Fiscale Zaken voor Familie & Bedrijf – maart 2020

26 maart 2020
vader met zoontje

Beste lezer,

Dit is een nieuwe editie van onze digitale nieuwsbrief Fiscale Zaken voor Familie & Bedrijf. Hierin laten wij in begrijpelijke taal een aantal fiscale zaken de revue passeren die van belang zijn voor familiebedrijven. Daarbij schenken wij aandacht aan een zo breed mogelijke waaier van belastingen, zodat u hopelijk iets van uw gading terugvindt. Wij wensen u veel leesplezier!

Olaf Leurs en Maarten Merkus
Marktgroep Familie & Bedrijf

Naar boven

Inhoud

Naar boven

1. Column: familie en bedrijf in coronatijd

Vanachter mijn laptop thuis aan de keukentafel mijn eerste column in coronatijd. De ontwikkelingen volgen elkaar snel op en wat ruim een week geleden nog uitgesloten leek, is nu ineens de nieuwe werkelijkheid.

Ook familiebedrijven worden hard geraakt door alle maatregelen die nodig zijn om het coronavirus in te dammen. De fiscaliteit speelt daarbij een grote rol. Aan alle kanten zijn er maatregelen genomen om bedrijven tegemoet te komen en een overbrugging te bieden naar betere tijden. Wij doen er alles aan om onze cliënten hierbij te begeleiden en goed op de hoogte te houden van alle fiscale ontwikkelingen. Maatregelen als de verlaging van belastingrente en het versoepelen van de eisen voor uitstel van betaling zijn nuttig en kunnen eenvoudig worden ingezet.

Een maatregel die nog niet is ingevoerd maar die wel erg nuttig zou zijn is een voorlopige carry-back in situaties waarbij in 2019 vennootschapsbelasting over de winst is betaald, maar over 2020 een verlies wordt verwacht. Onder de normale regels kan dat verlies pas (voor 80%) voorlopig verrekend worden nadat de 2020-aangifte is ingediend. Dat kan pas na 31 december 2020, dus dat duurt veel te lang. Het nu al kunnen verrekenen van een te verwachten verlies kan bedrijven de op dit moment hoognodige cashflow opleveren die ze anders pas in de loop van 2021 zouden krijgen. Een maatregel die de overheid uiteindelijk niets kost, maar wel NU helpt.

Veel sterkte allemaal de komende maanden, en let een beetje op elkaar.

Olaf Leurs (leurs.olaf@kpmg.com)

Naar boven

2. Kabinetsmaatregelen coronacrisis

De coronacrisis heeft de wereld stevig in zijn ban. Ook het bedrijfsleven ondervindt de gevolgen hiervan en van de daaruit voortvloeiende COVID-19-maatregelen. Wij kunnen ons voorstellen dat dit ook voor uw bedrijf geldt. Zowel de maatregelen die u zelf neemt (bijvoorbeeld thuiswerken, het afzeggen van bijeenkomsten en het aanpassen van de bedrijfsvoering) als de zaken die van buiten op u af kunnen komen (zoals dat er minder vraag is, het later of niet betalen door cliënten en een hoger risico op inlenersaansprakelijkheid) kunnen fiscale gevolgen hebben. Meijburg & Co denkt graag met u mee. Zo kan het aanpassen van voorlopige aanslagen of verzoeken om uitstel van betaling van te betalen belastingaanslagen de nodige liquiditeitsverbeteringen teweegbrengen. Leest u verder de blog van Cynthia den Os - Dral hierover.

Wij verwijzen u tevens graag naar de berichtgeving over de kabinetsmaatregelen op onze website. De maatregelen die het kabinet op 12 maart 2020 bekendmaakte bleken onvoldoende. Daarom heeft het kabinet bij brief van 17 maart 2020, in beginsel voor de komende drie maanden, extra maatregelen afgekondigd die de Nederlandse werknemers, zzp’ers en het Nederlandse bedrijfsleven verder moeten ondersteunen. En op 19 maart 2020 heeft staatssecretaris van Financiën Vijlbrief een verdere versoepeling aangekondigd van de voorwaarden waaronder uitstel van betaling kan worden verkregen voor verschuldigde omzet-, inkomsten-, loon- en vennootschapsbelasting.

