Fiscale Zaken voor Familie & Bedrijf – december 2021

22 december 2021
Familie en Bedrijf

Beste lezer,

Dit is een nieuwe editie van onze digitale nieuwsbrief Fiscale Zaken voor Familie & Bedrijf. Hierin laten wij in begrijpelijke taal een aantal fiscale zaken de revue passeren die van belang zijn voor familiebedrijven. Daarbij schenken wij aandacht aan een zo breed mogelijke waaier van belastingen, zodat u hopelijk iets van uw gading terugvindt. Wij wensen u veel leesplezier!

Olaf Leurs en Maarten Merkus
Marktgroep Familie & Bedrijf

Naar boven

Inhoud

Naar boven

1. Column: misbruik?

Tijdens onze online eindejaarsbijeenkomst heb ik gezegd dat een van de meest opvallende zaken in het Belastingplan wat mij betreft iets is wat er NIET in staat. Het gaat dan om het niet terugdraaien van het verlengen van de eerste schijf in de vennootschapsbelasting. Beetje cryptisch wellicht, maar het is vrij eenvoudig.

Dit jaar kent de vennootschapsbelasting twee schijven. De eerste schijf betreft de winst tot € 245.000 en wordt belast tegen 15%. De tweede schijf is de winst daarboven, die wordt belast tegen 25%. Vorig jaar is al als wet aangenomen dat vanaf 1 januari 2023 de eerste schijf verlengd zou worden naar € 395.000, met nog steeds het tarief van 15%. De tweede schijf is dan weer de winst daarboven, tegen 25%. Dat creëert dus een voordeel van 10% over € 395.000, ofwel € 39.500. Dat voordeel wordt groter als de winst wordt verdeeld over meer vennootschappen die niet in een fiscale eenheid gevoegd zijn. Maar het betekent dus ook dat het ontvoegen van vennootschappen een voordeel kan opleveren van € 39.500, mits die vennootschap ten minste € 395.000 winst maakt. Een dusdanig grote eerste schijf met een dusdanig groot tariefverschil gaat mensen er zonder enige twijfel toe brengen om hierop te anticiperen.

Dus ik had verwacht dat, met die anticipatie-effecten in gedachten, het verlengen van de eerste schijf aangepast zou worden. Dat is niet gebeurd. Sterker nog, door de verhoging van het hoge tarief naar 25,8% is het voordeel opgelopen naar € 42.660.

Dus dat betekent nog meer incentive om vennootschappen niet te voegen of zelfs te ontvoegen. Is dat dan misbruik?

Het fiscale-eenheidsregime in de vennootschapsbelasting is een faciliteit waar bedrijven gebruik van kunnen maken. Dat biedt heel veel praktische, fiscale en financiële voordelen en de faciliteit wordt dus ook op hele grote schaal gebruikt. Eén nadeel (er zijn er meer) van de fiscale eenheid is dat je de eerste schijf maar één keer kunt gebruiken voor de hele fiscale eenheid en dat kan dus financieel nadelig zijn. Als bedrijven in hun afweging tussen de voordelen en de nadelen van een fiscale eenheid door het verlengen van de eerste schijf een andere keuze maken en besluiten om die faciliteit niet meer te gebruiken, dan kan dat toch moeilijk als misbruik worden bestempeld. Het is geen misbruik, maar het is wel wetgeving die dit gedrag uitlokt door er zo’n grote bonus op te plakken dat mensen er wel over na moeten gaan denken.

Tot slot een waarschuwend woord. De fiscale eenheid biedt heel veel voordelen en het ontvoegen van vennootschappen uit een fiscale eenheid is omgeven met heel veel antimisbruikwetgeving. Laat u dus echt goed adviseren voor u overgaat tot niet voegen of ontvoegen.

De beste wensen voor 2022!

