Belastingpakket 2022 aangepast via nota’s van wijziging

6 oktober 2021
Belastingpakket 2022 aangepast via nota’s van wijziging

Op dinsdag 5 oktober 2021 heeft het demissionaire kabinet twee nota’s van wijziging ingediend bij de Tweede Kamer. Deze nota’s waren reeds aangekondigd op Prinsjesdag (zie onze Prinsjesdagberichtgeving). Onder meer worden de mogelijkheden om zogenoemde houdsterverliezen te verrekenen beperkt en wordt het vaste‑inrichtingsbegrip voor de bronbelasting op renten en royalty’s uitgebreid. Deze laatste wijziging is met name relevant voor buitenlandse vastgoedbeleggingsfondsen die beleggen in Nederland.

In vervolg hierop wordt op 15 oktober 2021 nog een nadere nota van wijziging verwacht ter uitvoering van de motie-Hermans. Daarmee zullen ook enkele belangrijke nadere maatregelen worden voorgesteld, zoals het verlagen van het ‘earningsstrippingpercentage’ naar 20% en het verhogen van het toptarief in de vennootschapsbelasting naar 25,8%.

Hieronder gaan wij in op de genoemde (voorgestelde) maatregelen.

1. Vennootschapsbelasting

Aanpassing verrekening van voorvoegingsverliezen met winst van bij oprichting gevoegde dochtermaatschappij

In een arrest van 11 juni 2021 heeft de Hoge Raad nadere uitleg gegeven over de samenloop tussen de houdsterverliesregeling en het fiscale-eenheidsregime in de vennootschapsbelasting. Op grond van de houdsterverliesregeling kunnen verliezen geleden in een jaar waarin de feitelijke werkzaamheid van een belastingplichtige gedurende (nagenoeg) het gehele jaar voor 90% of meer bestaat uit het houden van deelnemingen of het (in)direct financieren van verbonden lichamen (‘houdsterverlies’), alleen worden verrekend met winsten behaald in een jaar waarin eveneens aan deze toetsen voldaan is (‘houdsterwinst’). De houdsterverliesregeling is weliswaar afgeschaft met ingang van 1 januari 2019, maar geldt op grond van overgangsrecht nog voor verrekenbare verliezen geleden in boekjaren aangevangen voor die datum. Per 1 januari 2022 nog verrekenbare houdsterverliezen worden vanaf die datum bovendien onbeperkt voorwaarts in de tijd verrekenbaar.

Verliezen geleden voor voeging van een belastingplichtige in een fiscale eenheid kunnen in beginsel slechts verrekend worden met de fiscale-eenheidswinst toerekenbaar aan die belastingplichtige/maatschappij. Er gelden echter nadere regels in het Besluit fiscale eenheid 2003 (‘Bfe 2003’), waardoor de winst van een per oprichting gevoegde dochtermaatschappij wél wordt aangemerkt als winst van de moedermaatschappij voor de verrekening van voorvoegingsverliezen. De werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij worden voor deze verrekening daarentegen niet aan de moedermaatschappij toegerekend, zodat alleen relevant is of de moedermaatschappij standalone (voldoende) houdsterwerkzaamheden verricht. De Hoge Raad laat in zijn arrest de bewoordingen van deze bepalingen prevaleren, als gevolg waarvan een moedermaatschappij haar voor voeging geleden houdsterverliezen kan verrekenen met de andersoortige winsten van een nieuw opgerichte en direct gevoegde dochtermaatschappij. 

Volgens staatssecretaris Vijlbrief zijn de gevolgen van dit arrest in strijd met doel en strekking van de houdsterverliesregeling en leiden deze tot een aanzienlijke budgettaire derving. De nu voorgestelde reparatie komt erop neer dat, indien winst van een bij oprichting gevoegde dochtermaatschappij wordt aangemerkt als winst van een (houdster)maatschappij en die (houdster)maatschappij verliezen heeft waarop de houdsterverliesreling nog van toepassing is, ook de werkzaamheden en het vermogen van die dochtermaatschappij voor de toepassing van die regeling worden aangemerkt als de werkzaamheden en het vermogen van de (houdster)maatschappij die deze dochtermaatschappij heeft opgericht. In samenhang met deze wijziging wordt de hiervoor bedoelde bepaling uit het Bfe 2003 in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (‘Wet Vpb 1969’) opgenomen. Deze wijziging treedt in werking per 1 januari 2022 en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022.