Naar boven

3. Verkoopkosten deelneming (deels) aftrekbaar?

Kosten die verband houden met de aan- of verkoop van een deelneming zijn niet aftrekbaar. De wettelijke aftrekbeperking is een open norm. In de praktijk is er vaak discussie met de Belastingdienst over welke kosten als niet-aftrekbare aan- of verkoopkosten kwalificeren. Eind 2018 heeft de Hoge Raad een belangwekkend arrest gewezen waarin de norm verder is ingevuld en de zaak verwezen naar Hof ’s-Hertogenbosch voor verdere feitelijke beoordeling. De procedure is nu ten einde gekomen doordat de staatssecretaris van Financiën zijn cassatieberoep tegen de hofuitspraak heeft ingetrokken.

Kosten die niet zouden zijn gemaakt zonder verkoop

In het arrest van 7 december 2018 heeft de Hoge Raad geoordeeld over de aftrekbaarheid van verkoopkosten. Hij formuleerde daarin de rechtsregel dat uitsluitend kosten die direct verband houden met de aan- of verkoop van een deelneming onder de aftrekbeperking vallen. Dit wordt nader ingevuld door te stellen dat kosten die niet zouden zijn gemaakt zonder aan- of verkoop van de deelneming onder de aftrekbeperking vallen. Als de aan- of verkoop van de deelneming niet doorgaat, vallen de kosten (in beginsel) niet onder de aftrekbeperking.

Boekhoudkundige verwerking aan- en verkoopkosten

Op basis van het arrest van de Hoge Raad moet een belastingplichtige kosten die verband houden met een voorgenomen aan- of verkoop van een deelneming activeren. Deze transitoire actiefpost blijft op de balans van de belastingplichtige staan tot duidelijk wordt of de aan- of verkoop doorgaat. Op het moment van de transactie wordt de transitoire actiefpost afgeboekt en moet worden beoordeeld welke kosten onder de aftrekbeperking vallen.

Welke kosten zijn nu niet aftrekbaar?

De uitspraak van de Hoge Raad geeft enkele handvatten om te bepalen of kosten onder de aftrekbeperking vallen. Helaas blijft veel onduidelijk. Discussies met de Belastingdienst over welke kosten onder de aftrekbeperking vallen zijn vaak erg feitelijk.

De feitelijkheid van deze discussies blijkt ook uit het verloop van deze zaak na het arrest van de Hoge Raad. In zijn arrest van 7 december 2018 verwijst de Hoge Raad de zaak voor verdere feitelijke beoordeling terug naar Hof ’s-Hertogenbosch. Voor het hof stond slechts nog een beperkt deel van de verkoopkosten ter discussie. Het hof oordeelt dat een deel van de gemaakte verkoopkosten niet onder de aftrekbeperking valt. Het gaat hier om kosten die zijn gemaakt bij een eerdere (afgeketste) poging tot verkoop van de deelneming. Deze kosten zouden geen nut meer hebben gehad bij de verkoop die wel doorgang vond. De staatssecretaris van Financiën heeft initieel beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het hof. Dit beroep is ingetrokken. De staatssecretaris heeft aangegeven dat kosten die verband houden met een afgeketste verkoop en die geen nut meer hebben bij een latere verkoop, niet onder de aftrekbeperking vallen.

Lukas van der Veen (vanderveen.lukas@kpmg.com)

Naar boven

4. Informele kapitaalstorting bij wetenschap oninbaarheid huur

Al in 1988 overwoog de Hoge Raad dat de fiscale kwalificatie van een geldverstrekking als een geldlening of een kapitaalverstrekking in beginsel wordt bepaald door de civielrechtelijke vorm van de geldverstrekking. Slechts in drie gevallen wijkt de Hoge Raad voor fiscale doeleinden af van de civielrechtelijke kwalificatie, die zich kortweg laten omschrijven als de schijnlening, de deelnemerschapslening en de bodemlozeputlening. De drie situaties zijn de laatste jaren met enige regelmaat onderwerp van juridische procedures geweest, zo ook in de onderhavige procedure.