Olaf Leurs (leurs.olaf@kpmg.com)

Naar boven

2. Wijzigingen voor familiebedrijven in 2022

In 2022 verandert weer het nodige op fiscaal gebied. Het pakket Belastingplan 2022 werd op Prinsjesdag bij de Tweede Kamer ingediend. Daarnaast zijn er nog enkele andere relevante ontwikkelingen. Nu de parlementaire behandeling van het Belastingplan is afgerond – de Tweede Kamer heeft het op 11 november 2021 aangenomen, de Eerste Kamer op 21 december 2021 – is het wellicht handig de maatregelen die (ook) relevant zijn voor familiebedrijven nog eens aan te stippen.

Verhoging vennootschapsbelastingtarief, verlenging mkb-schijf

Het toptarief in de vennootschapsbelasting wordt met ingang van 1 januari 2022 verhoogd van 25% naar 25,8%. Het lage tarief in de ‘mkb-schijf’ blijft 15%. Als onderdeel van een eerder Belastingplan wordt deze schijf verlengd van € 245.000 in 2021 naar € 395.000 vanaf 2022. Met een box 2-tarief in de inkomstenbelasting van 26,9% zal het gecombineerde tarief (vennootschapsbelasting plus box 2), afhankelijk van met name de omvang van de winst van de vennootschap, in 2022 fluctueren tussen 37,87% en 45,76%.

Maximering jaarlijkse verliesverrekening, wel onbeperkte carry-forward

Als onderdeel van een eerder Belastingplan gaat met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022 een in de tijd onbeperkte voorwaartse verliesverrekening gelden (in 2021 geldt nog een carry-forwardtermijn van zes jaar; de carry-backtermijn is en blijft één jaar). Wel zullen verliezen nog slechts volledig voorwaarts en achterwaarts verrekenbaar zijn tot een bedrag van € 1 miljoen aan belastbare winst. Bij een hogere winst zijn de verliezen daarnaast slechts tot 50% van die hogere belastbare winst verrekenbaar.

Aanscherping generieke renteaftrekbeperking

De generieke renteaftrekbeperking (‘earningsstrippingmaatregel’) in de vennootschapsbelasting wordt aangescherpt. De per saldo door een belastingplichtige verschuldigde rente komt met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022 slechts in aftrek tot 20% van de fiscale EBITDA in plaats van 30%, dan wel tot € 1 miljoen indien dat hoger is.

Milieu-investeringsaftrek (MIA) gaat fors omhoog

Per 1 januari 2022 worden de steunpercentages in de milieu-investeringsaftrek (MIA) verhoogd van 13,5%, 27% en 36% naar respectievelijk 27%, 36% en 45%. Voor inkomstenbelastingondernemers en vennootschapsbelastingplichtige lichamen wordt investeren in MIA-bedrijfsmiddelen zo extra gestimuleerd.

Verlenging gebruikelijk loon innovatieve start-ups

De fiscale tegemoetkoming voor innovatieve start-ups met betrekking tot het mogen vaststellen van het gebruikelijk loon op het wettelijk minimumloon wordt verlengd tot 1 januari 2023, in afwachting van de evaluatie die nog gaat plaatsvinden.

Verhoging vrije ruimte werkkostenregeling

In verband met de coronacrisis was de vrije ruimte die werkgevers hebben voor het geven van onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor 2020 verhoogd van 1,7% naar 3% voor de eerste € 400.000 van de loonsom per werkgever. Deze verhoging gaat – met terugwerkende kracht – ook gelden voor 2021. Vanaf het kalenderjaar 2022 vervalt deze verhoging.

Gerichte vrijstelling vergoeding thuiswerkkosten

In het Belastingplan 2022 is een gerichte vrijstelling voor de vergoeding van bepaalde thuiswerkkosten opgenomen. Deze regeling is een aanvulling op de reeds bestaande mogelijkheden om specifieke thuiswerkkosten, zoals arbovoorzieningen en ICT-middelen, onbelast te vergoeden. Het betreft een bedrag van maximaal € 2 per thuiswerkdag. Dit bedrag wordt vanaf 2023 jaarlijks geïndexeerd. De vergoeding ziet op extra kosten voor water- en elektriciteitsverbruik, verwarming, koffie, thee en toiletpapier. De gerichte vrijstelling kan ook worden toegepast als een werknemer een deel van de dag thuiswerkt. Bij zo’n ‘gemengde werkdag’ kan echter geen samenloop plaatsvinden met de gerichte vrijstelling voor een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer of bijvoorbeeld reizen met de auto van de zaak naar de vaste werkplek.

