Waarom is het plan voor een conditionele exitheffing in de dividendbelasting onverstandig?

11 augustus 2020
dividendbelasting

Op 10 juli 2020 heeft Kamerlid Bart Snels (GroenLinks) een initiatiefwetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer betreffende een conditionele exitheffing in de dividendbelasting. De maatregel beoogt een heffing in te voeren over alle winstreserves van een entiteit die wordt verplaatst naar een land waar geen (met Nederland vergelijkbare) dividendbelasting wordt geheven. De heffing wordt verklaard door het streven belastingontwijking door multinationals te bestrijden en is bedoeld om het vertrek van hoofdkantoren van bedrijven als Unilever en Shell naar het Verenigd Koninkrijk fiscaal te bestraffen.

Een hoofdkantoor verplaatsen is iets anders dan belasting ontwijken

Het plan wordt gepresenteerd als een maatregel tegen belastingontwijking, maar welbeschouwd is het een behandeling voor een niet-bestaande ziekte. Belastingontwijking is het fenomeen waarbij belastingplichtigen transacties opzetten met het voornaamste doel belasting te besparen. Dat kan bij het opzetten of verplaatsen van een hoofdkantoor niet het geval zijn. Fiscaliteit is voor een multinational immers slechts een van de vele factoren bij het kiezen van een vestigingsplaats. Dit blijkt alleen al uit het feit dat de structuren waartegen dit plan is bedacht (Unilever en Shell) reeds tientallen jaren bestaan. Met andere woorden: het fiscale verschil tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk bestaat al geruime tijd en was tot voor kort geen reden om de duale structuur (twee topholdings in twee verschillende landen) op te heffen. Als multinationals uit Nederland vertrekken heeft dit te maken met het algehele vestigingsklimaat en is het misleidend dit fenomeen in een context van belastingontwijking te framen.

Schiet niet met een kanon op een mug

Ten tweede is dividendbelasting geen heffing van de onderneming. Het is een heffing van de aandeelhouders, die wordt ingehouden op dividendbetalingen die overigens niet aftrekbaar zijn van de winst van de onderneming. Nederlandse aandeelhouders en aandeelhouders gevestigd in landen met een belastingverdrag met Nederland kunnen deze heffing verrekenen met de inkomstenbelasting, waardoor het per saldo geen kostenpost is. De groep aandeelhouders die de heffing niet kan verrekenen is klein. Dit zijn voornamelijk institutionele beleggers uit het buitenland, zoals pensioenfondsen. Daarom is het argument dat deze in het buitenland gevestigde aandeelhouders profiteren van de Nederlandse infrastructuur en moeten meebetalen aan de collectieve uitgaven een drogreden.

Maak niet meer kapot dan je lief is

Door het invoeren van een exitheffing wordt niet slechts de groep aandeelhouders voor wie de dividendbelasting een echte kostenpost is getroffen, maar ontstaat een probleem van de hele onderneming. De exitheffing wordt immers niet ingehouden op een uitkering van winst aan de aandeelhouders, maar wordt verschuldigd op het moment dat de zetel van de onderneming wordt verplaatst (en komt bovenop de eventueel reeds verschuldigde exitheffing in de vennootschapsbelasting). Dit gegeven heeft een tweeledig effect. Ten eerste wordt het probleem voor de bedrijven waar dit plan voor is bedacht vele malen groter gemaakt. Dit noopt een raad van bestuur tot het nemen van tegenmaatregelen (zoals fiscale planning om de heffing te omzeilen) en kan het vertrek juist bespoedigen (bijvoorbeeld door het gegeven dat het Verenigd Koninkrijk nu nog lid is van de EU en straks niet meer). Overigens zullen waarschijnlijk ook andere bedrijven die niet in het vizier van de initiatiefnemers stonden door deze maatregel worden geraakt. Om in enige mate waterdicht te zijn, moet een misbruikmaatregel namelijk breed worden opgezet waardoor vaak bijvangst (in fiscaal jargon: overkill) ontstaat.

Slecht voor het Nederlandse vestigingsklimaat

Het tweede effect is dat Nederland als vestigingsplaats voor hoofdkantoren als gevolg van deze draconische maatregel onaantrekkelijker zal worden. Geen weldenkende onderneming zal zich immers vrijwillig in een structuur willen steken waaruit geen uitweg mogelijk is. Het hek dat hiermee om Nederland wordt gebouwd zal op termijn contraproductief werken en meer economische schade toebrengen dan het vermeende belastinglek dat men meent te moeten dichten. Nederland is immers een kleine economie die het moet hebben van vrij kapitaalverkeer met het buitenland. Ook de timing is slecht gekozen, midden in de COVID-19-crisis en met de Brexit voor de deur, en de onduidelijkheid die deze ontwikkelingen meebrengen. Nederland zou juist kunnen profiteren van het goede vestigingsklimaat door meer economische activiteit aan te trekken in plaats van deze op vrij grove en ondoordachte wijze af te stoten.

Ten slotte is de voorgenomen heffing slecht voor de reputatie van Nederland als (stabiele en betrouwbare) rechtsstaat. Het invoeren van wetgeving met terugwerkende kracht (zoals het plan is) valt slecht voor wat betreft de reputatie, maar ook vanuit een perspectief van rechtszekerheid. De Raad van State heeft zich hierover meerdere malen zeer kritisch uitgelaten. Dit klemt des te meer nu de grond voor de maatregel op zijn zachtst gezegd discutabel is.

© 2020 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.