"Nu consumenten digitale bodemschatten zijn, die worden ontgonnen zonder dat daarvoor wordt betaald."

26 augustus 2019

Het huidige belastingstelsel voldoet niet meer. Het is namelijk niet ingericht op digitale businessmodellen, zoals Airbnb, Uber of Amazon. Dit zorgt voor internationale belastingdiscussies, waarin soms de vraag rijst of wij moeten terugvallen op ‘ouderwetse’ heffingssystemen. De digitale techniek, de virtuele aanwezigheid, is nieuw. Maar het fundamentele fiscale punt, waar de winst wordt behaald, eigenlijk niet. Ook in het Nederlandse koloniale tijdperk was de vraag welk gedeelte van de winst van multinationals aan Nederlands-Indië kon worden toegerekend en daar kon worden belast. Fred van Horzen, partner bij KPMG Meijburg & Co, legt het uit.

Nederlands-Indië keek op een unieke manier naar belasting. Zij zagen de multinational als één organisch geheel, dus als één belastingplichtige, en gingen uit van een geconsolideerde winst. Die winst werd toegerekend aan alle landen waar de multinational actief was. Bij die winsttoerekening werd rekening gehouden met ‘externe’ factoren van het bronland die invloed hadden op de winst van de onderneming. Bijvoorbeeld het feit dat de multinational in Nederlands-Indië profiteerde van de grote afzetmarkt, natuurlijke rijkdommen en infrastructuur, zoals wegen en havens.

Geen grondstoffen, maar data als winstgenerator

De benadering die destijds in Nederlands-Indië werd toegepast, zou ook toepasbaar kunnen zijn op de belasting van de met digitale businessmodellen behaalde winst. Maar dan moeten wij wel afscheid nemen van het principe dat slechts winstbelasting kan worden geheven van in het buitenland gevestigde ondernemingen, indien zij een fysieke aanwezigheid hebben op het grondgebied van een bronland. Een principe dat wereldwijd gedragen wordt. Dan zouden wij moeten kijken naar waar een multinational virtueel gevestigd is. En dan houden wij bij die winsttoerekening niet uitsluitend rekening met de levering van goederen of diensten door de onderneming aan afnemers in dat land, maar ook met andere factoren. Bijvoorbeeld de data die de onderneming in dat land verzamelt. Eén ding is zeker: het klopt niet dat er data gratis weggegeven wordt aan bedrijven die daar vervolgens van profiteren. Immers, belasting wordt geheven waar waarde wordt gegeneerd. Zonder data valt er geen waarde te genereren, dus een deel van de gegenereerde winst valt toe te rekenen aan degene die de data levert. Kunnen wij geen systeem bedenken waar mensen indirect betaald worden voor het gebruikmaken van gegevens?

Terug naar humanitaire bodemschatten

Dat kan. De gangbare constructie voor het ontginnen van fysieke bodemschatten is dat de ‘exploitant’ een licentiefee betaalt aan een overheid, de juridische eigenaar van de schatten. De overheid deelt daardoor mee in de opbrengsten van haar bodemschatten. Ondernemingen betalen dus een toegangsfee. Waarom zou zo’n constructie niet van toepassing kunnen zijn voor de data die huidige multinationals van marktpartijen krijgen? Wanneer wij het gedrag en de data die een bevolking genereert als natuurlijke rijkdom beschouwen, zou dit alleen toegankelijk zijn en gebruikt worden  indien daar een bepaalde prijs voor betaald wordt. De overheid vertegenwoordigt de inwoners en ontvangt namens hen de fee. Klinkt logisch toch?

Nieuwe verdeelsleutel voor de wereldwijde taart

In de 19e eeuw ging dit eigenlijk net zo in Pruisen. Marskramers hadden een vergunning nodig wanneer zij in een bepaalde gemeente waar ze niet woonden goederen wilden verkopen. De prijs voor zo’n vergunning hing af van het aantal inwoners in die gemeente. Geen belasting dus, maar er werd door de ondernemer wél een prijs betaald voor toegang tot de markt. Deze aanpak vergt een nieuwe visie op hoe de wereldwijde taart verdeeld moet worden. Kortom: hoe zorgen wij ervoor dat in een digitale economie, waar data mede de sleutel vormen tot winst, er op een zodanige manier belasting wordt geheven? Om dit te laten werken, is er een verdeelsleutel nodig. Bijvoorbeeld door te kijken naar het aantal inwoners van een land en een leeftijdsbandbreedte die als factor dient. Dit vormt de basis voor de benadering van de winst die aan data valt toe te rekenen, waarna een bepaald percentage van de opbrengst naar het desbetreffende land gaat.

Acceptatiegraad cruciaal

Klinkt best simpel. De crux zit hem echter in de acceptatiegraad. Als een land een x aantal inwoners heeft en de analyses uitwijzen welk percentage daarvan online activiteiten heeft, kan je ook zien welke ondernemingen zich op dat deel van de bevolking richten. Laatstgenoemden hebben toegang tot data en zouden daar, volgens deze benadering, dus voor moeten betalen.

De grote vraag hierbij is of iedereen hiervoor te porren is. Tegenwoordig is deze benadering zeer ongebruikelijk en komt er een zekere acceptatiegraad bij kijken. Want als er wereldwijd op een andere manier belasting wordt geheven, zijn er altijd landen die zich daar niet in kunnen vinden. Daar wringt de schoen. De OESO heeft plannen in deze richting voor een nieuwe verdeling van de winsttaart. De huidige verwachting is dat hier in de loop van 2020 al concrete vervolgstappen voor gemaakt gaan worden.

Informatie

Meer weten over wat de gevolgen van bovenstaande ontwikkelingen voor uw business kunnen zijn? Neem gerust contact op met Fred van Horzen of uw contactpersoon binnen KPMG Meijburg & Co. Of wenst u liever dat wij geheel vrijblijvend met u contact opnemen? U kunt dan uw contactgegevens naar ons mailen via deze link

Deze blog maakt deel van uit van een serie blogs over de Digitale Economie. Zie de andere blogs.

© 2019 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.