Vereenvoudiging en verduidelijking S&O-afdrachtvermindering

De aanvraagsystematiek voor de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) wordt vereenvoudigd. Verder wordt de wetgeving met betrekking tot de op te voeren kosten en uitgaven van S&O bij mededeling verduidelijkt.

In plaats van Baangerelateerde Investeringskorting verlaging Awf-premie

Het kabinet ziet met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 af van de invoering van de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK). Door middel van de BIK wilde het kabinet bedrijven stimuleren investeringen te doen en banen te behouden, maar het kabinet kon niet uitsluiten dat de maatregel door de Europese Commissie als ongeoorloofde staatssteun zou worden aangemerkt. In plaats van de BIK komt het kabinet bedrijven tegemoet door een verlaging van de premies voor het Algemeen werkloosheidsfonds (Awf-premie) voor al het loon dat vanaf 1 augustus 2021 wordt genoten, en vanaf 16 augustus 2021 voor werkgevers die per vier weken loonaangifte doen. De lage premie over het loon van werknemers met een vast contract wordt verlaagd van 2,7% naar 0,34%. Het premiepercentage over het loon van andere werknemers wordt verlaagd van 7,7% naar 5,34%. De nieuwe percentages gelden tot en met 31 december 2021.

Verhoging bijtelling nulemissieauto’s van de zaak

Met ingang van 2022 wordt de verlaagde bijtelling voor nulemissieauto’s (auto’s zonder CO2-uitstoot) van de zaak verder verhoogd van 12% naar 16%. De maximumcataloguswaarde waarover de verlaagde bijtelling wordt berekend (‘cap’) wordt verlaagd in 2022 naar € 35.000 en vanaf 2023 naar € 30.000. Voor het meerdere geldt de reguliere bijtelling van 22%. Er geldt een uitzondering voor waterstofauto’s en zonnecelauto’s, waarop het verlaagde bijtellingspercentage over het hele bedrag van de cataloguswaarde van toepassing is.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.com)

Naar boven

3. Afstand doen van toekomstige winsten leidt niet meteen tot aftrek

De in een boekjaar genoten fiscale winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik. Goed koopmansgebruik regelt de toerekening van de totale winst van een onderneming aan de verschillende jaren en is gebaseerd op de bedrijfseconomische inzichten over winstbepaling. In rechtsspraak is een aantal beginselen ontwikkeld die aan goed koopmansgebruik ten grondslag liggen. Een van die beginselen, het matchingbeginsel, op basis waarvan lasten die door bepaalde baten worden opgeroepen zo veel mogelijk moeten worden toegerekend aan de jaren waarin deze baten worden gerealiseerd, speelt in onderstaande zaak voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De casus

De belastingplichtige bezit een aantal onroerende zaken die zijn gefinancierd door middel van een banklening. Omdat de waarde van de onroerende zaken lager was dan de omvang van de financiering, dreigde de bank de financieringsovereenkomst op te zeggen. Ter voorkoming van executoriale verkoop is belanghebbende daarop een samenwerking met een derde partij aangegaan. Naast verstrekking van enige financiering (circa € 500.000) is overeengekomen dat deze partij het vastgoed zal herontwikkelen. Partijen hebben afgesproken dat de hiermee te behalen opbrengst – voor zover deze meer dan € 5 miljoen zal bedragen – gelijk onder partijen wordt verdeeld. Nog voordat de herontwikkeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, stelt belastingplichtige dat de onroerende zaken een waarde van € 10 miljoen vertegenwoordigen. Zij brengt vervolgens in haar aangifte € 2,5 miljoen – als afsluitprovisie – ineens ten laste van haar resultaat.

