Nieuwsbrief Milieuheffingen – juni 2020

29 juni 2020
milieuheffingen

Inhoud

1. Energiebelasting bij zonnepanelen

Indien met behulp van zonnepanelen elektriciteit wordt opgewekt, kan dit tot belastingplicht voor de energiebelasting (en opslag duurzame energie- en klimaattransitie) leiden. Het is dus goed om voor het plaatsen van de zonnepanelen na te gaan wat de eventuele fiscale gevolgen daarvan zijn.


Energiebelasting wordt geheven ter zake van de levering van aardgas en elektriciteit via een aansluiting aan een verbruiker. Het is een indirecte belasting die in beginsel wordt geheven van degene die de levering verricht en die wordt berekend over het verbruik. De leverancier berekent vervolgens in principe de belasting door aan de verbruiker.


Wanneer iemand elektriciteit betrekt van de op zijn woning geplaatste zonnepanelen is geen sprake van een levering en komt de energiebelasting niet in beeld. De huurder van een woning met zonnepanelen hoeft vanwege een wettelijke vrijstelling ook geen energiebelasting te betalen over de opgewekte stroom. Bij bedrijfsmatig vastgoed komt de energiebelasting veel sneller in beeld, aangezien een vrijstelling als de hierboven voor woningen genoemde voor bedrijfsmatig vastgoed niet in de wet is opgenomen. De verhuurder van een bedrijfspand die ten behoeve van zijn huurder(s) zonnepanelen op het dak laat plaatsen, wordt voor de energiebelasting ineens energieleverancier en belastingplichtig. De huurder krijgt doorgaans de energiebelasting met de geleverde stroom door de verhuurder in rekening gebracht. Dit geldt ook als het binnen concern gebeurt, zoals tussen de vastgoed-bv en de werkmaatschappij. De energiebelasting kent geen fiscale-eenheidsregeling zoals in de vennootschapsbelasting of omzetbelasting.


Energiebelasting kan in voornoemde situatie worden voorkomen als partijen ten aanzien van de zonnepanelen een huurovereenkomst opstellen. Indien de exploitatie van de zonnepanelen namelijk voor rekening en risico van de verbruiker gebeurt, is geen sprake van een levering van elektriciteit en is daarom geen energiebelasting verschuldigd. Of een dergelijke huurovereenkomst aan alle daaraan gestelde vereisten voldoet, dient in de praktijk echter kritisch te worden getoetst. Zo kan een naheffing worden voorkomen.

Naar boven

2. Wetsvoorstel CO2-heffing voor de industrie

Onlangs sloot de consultatie over het wetsvoorstel tot invoering van een CO2-heffing voor de industrie. Verschillende partijen hebben op het voorstel gereageerd. Wat is nu de stand van zaken?


Het wetsvoorstel volgt op het nationaal Klimaatakkoord uit 2019, waarin het kabinet zijn maatregelen voortvloeiende uit het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 uiteenzet. Het doel van deze maatregelen is het terugdringen van de CO2-uitstoot in de Nederlandse industrie met 14,3 megaton. De groep belastingplichtigen komt grotendeels overeen met die van het huidige Europese systeem voor emissiehandel (ETS), maar is aangevuld met afvalverbrandingsinstallaties en bedrijven die relatief veel N2O uitstoten. De CO2-heffing geldt als een aanvulling op het ETS.
 

De verschuldigde belasting bestaat uit het verschil tussen het in een enig jaar geldende belastingtarief en de ETS-prijs. Ligt de ETS-prijs hoger, dan is de heffing nihil.
 

Later dit jaar komt het kabinet met een actueel tarief. De nieuwe CO2-heffing kent verder een vrijgestelde voet die jaarlijks lineair afneemt. In 2030 zijn de vrijgestelde emissies binnen de heffing zover afgebouwd dat alleen het deel resteert dat correspondeert met de reductiedoelstelling. Op deze manier wordt beoogd de industrie de tijd te gunnen om investeringen te doen waarmee de uitstoot kan worden verminderd. De heffing zal jaarlijks op aangifte moeten worden voldaan.


De beoogde inwerkingtreding van de CO2-heffing is 1 januari 2021. Uit de consultatieronden blijkt dat veel partijen de klimaatdoelen ondersteunen. Wel bevreemdt het betrokkenen dat in het voorstel nog geen tarief wordt genoemd. Dit maakt het voor hen lastig om de impact ervan te duiden. Het blijft verder onduidelijk waarom het kabinet niet kiest voor een (verdere) Europees gecoördineerde aanpak. Het gevaar van ‘weglekeffecten’ naar het buitenland ligt hierdoor namelijk op de loer. De vrijstellingen in de eerste jaren worden tevens (te) groot geacht. Hierdoor wordt een extra administratieve last gecreëerd zonder dat er veel belastinginkomsten tegenover staan. Uit de sector klinkt onbegrip over het feit dat ook CO2-uitstoot die kan worden gerelateerd aan restwarmte in de heffing wordt betrokken. Een vrijstelling hiervoor is volgens de sector op zijn plaats.


