Initiatiefwetsvoorstel conditionele eindafrekening dividendbelasting ingediend

13 juli 2020
Initiatiefwetsvoorstel conditionele eindafrekening dividendbelasting

Op 10 juli 2020 heeft het Tweede Kamerlid Snels (GroenLinks) een initiatiefwetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer, waarin wordt voorgesteld om voor de dividendbelasting een eindafrekeningsverplichting in te voeren bij een grensoverschrijdende zetelverplaatsing, grensoverschrijdende fusie, grensoverschrijdende splitsing en grensoverschrijdende aandelenfusie. Het gaat hierbij om grensoverschrijdende reorganisaties door in Nederland gevestigde vennootschappen (hoofdkantoren) die deel uitmaken van een groep als bedoeld in artikel 24b van het Burgerlijk Wetboek of soortgelijke buitenlandse regeling met een geconsolideerde netto-omzet van ten minste € 750 miljoen. Voorgesteld wordt om de maatregelen met terugwerkende kracht tot en met 10 juli 2020, 12.00 uur in te voeren. Wij gaan hieronder nader in op het wetsvoorstel.

Achtergrond en kwalificerende staten

In de huidige Wet op de dividendbelasting ontbreekt een eindafrekeningsverplichting als de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting eindigt, omdat een vennootschap niet langer meer in Nederland is gevestigd. Nederland kan in de meeste gevallen geen dividendbelasting meer heffen over de op dat moment aanwezige (latente) winstreserves, omdat de vennootschap niet langer meer inhoudingsplichtig is voor de Nederlandse dividendbelasting of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting dat voorkomt. Het wetsvoorstel beoogt de heffing van dividendbelasting alsnog zeker te stellen in geval de (latente) winstreserves als gevolg van een grensoverschrijdende reorganisatie overgaan naar een jurisdictie die de Nederlandse dividendbelastingclaim niet overneemt. Het gaat hierbij om twee typen jurisdicties (zogenoemde kwalificerende staten), te weten staten die:

  • geen met de Nederlandse dividendbelasting vergelijkbare bronheffing op dividenden kennen;
  • bij binnenkomst de (latente) winstreserves aanmerken als gestort kapitaal (zogenoemde ‘step-uplanden’).

Van een met de Wet op de dividendbelasting vergelijkbare heffing is volgens het wetsvoorstel sprake indien de bronheffing ten minste wordt geheven op dividenden die door een eindschakel (hoofdkantoor) in een concernketen worden uitgekeerd. Hierdoor voldoet bijvoorbeeld alleen een bronheffing op intragroepsdividenden naar landen op een ‘zwarte lijst’ niet. Ook een heffing tegen een nultarief of bijna-nultarief is niet voldoende.

Daarnaast worden als kwalificerende staten aangemerkt staten die de overgegane (latente) winstreserves in het kader van een grensoverschrijdende reorganisatie aanmerken als gestort kapitaal, waardoor er geen buitenlandse claim ontstaat op de bestaande ‘Nederlandse’ winstreserves.

Uitdelingsfictie, uitstel van betaling en verrekening

De conditionele eindafrekeningsverplichting is vormgegeven aan de hand van een veronderstelde uitdeling van de bij de vennootschap aanwezige (latente) winstreserves (‘zuivere winst’). Op grond van deze uitdelingsfictie wordt de inhoudingsplichtige op het onmiddellijk aan de grensoverschrijdende reorganisatie voorafgaande tijdstip geacht alle aanwezige (latente) winstreserves te hebben uitgekeerd aan de deelgerechtigden tot die reserves naar de mate van hun deelgerechtigdheid (de zogenoemde geconserveerde winstuitdeling) en voor zover de (latente) winstreserves overgaan op de rechtspersoon in de kwalificerende staat. De verschuldigde dividendbelasting over de geconserveerde winstuitdeling wordt geheven op aangifte. Op verzoek kan onder voorwaarden uitstel van betaling worden verleend. Het wetsvoorstel voorziet in een verrekening van de dividendbelasting over een geconserveerde winstuitdeling met de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting voor zover het uitstel van betaling is beëindigd. Het verrekeningsrecht komt toe aan degenen die de opbrengst genieten in verband waarmee het uitstel van betaling is beëindigd en niet aan degenen die aandeelhouder waren op het tijdstip dat de inhoudingsplichtige de conditionele dividendbelasting verschuldigd werd.

Doelgroep

Voor zover de geconserveerde winstuitdeling wordt geacht te zijn uitgekeerd in deelnemingsverhoudingen waarvoor een vrijstelling geldt, is geen dividendbelasting verschuldigd. Aangezien het wetsvoorstel alleen ziet op in Nederland gevestigde vennootschappen die deel uitmaken van een groep als bedoeld in artikel 24b van het Burgerlijk Wetboek of soortgelijke buitenlandse regeling met een geconsolideerde netto-omzet van ten minste € 750 miljoen, ziet de voorgestelde eindafrekeningsverplichting bij uitstek op de dividendbelastingclaim die rust op de (latente) winstreserves waartoe de portfolioaandeelhouders van een beursvennootschap zijn gerechtigd.

Uitbreiding vestigingsplaatsfictie

Het wetsvoorstel bevat een aanvullende maatregel die inhoudt dat een vennootschap die is opgericht naar buitenlands recht en die ten minste twee kalenderjaren in Nederland is gevestigd, ná de verplaatsing van de zetel (feitelijke leiding) naar het buitenland nog gedurende een periode van tien kalenderjaren voor de toepassing van de Wet op de dividendbelasting wordt geacht in Nederland te zijn gevestigd. Onder meer omwille van de uniformiteit bevat het wetsvoorstel ook een (vergelijkbare) uitbreiding van de vestigingsplaatsfictie in de Wet op de vennootschapsbelasting.

Commentaar Meijburg & Co

Het initiatiefwetsvoorstel kan niet los worden gezien van het aangekondigde vertrek van het hoofdkantoor van Unilever uit Nederland en de onzekerheid of het hoofdkantoor van Shell in Nederland blijft. Opvallend is de terugwerkende kracht die aan het wetsvoorstel wordt gegeven. Uit de toelichting blijkt dat de indiener van het voorstel optimistisch is over de houdbaarheid van het voorstel voor verdragstoepassing. Bij dit optimisme kunnen wel de nodige kanttekeningen worden geplaatst.

Of het voorstel op een parlementaire meerderheid kan rekenen, valt op dit moment niet te zeggen. Wellicht dat het initiatiefwetsvoorstel op een of andere manier nog gaat terugkomen in het kader van de verkiezingen voor de Tweede Kamer van – in beginsel – maart 2021.

De voortgang van de parlementaire behandeling van het initiatiefwetsvoorstel zal worden besproken na het zomerreces van de Tweede Kamer, op 9 september 2020. Wanneer de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven zullen wij u uiteraard nader berichten.

Indien u van gedachten wilt wisselen over dit wetsvoorstel, neemt u dan gerust contact op met uw adviseur van Meijburg & Co.

© 2020 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.