Strijd met matchingsbeginsel

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende deze kosten in het betreffende jaar niet ten laste van haar resultaat kan brengen. Het toekomstige winstrecht, dat overigens op zakelijke gronden aan de derde partij is toegekend, beïnvloedt in dat jaar namelijk niet de omvang van haar fiscale winst. Nu de herontwikkeling zich in latere jaren afspeelt en de daarmee te behalen winst fiscaal nog niet is gerealiseerd, is het in strijd met het matchingsbeginsel om de kosten reeds in een eerder jaar in aanmerking te nemen.

Nick Grieving (grieving.nick@kpmg.com)

Naar boven

4. Geen aftrekbaar liquidatieverlies voor waardeloze (klein)dochter

De liquidatieverliesregeling bepaalt dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is bij een verlies op een geliquideerde (ontbonden) deelneming. Dit betekent dat het liquidatieverlies aftrekbaar is bij de moeder.

Echter, er zijn aanvullende regels om oneigenlijk gebruik te voorkomen. Bij het liquideren van een dochter moet de waardedaling bij de deelneming van deze dochter (kleindochter) in mindering worden gebracht van het te claimen liquidatieverlies. De reden hiervoor is voorkomen dat een niet-aftrekbaar verlies op het niveau van de dochter gebruikt kan worden als een aftrekbaar verlies bij de moeder.

Uit eerdere jurisprudentie blijkt dat waarde geïnterpreteerd moet worden als waarde in het economische verkeer en dat de beperking van het liquidatieverlies enkel geldt voor de waardedaling van de kleindochters tijdens de bezitsperiode van de moeder in de dochter.

In een recent gepubliceerde zaak bij Hof Amsterdam betoogde de moeder dat de dochter al bij de aankoop geen waarde had en dat de waardedaling dus niet tijdens de bezitsperiode plaatsvond. Het Hof ging hier niet in mee en gaf aan dat de waarde gelijk stond aan de waarde in het economische verkeer, oftewel de overdrachtsprijs. Volgens het Hof heeft de moeder vervolgens onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit niet de echte waarde geweest was. Zo had de moeder misschien kunnen beargumenteren dat een deel van de overdrachtsprijs niet ziet op de onderliggende waarde van de dochter, maar bijvoorbeeld op de potentiële strategische meerwaarde van het gehele concern.

De conclusie is dat de waardedaling bij de deelneming vanaf het moment van aankoop in mindering moet worden gebracht op het aftrekbare liquidatieverlies. Het gevolg was dat er in casu geen aftrekbaar verlies resteerde bij de liquidatie van de dochter.

Stel dat de moeder direct de kleindochter had gehouden, dan zou de waardedaling van de kleindochter ook niet aftrekbaar geweest zijn op grond van de deelnemingsvrijstelling.

Er is cassatie aangetekend, het is dus aan de Hoge Raad om te overwegen of het recht juist is toegepast in deze zaak.

Pim van der Horst (vanderhorst.pim@kpmg.com)

Naar boven

5. Normbedrag gebruikelijk loon dga mag niet worden verlaagd bij ziekte

Rechtbank Gelderland oordeelt dat het zogeheten gebruikelijk loon van een directeur-grootaandeelhouder (dga) moet worden vastgesteld op het jaarlijkse normbedrag. Dit normbedrag mag niet zomaar worden verlaagd indien de dga wegens ziekte een deel van het jaar niet heeft kunnen werken. De dga moet hiervoor aannemelijk maken dat een lager gebruikelijk loon gerechtvaardigd is.

Gebruikelijkloonregeling

Het loon van een dga wordt voor de heffing van loon- en inkomstenbelasting vastgesteld op basis van de gebruikelijkloonregeling. Achtergrond van deze regeling is te voorkomen dat een dga een dusdanig laag loon geniet uit zijn eigen vennootschap dat hij oneigenlijk gebruik kan maken van inkomensafhankelijke regelingen. Op basis van de regeling wordt het loon van een dga – lees: een werknemer die werkt voor een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft (5% of meer) – minimaal gesteld op het normbedrag (in 2021: € 47.000).