De coronacrisis wordt door diverse partijen aangegrepen om nog even pas op de plaats te maken met de invoering van de CO2-heffing. De industrie krijgt immers al de nodige financiële klappen te verwerken. Vanuit het kabinet lijkt van enige versoepeling met betrekking tot de invoering van de wetgeving echter vooralsnog geen sprake te zijn. Met Prinsjesdag zal naar verwachting meer duidelijkheid komen over de daadwerkelijke invoering van de CO2-heffing en wat de impact hiervan is voor de industrie.

Naar boven

3. Teruggaaf accijns en verschuldigdheid energiebelasting bij opwekking elektriciteit

Veel ondernemingen maken gebruik van onder meer (diesel)aggregaten om op locatie elektriciteit op te wekken voor verbruik. In de praktijk wordt het verbruik van elektriciteit die zelf is opgewekt veelal niet in de heffing van de energiebelasting betrokken, terwijl artikel 50, lid 3, onderdeel d Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) bepaalt dat energiebelasting wordt geheven ter zake van het verbruik van elektriciteit indien deze elektriciteit is verkregen op andere wijze dan door een levering.


Op grond van artikel 53, lid 2 Wbm wordt in dergelijke gevallen de verschuldigd geworden energiebelasting geheven van de verbruiker. Het verschuldigde tarief wordt vastgesteld aan de hand van de degressieve tabel zoals opgenomen in artikel 59, lid 1, onderdeel c Wbm. Dit betekent dat ondernemingen die elektriciteit verbruiken die is opgewekt met behulp van (diesel)aggregaten energiebelasting verschuldigd zijn.


Ter voorkoming van dubbele heffing staat tegenover deze belastingheffing een recht op teruggave van de accijns op minerale oliën die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit. Dit volgt uit artikel 69a van de Wet op de accijns (hierna: WA). Hierbij geldt wel als eis dat de betreffende installatie waarmee de elektriciteit wordt opgewekt een elektrisch vermogen kent van minimaal 60 kilowatt en dat de opgewekte elektriciteit overeenkomstig artikel 50, lid 3 Wbm in de heffing van energiebelasting wordt betrokken. Keerzijde van de geconstateerde belastingplicht voor de energiebelasting is dus dat ondernemingen recht hebben op een teruggaaf van accijns.


De toepassing van deze genoemde wetgeving betekent dat per saldo een recht op teruggaaf van belasting ontstaat. Dit volgt uit onderstaande globaal uitgewerkte berekening.


De met de dieselaggregaten opgewekte en verbruikte elektriciteit wordt in de hoogste belaste schijf binnen de Wbm (artikel 59, lid 1, onderdeel c Wbm) belast naar (thans) € 0,09770 per kWh. Gasolie (diesel) kent thans een accijnstarief van € 0,50362 per liter (artikel 27, lid 1, onderdeel b WA). Het rendement van de dieselaggregaten die ondernemingen gebruiken varieert uiteraard en is mede afhankelijk van de belasting van het betreffende aggregaat. Als gevolg hiervan varieert het brandstofverbruik per opgewekte kWh in de praktijk tussen de 250 gram en 700 gram. Uitgaande van een gemiddeld verbruik van 475 gram diesel per kWh betekent dit een verbruik van 0,57 liter diesel per opgewekte kWh (diesel kent namelijk een dichtheid van 0,84). Zodoende vertegenwoordigt iedere liter diesel 1,75 kWh. Over deze 1,75 kWh opgewekte en verbruikte elektriciteit is € 0,17 energiebelasting verschuldigd, terwijl de accijnsteruggaaf over de verbruikte liter diesel bijna € 0,50 bedraagt. Dit resulteert derhalve in een effectieve belastingteruggaaf van ruim € 0,30 per ingezette liter diesel en zelfs in een structurele totale belastingteruggave.
 

Wel van belang is op te merken dat aan de teruggaaf van accijns stringente voorwaarden zijn verbonden, waaronder het heffen van energiebelasting alsook het juist ‘bemeteren’ en administreren van het verbruik. Tegelijkertijd willen wij benadrukken dat het in de heffing betrekken van de opgewekte elektriciteit formeel bezien geen keuze, maar een verplichting is. Dit betekent in de praktijk veelal dat de (diesel)aggregaten moeten worden voorzien van meters die het kWh-verbruik kunnen registreren daar waar thans vaak alleen het aantal draaiuren wordt bijgehouden.

Naar boven

© 2020 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.