikt dat de wettelijke regeling voor aflopende deelnemingen kan worden toegepast op callopties.

In de onderliggende casus had een Nederlandse vennootschap een aandelenbelang van 8,5% in een Japanse vennootschap. Door een beursgang van de Japanse vennootschap in 2017 verwaterde dit belang van 8,5% naar 2,34%. De Nederlandse vennootschap hield het belang reeds langer dan 12 maanden, zodat de regeling voor aflopende deelnemingen van toepassing was.

De Nederlandse vennootschap hield voor de beursgang eveneens opties om 5% extra aandelen in de betreffende Japanse vennootschap aan te kopen. Nadat een gedeelte van deze opties werd prijsgegeven kon voor de beursgang met deze opties een (additioneel) aandelenbelang van 2,34% worden verkregen. Door de beursgang daalde dit percentage tot 1,58%.

Belanghebbende (de Nederlandse vennootschap) oefent na de beursgang de opties uit en realiseert daarmee een voordeel (het verschil tussen uitoefenprijs en de marktwaarde van de verkregen aandelen op het moment van uitoefening). In geschil is of dit voordeel vrijgesteld is onder de deelnemingsvrijstelling. Belanghebbende stelt dat dit het geval is, maar de Belastingdienst acht dit niet juist.

De rechtbank stelt de Nederlandse Belastingdienst in het gelijk. De regeling voor aflopende deelnemingen is in casu niet van toepassing. Hoewel de overwegingen van de rechtbank ruimte laten voor interpretatie, leiden wij uit de uitspraak af dat de rechtbank de regeling voor aflopende deelnemingen niet van toepassing acht op ‘verwaterde’ optiebelangen.

Deze bijdrage en de genoemde recente uitspraak laten zien dat toepassing van de deelnemingsvrijstelling/DBI-aftrek niet altijd evident is en zorgvuldig dient te worden beoordeeld. En dan zijn we hier slechts ingegaan op het bezitsvereiste en zijn Belgische evenknie. Wees gewaarschuwd!

Mark Foesenek, Pepijn van Eijk, Hendrik Putman en Ann-Sophie Smets

Naar boven

© 2022 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.