Als echter aannemelijk is dat in een soortgelijke dienstbetrekking (tot en met 2014) of de meest vergelijkbare dienstbetrekking (vanaf 2015) waarin geen sprake is van een aanmerkelijk belang een lager loon gebruikelijk is, dan wordt het loon gesteld op dat lagere loon. De dga heeft hierin de bewijslast.

Gebruikelijk loon over 2015: verlaging door ziekte?

De dga verricht consultancy- en bemiddelingswerkzaamheden via zijn bv. In 2015 was de dga echter een groot deel van het jaar niet in staat om te werken als gevolg van een operatie. Hij heeft derhalve geen (gebruikelijk) loon aangegeven in de aangifte inkomstenbelasting 2015. De inspecteur is het hier niet mee eens en vordert na over een gebruikelijk loon van € 44.000 (minimumnormbedrag in 2015).

De rechtbank oordeelt dat ziekte in het algemeen geen aanleiding is om het gebruikelijk loon meteen naar beneden bij te stellen. De rechtbank wijst daarbij op de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. Het normbedrag kan alleen verlaagd worden indien aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van een nijpende situatie, waardoor de continuïteit van de onderneming in gevaar zou komen als het gebruikelijk loon wordt doorbetaald. De dga heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. Daarbij is het enkele verwijzen naar negatieve bedrijfsresultaten niet voldoende.

Hebt u als directeur-grootaandeelhouder vragen over het vaststellen van het gebruikelijk loon, neemt u dan gerust contact met ons op.

Romy Loeffen (loeffen.romy@kpmg.com)

Daniëlle Vestjens (vestjens.danielle@kpmg.com)

Naar boven

6. Vertrouwen op de website van de Belastingdienst

De Belastingdienst verstrekt een groot gedeelte van de voorlichting tegenwoordig via zijn website www.belastingdienst.nl. Maar wat als je op basis van deze voorlichting handelt, maar die achteraf onjuist of onvolledig blijkt te zijn?

Deze vraag stond centraal in een procedure waarin de Hoge Raad recent uitspraak heeft gedaan.

De casus

Een belastingplichtige had informatie ingewonnen over de fiscale gevolgen van de vroegtijdige afkoop van een lijfrenteverzekering, onder andere door de website van de Belastingdienst te raadplegen. Op grond van de informatie op de website van de Belastingdienst meende belastingplichtige dat geen revisierente (doorgaans: 20% van de waarde van de aanspraak) van toepassing is bij de afkoop van het type lijfrenteverzekering dat hij had. Daarom besloot belastingplichtige tot de vroegtijdige afkoop van de lijfrenteverzekering.

De inspecteur legde in verband met de vroegtijdige afkoop van de lijfrenteverzekering echter een aanslag inkomstenbelasting op met revisierente. Op basis van de wet gold voor het type lijfrenteverzekering van de belastingplichtige dat wél revisierente verschuldigd is bij vroegtijdige afkoop.

De Hoge Raad oordeelde dat het door de website van de Belastingdienst opgewekte vertrouwen bij belastingplichtige moest prevaleren boven de wettelijke regeling van de revisierente. De in rekening gebrachte revisierente kwam daarom te vervallen.

Tot slot

Door de uitspraak van de Hoge Raad komt het risico voor onjuiste of onvolledige informatie te liggen bij degene die de informatie heeft verstrekt. Gelet op de wijze waarop de Belastingdienst zijn informatievoorziening in de afgelopen jaren heeft veranderd, en met name de rol die de website daarin is gaan vervullen, lijkt het niet meer dan gerechtvaardigd dat een burger te goeder trouw wordt beschermd.

Tom Noë (noe.tom@kpmg.com)

Naar boven

7. De ‘horen-en-ziencasus’: uitleg van de indirecte bezitseis in de bedrijfsopvolgingsregeling

Bij een schenking met een beroep op de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenkbelasting (BOR) is een van de vereisten dat voldaan wordt aan de bezitseis. Die eis houdt in dat de schenker de geschonken aandelen gedurende vijf jaar (voor de schenking) moet hebben gehad (de directe bezitseis) en dat gedurende vijf jaar de onderneming moet zijn gedreven (indirecte bezitseis).

