Subjectieve vrijstellingen vennootschapsbelasting in jeugdzorgsector - komt uw organisatie in aanmerking?

20 december 2019

Vrijstellingen vennootschapsbelasting in jeugdzorgsector

Op 13 december 2019 is in de Staatscourant het (aangepaste) beleidsbesluit subjectieve vrijstellingen ex artikel 5 Wet op de Vennootschapsbelasting (Wet Vpb) gepubliceerd. Dit besluit bevat verduidelijkingen voor jeugdzorg- en jeugdhulpinstellingen voor wat betreft de beoordeling van hun vennootschapsbelastingplicht en de mogelijkheden om een beroep te doen op de zogenoemde ‘zorgvrijstelling’ ex artikel 5 lid 1, onderdeel c Wet Vpb. Op basis hiervan kan, vijf jaar na de invoering van de decentralisatie van jeugdzorgtaken, worden geconcludeerd dat de Belastingdienst ondanks een intensieve lobby van de sector niet bereid is om jeugdzorg- en jeugdhulpverleningsinstellingen zondermeer vrij te stellen van Vpb-plicht.

Per instelling moet worden getoetst of en in hoeverre een onderneming wordt gedreven en zo ja, of aan de wettelijke voorwaarden voor een subjectieve vrijstelling zoals de zorgvrijstelling ex. artikel 5, lid 1, onderdeel c wordt voldaan. Het recent gepubliceerde besluit bevat voor jeugdzorg- en jeugdhulpinstellingen relevante informatie voor de beoordeling van hun Vpb positie en meer in het bijzonder de mogelijkheden om een beroep te kunnen doen op een subjectieve (zorg-) vrijstelling. Hiermee is het besluit een hulpmiddel om te toetsen of zij naar de mening van de Belastingdienst al dan niet Vpb plichtig zijn met ingang van 1 januari 2015.

Werkzaamhedentoets

Om een beroep te kunnen doen op de zorgvrijstelling moet onder andere worden voldaan aan de zogenoemde werkzaamhedentoets. Deze toets houdt in dat de werkzaamheden van het lichaam voor 90% of meer bestaan uit “het genezen, verplegen of verzorgen van zieken, kraamvrouwen, mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, wezen of ouderen die niet zelfstandig kunnen wonen”. De Belastingdienst is van mening dat een en ander zoveel mogelijk moet worden uitgelegd binnen de context waarvoor de regeling oorspronkelijk is bedoeld. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat sprake is van een vorm van zorg zoals opgenomen in het basispakket Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz), of zorg die wordt verleend op basis van de Wet publieke gezondheid (Wpg), de Jeugdwet of een voorziening als bijvoorbeeld bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015 collectief gefinancierde zorg) 

Niet kwalificerende werkzaamheden

De Belastingdienst is van mening dat de werkzaamheden van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering over het algemeen ruimer zijn dan de werkzaamheden zoals bedoeld in de zorgvrijstelling van artikel 5 lid 1, onderdeel c Wet Vpb. Niet limitatief noemt de Belastingdienst de volgende werkzaamheden die niet onder de werkzaamheden voor de zorgvrijstelling vallen:

  • niet-medische begeleiding van kinderen in het (speciaal) onderwijs,
  • onderzoek en opleiding (workshops, cursussen) op het gebied van jeugdhulp
  • werkzaamheden die zien op opvoedingsproblemen in alle situaties waarin de jeugdige zelf geen medische beperking heeft.
  • uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering die op grond van de Jeugdwet worden verricht.


Kwalificerende werkzaamheden

Als werkzaamheden die in beginsel wel onder de zorgvrijstelling vallen noemt de Belastingdienst:

  • zorg ten behoeve van jeugdigen vanwege een verstandelijke of lichamelijke beperking van die jeugdigen;
  • begeleiding, inhoudende het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een lichamelijke, zintuiglijke, somatische, gediagnosticeerde psychische of verstandelijke beperking; 
  • geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen, voor zover het zorg betreft waarop voor meerderjarigen aanspraak bestaat op grond van het basispakket Zvw of de Wlz;   
  • het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een lichamelijke, zintuiglijke, somatische, gediagnosticeerde psychische of verstandelijke beperking.

Jeugdzorg- en jeugdhulpverleningsinstellingen die tot op dit moment nog geen inventarisatie hebben gemaakt van hun fiscale positie voor de heffing van vennootschapsbelasting raden wij dringend aan dit zo snel mogelijk te doen. Na inventarisatie kan worden bepaald of en welke acties gewenst zijn om mogelijk nadelige fiscale gevolgen te voorkomen of te beperken. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan herstructurering van de werkzaamheden van de organisatie waardoor activiteiten vrijgesteld van Vpb niet ‘besmet’ kunnen worden door ‘belaste’ activiteiten en het veilig stellen van met eventuele toekomstige winsten te verrekenen verliezen.

De marktgroep Zorg van Meijburg & Co beschikt over de benodigde specifieke kennis en ervaring om jeugdzorg- en jeugdhulpverleningsinstellingen hierbij ondersteuning te bieden.

Benieuwd naar het volledige beleidsbesluit in de Staatscourant? Klik dan hier

© 2020 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.