2. Bronbelasting op renten en royalty’s

2.1 Uitbreiding vaste-inrichtingsbegrip

Voorgesteld wordt om het begrip ‘vaste inrichting’ per 2022 uit te breiden. Renten en royalty’s verschuldigd door niet in Nederland gevestigde lichamen zijn slechts onderworpen aan bronbelasting indien ze toerekenbaar zijn aan een in Nederland gelegen vaste inrichting. Voor de betekenis van het begrip vaste inrichting wordt thans verwezen naar artikel 3 Wet Vpb 1969. Voorgesteld wordt dat tot een vaste inrichting mede worden gerekend de in artikel 17a van de Wet Vpb 1969 genoemde bronnen. Hierdoor zal ook bronbelasting worden geheven over renten en royalty’s toerekenbaar aan, onder andere, in Nederland gelegen onroerende zaken.

2.2 Verduidelijking tegenbewijsregeling hybridebepaling

Verder wordt voorgesteld om de tegenbewijsregeling voor hybride lichamen te verduidelijken. Door deze wijziging zijn hybride lichamen niet belastingplichtig voor de bronbelasting indien niet ten minste een van de achterliggende gerechtigden (al dan niet via een samenwerkende groep) een kwalificerend belang heeft in het hybride lichaam. Deze wijziging krijgt terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021.

3. Overdrachtsbelasting

Ter vermindering van de administratieve lasten voor notarissen worden enkele maatregelen voorgesteld om het aangifteproces in de overdrachtsbelasting te vereenvoudigen bij toepassing van de startersvrijstelling of het tarief van 2%.

4. Nadere maatregelen ter uitvoering van de motie-Hermans

Naast deze op Prinsjesdag reeds aangekondigde maatregelen, staan er ook nog nieuwe maatregelen op stapel als gevolg van de uitvoering van de tijdens de Algemene Beschouwingen door de Tweede Kamer aangenomen motie-Hermans. Deze maatregelen zullen bij nadere nota van wijziging worden uitgewerkt en naar verwachting op 15 oktober aanstaande naar de Tweede Kamer worden gezonden.

Uit diverse parlementaire stukken en brieven van bewindslieden op Financiën komt naar voren dat het toptarief in de vennootschapsbelasting zal worden verhoogd naar 25,8% voor belastbare winst hoger dan € 395.000. Het lage tarief zou gehandhaafd blijven op 15%. Daarnaast zal de generieke renteaftrekbeperking (earningsstrippingmaatregel) worden aangescherpt door het aftrekpercentage te verlagen van 30% naar 20% van de fiscale EBITDA. Eerder werd aangegeven dat hierbij ook nog zou worden gekeken naar het risico op het ‘opknippen’ van vennootschappen om vaker gebruik te kunnen maken van de drempel (€ 1 miljoen) en daarmee de earningsstrippingmaatregel te ontwijken. Of een dergelijke antifragmentatiemaatregel nog steeds wordt overwogen, is momenteel onduidelijk.

Commentaar KPMG Meijburg & Co

Bovengenoemde (voorgestelde) maatregelen kunnen flinke impact hebben op het bedrijfsleven. Het verhogen van het toptarief in de vennootschapsbelasting zorgt voor invloed op het tijdstip van het nemen van kosten en baten, de earningsstripping- en bronbelastingmaatregelen nopen tot het herbezien van financieringen, vooral ook bij buitenlandse beleggingsfondsen die beleggen in Nederlands vastgoed.

We zullen u uiteraard van deze en eventuele andere belangrijke ontwikkelingen rondom het pakket Belastingplan 2022 op de hoogte houden.

© 2021 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.