De ‘horen-en-ziencasus’

Hof ’s-Hertogenbosch heeft zich recentelijk gebogen over een zaak waarin de toepassing van de indirecte bezitseis voor de BOR ter discussie stond. In deze zaak was voorafgaand aan een schenking een reorganisatie doorgevoerd op indirect niveau. Voor de reorganisatie had de schenker indirect 49% van de aandelen van de dochtermaatschappijen, waarin hoor- en optiekcentra werden gedreven. Na de reorganisatie (door middel van een zogenoemde ruziesplitsing) kreeg de schenker middellijk alle aandelen (100%) van de dochtermaatschappijen met de hoorcentra-activiteiten. Vervolgens vond de schenking plaats, met daarin het indirecte 100%-belang in de hoorcentra. De inspecteur was van mening dat voor 51% aan indirect belang in de hoorcentra niet werd voldaan aan de bezitseis, omdat dit belang nog niet vijf jaar voor de schenking in het indirecte bezit van de schenker was.

Het gelijk is aan belanghebbende

Het hof stelt de belanghebbende in het gelijk en overweegt dat de omstandigheid dat het belang van de schenker door middel van de ruziesplitsing de gehele onderneming omvat, niet aan de toepassing van de BOR in de weg staat. Ten tijde van de schenking was het belang in de onderneming ook niet meer als een gedeeltelijk belang te identificeren. Het oorspronkelijke 49%-belang is door middel van de ruziesplitsing een 100%-belang in de onderneming geworden, die als zodanig al vijf jaar in die vorm werd gedreven. Dan is dus niet relevant of en in hoeverre de schenker voorheen slechts voor een gedeelte een indirect belang had in die onderneming. Eerder was ook al geoordeeld dat zolang een indirecte uitbreiding van een onderneming niet als een afzonderlijke (nieuwe) objectieve onderneming kwalificeert, de indirecte uitbreiding niet zelfstandig aan een bezitseis hoeft te voldoen.

Gevolgen voor de praktijk

In de praktijk legt de Belastingdienst de bezits- en voortzettingseis vaak beperkt uit. Om gelijk te krijgen zal een belanghebbende soms geconfronteerd worden met de noodzaak beroep in te stellen bij de rechter. De omvang van jurisprudentie en literatuur op dit onderwerp groeit dan ook in een snel tempo. Omdat de BOR in haar aard is bedoeld om bedrijfsopvolgingen juist soepeler te laten verlopen, is in de zomer van 2021 een motie in de Tweede Kamer aangenomen waarin wordt voorgesteld de toepassing van de bezits- en voortzettingseis tegen het licht te houden. De beperkte toepassing leidt volgens de indieners van de motie tot een onevenredig concurrentienadeel ten opzichte van bedrijven in de ons omringende landen. Wellicht leidt deze motie uiteindelijk tot een wetswijziging, waardoor juridische conflicten over dit onderwerp in de toekomst beperkt of voorkomen kunnen worden.

Charlotte van Oorschot (vanoorschot.charlotte@kpmg.com)

Naar boven

8. Omzetting verlies uit aanmerkelijk belang in belastingkorting kan (toch) zonder verliesvaststellingsbeschikking

Een verlies uit aanmerkelijk belang kan ook worden omgezet in een belastingkorting als het verlies niet bij beschikking is vastgesteld, zo oordeelde rechtbank Noord-Nederland onlangs. Eerder oordeelde diezelfde rechtbank in een andere zaak nog dat hiervoor wel een verliesvaststellingsbeschikking nodig is.

