Hofuitspraak over het gebruikelijkheidscriterium in de werkkostenregeling

21 augustus 2020
Hofuitspraak over het gebruikelijkheidscriterium in de werkkostenregeling

Op 11 augustus 2020 heeft het Hof Den Haag uitspraak gedaan in een Meijburgprocedure over de vraag of netto aandelenbonussen kunnen kwalificeren als eindheffingsbestanddeel voor de werkkostenregeling (WKR). Nadat de Hoge Raad in zijn arrest van 12 juli 2019 het beroep in cassatie gegrond heeft verklaard, is de zaak verwezen naar het Hof Den Haag. Zie onze eerdere berichtgeving over deze procedure. Hof Den Haag toetst in de verwijzingsuitspraak aan de kaders die de Hoge Raad in zijn uitspraak heeft gegeven.

Aard en omvang verstrekkingen
Bij het bepalen of een verstrekking gebruikelijk is, gaat het volgens het Hof – ook in 2012 en 2013, de jaren waarover het geschil gaat – zowel om de aard als om de omvang van de verstrekking. Daarnaast moet het ook gebruikelijk zijn dat de werkgever de belasting over die verstrekking voor haar rekening neemt.

Gebruikelijkheid informatie van collega-inspecteurs
Een interne uitvraag door de inspecteur binnen de Belastingdienst is niet voldoende om te bepalen of een verstrekking gebruikelijk is. Ook als dat binnen de Belastingdienst verder niet bekend is, kunnen bedrijven aandelenplannen hebben waarvan de voordelen zijn aangewezen onder de WKR.

Gebruikelijkheid verstrekken zelfde netto loonbestanddeel aan werknemers binnen concern
Volgens het Hof is niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende binnen haar eigen organisatie dezelfde netto bonussen in soort en omvang geeft aan andere medewerkers dan de leden van de groepsraad. Daarmee is de gebruikelijkheid beperkt tot de leden van de groepsraad.

Gebruikelijkheid bij andere bedrijven
De Belastingdienst heeft naast een interne uitvraag ook extern uitvraag gedaan onder 88 bedrijven. Hoewel deze informatie niet volledig beschikbaar is gesteld aan belanghebbende, is het Hof van mening dat de door de Belastingdienst gedane uitvraag voldoende representatief is. Daarbij mocht de Belastingdienst van het Hof gebruik maken van de bevoegdheid om bedrijven te verplichten antwoord te geven aan de Belastingdienst.

Verder oordeelt het Hof dat de door de Belastingdienst gedane externe uitvraag ook representatief genoeg is om een oordeel te kunnen geven over de gebruikelijkheid over de netto bonussen. Doordat de Belastingdienst de uitvraag niet heeft beperkt tot de jaren 2012 en 2013, is de kans vergroot dat de vraag of in enig jaar bonussen zijn toegekend bevestigend wordt beantwoord. De uitkomst van de uitvraag laat zien dat meer dan de helft van de aangeschreven bedrijven bonussen verstrekt maar niet van gelijke omvang. Daarnaast werden de bonussen ook niet als eindheffingsbestanddeel aangemerkt. Slechts één bedrijf heeft een bonus verstrekt die is aangewezen als eindheffingsbestanddeel onder de WKR. De bonusregeling bij het betreffende bedrijf (bonusbedragen zijn beperkt tot € 500 - € 1.250) is in omvang van de netto verstrekking niet vergelijkbaar met de aandelentoekenningen bij belanghebbende.

Geen netto voordeel
In de jaren voor 2012 is de belasting over de aandelenbonussen gedragen door de werkgever. Daarbij is het voordeel verloond op de loonstaat van de individuele werknemer. Het hof oordeelt dat die eerdere verstrekking niet maakt dat onder de WKR de verstrekking gebruikelijk is en voert daartoe twee redenen aan:

  • er is sprake geweest van verloning op de loonstaat van de individuele werknemer;
  • de werkgever behaalt een voordeel indien belastingheffing tegen 80% plaatsvindt in plaats van 108,3%.

Het Hof verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag 2012 ongegrond en handhaaft de naheffingsaanslag 2013. 

Belang voor de praktijk

De hofuitspraak biedt op een paar onderdelen meer duidelijkheid voor de praktijk.

  • Naast de gebruikelijkheid is ook de omvang van de beloning die wordt aangewezen als eindheffingsbestanddeel onder de WKR van belang. 
  • Informatie waarover uitsluitend de Belastingdienst op basis van interne gegevens kan beschikken is onvoldoende als onderbouwing voor het vaststellen van de (on)gebruikelijkheid.
  • Ook al wordt een loonbestanddeel al jaren aan werknemers verstrekt of vergoed, dan is het daarmee nog niet gebruikelijk dat het loonbestanddeel als eindheffingsbestanddeel kan worden aangewezen.
  • Een loonbestanddeel zal eerder als gebruikelijk worden beschouwd als alle of grote groepen werknemers binnen de inhoudingsplichtige dit loonbestanddeel ontvangen.
  • Er is een ongelijk speelveld ontstaan tussen inhoudingsplichtigen en de Belastingdienst om de (on)gebruikelijkheid te onderbouwen. De Belastingdienst kan wettelijke bevoegdheden inzetten om externe informatie op te vragen bij andere vergelijkbare inhoudingsplichtigen en hen te verplichten de vragen te beantwoorden. Deze bevoegdheid heeft een inhoudingsplichtige niet.

Indien u twijfelt of een bepaalde vergoeding of verstrekking aan uw werknemers de gebruikelijkheidstoets doorstaat om als eindheffingsbestanddeel te kunnen worden aangewezen onder de werkkostenregeling, adviseren wij u contact op te nemen met een van de professionals van Meijburg & Co.

© 2020 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.