Van verlies naar belastingkorting

Het inkomen uit aanmerkelijk belang in box 2 kan negatief zijn, bijvoorbeeld als het aanmerkelijk belang wordt verkocht voor een lagere prijs dan het is verkregen. In dat geval is sprake van een verlies uit aanmerkelijk belang. Een verlies kan worden verrekend met positief inkomen uit aanmerkelijk belang in het voorgaande jaar of in de zes volgende kalenderjaren. Na zes jaar verdampt het verlies uit aanmerkelijk belang.

Als iemand met een onverrekend verlies uit aanmerkelijk belang in het jaar zelf en in het daaraan voorafgaande jaar echter geen aanmerkelijk belang meer heeft en diens partner ook niet, kan dit verlies op verzoek worden omgezet in een belastingkorting. Deze korting bedraagt 26,9% van het nog niet verrekende verlies en wordt verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting in box 1. Deze verrekening kan plaatsvinden in het jaar van omzetting en de zeven daaropvolgende jaren, maar uiterlijk in het negende jaar na het jaar van het verlies. Voor zover de belastingkorting dan nog niet is verrekend, vervalt deze.

De belastingkorting wordt vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Hetzelfde geldt in beginsel voor een verlies uit aanmerkelijk belang. In het berechte geval was dat laatste echter niet gebeurd. Belanghebbende had tot 13 december 2013 een aanmerkelijk belang in een bv die op 12 december 2013 was ontbonden. Belanghebbende had ter zake van de ontbinding een verlies uit aanmerkelijk belang in box 2 geleden. Hij had het verlies niet in de aangifte inkomstenbelasting over 2013 opgenomen, maar uitsluitend inkomen uit werk en woning in box 1 vermeld. Bij de aanslag werd geen verlies uit aanmerkelijk belang vastgesteld. Belanghebbende wilde bij de aangifte inkomstenbelasting over 2015 toch de belastingkorting in aanmerking nemen. De inspecteur ging daarin niet mee.

Geen verliesvaststellingsbeschikking nodig

Volgens de rechtbank valt uit de grammaticale uitleg van de wettekst niet te halen dat het verlies bij beschikking moet zijn vastgesteld. Uit de wetsgeschiedenis maakt de rechtbank op dat de wetgever de formalisering van het vaststellen van een nog niet verrekend verlies en de belastingkorting in één beschikking wilde samenbundelen, namelijk de beschikking voor de belastingkorting. Dit betekent dat de wetgever ervan uit is gegaan dat een resterend verlies uit aanmerkelijk belang in één keer op verzoek kan worden getransformeerd in een belastingkorting. Dat is volgens de rechtbank ook niet onlogisch, omdat het doel van de regeling is dat men een verlies dat niet (meer) op reguliere wijze is te verrekenen met winst uit aanmerkelijk belang toch nog kan compenseren. Het gaat dus niet om de reguliere verliesverrekening binnen box 2, maar om het overhevelen van een resterend verlies vanuit box 2 naar box 1. Tegen die achtergrond is het niet noodzakelijk om het resterende verlies eerst binnen box 2 bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen. Doordat er geen aanmerkelijk belang meer is, zal geen verliesverrekening binnen box 2 meer plaatsvinden, aldus de rechtbank.

Een verlies uit aanmerkelijk belang kan volgens de rechtbank dus ook worden omgezet in een belastingkorting als het verlies niet bij beschikking is vastgesteld. Een opmerkelijke uitspraak, omdat diezelfde rechtbank eerder in een andere zaak met een andere rechter nog oordeelde dat hiervoor wel een verliesvaststellingsbeschikking nodig is. De rechtbank lijkt met deze voor belanghebbende gunstige uitspraak dus te zijn ‘omgegaan’. De rechtbank benadrukt overigens nog dat voor de reguliere verliesverrekening binnen box 2 een verliesvaststellingsbeschikking wel degelijk nodig is.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.com)

Naar boven

9. Contact

Mocht u naar aanleiding van deze of andere onderwerpen vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met de adviseurs van KPMG Meijburg & Co die bij de onderwerpen in deze nieuwsbrief staan vermeld, of uiteraard met uw vaste aanspreekpunt binnen KPMG Meijburg & Co.

Naar boven

© 2022 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.