Vordering wegens oninbare huur

Belanghebbende verhuurde machines aan een deelneming. Omdat de deelneming de verschuldigde huurpenningen niet kon betalen, verantwoordde belanghebbende de huuropbrengsten niet als winst en nam daarnaast eveneens geen vordering op. Belanghebbende stelde zich hierbij op het standpunt dat tegenover de huurvordering direct een voorziening wegens oninbaarheid zou mogen worden gevormd (zodat – weliswaar per saldo – geen resultaat en geen vordering resteren). Een dergelijke opvatting gaat er allereerst van uit dat ook vanuit fiscale optiek sprake is van een geldlening waarvoor een voorziening kan worden gevormd.

Nu belanghebbende voor Hof Arnhem-Leeuwarden verklaart dat zij reeds ten tijde van het verschijnen van de huurtermijnen wist dat deze nooit door haar deelneming konden worden voldaan, meent het hof dat hiervan geen sprake is. In lijn met jurisprudentie op dit punt was het belanghebbende immers reeds op het moment van verschijnen van de huurpenningen duidelijk dat de lening in het geheel geen waarde toekwam. Het ter leen verstrekte bedrag kon namelijk niet worden terugbetaald.

Volgens het hof is dan ook sprake van een zogenoemde bodemlozeputlening. De geldverstrekking aan haar dochtermaatschappij (ontstaan uit hoofde van de verschuldigde huurtermijnen) moet derhalve worden aangemerkt als een informele kapitaalstorting van belanghebbende in haar deelneming. Omdat bij het ontstaan van de in rekening-courant schuldig gebleven huurpenningen reeds sprake was van een informele kapitaalstorting, kan geen voorziening wegens oninbaarheid worden gevormd en/of een afwaardering ten laste van het resultaat plaatsvinden.

Nick Grieving (grieving.nick@kpmg.com)

Naar boven

5. Bij ruziesplitsing geen vrijstelling overdrachtsbelasting, ondanks vrijstelling vennootschapsbelasting

In de betreffende zaak ging het over een broer en zus die beiden 50% van de aandelen bezaten van een beheermaatschappij met een 100%-dochtermaatschappij. Daarnaast waren de broer en zus de enige bestuurders van de beheermaatschappij. De dochtermaatschappij bezat vorderingen die waren verstrekt aan groepsmaatschappijen en een pand dat werd verhuurd.

De relatie tussen de broer en de zus verliep al jaren erg moeizaam. Er werden verschillende pogingen gedaan om dit vlot te trekken, maar zonder enig succes. In het bedrijf kon de broer alles tegenhouden wat de zus wilde en vice versa. Hierdoor bestond er onenigheid over de rekening-courant, het achterstallig onderhoud aan de panden en het feit dat jaarrekeningen niet werden vastgesteld.

Uiteindelijk hebben broer en zus een voorstel tot splitsing van de beheermaatschappij ondertekend. Ter zake van deze zogeheten ruziesplitsing is een vrijstelling van de heffing vennootschapsbelasting (Vpb) verleend. Een nieuw opgerichte bv van de zus (belanghebbende) verkreeg door de splitsing de aandelen in de dochtermaatschappij met het pand en zou hier in beginsel overdrachtsbelasting (ovb) over moeten betalen. Belanghebbende heeft echter een beroep gedaan op de vrijstelling ovb bij splitsing. De belastinginspecteur ovb was van mening dat deze vrijstelling niet van toepassing was.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Anders dan Rechtbank Gelderland heeft Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 januari 2020 in hoger beroep geoordeeld dat de vrijstelling Vpb bij een splitsing niet automatisch betekent dat de vrijstelling ovb ook verleend moet worden.

Volgens het gerechtshof is namelijk bij de splitsende maatschappij sprake van passief vermogensbeheer, en zakelijke overwegingen voor de splitsing worden volgens het hof uitsluitend aanwezig geacht voor actieve werkzaamheden. Daarnaast heeft belanghebbende volgens het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ondanks het ontbreken van zakelijke overwegingen geen sprake is van een splitsing die in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van ovb. Aldus oordeelt het hof dat de vrijstelling ovb voor deze splitsing niet mag worden verleend.

Wat nu?

Desbetreffende belanghebbende heeft cassatie ingesteld. Het is daarom aan de Hoge Raad om te beoordelen of een vrijstelling bij splitsing bij twee verschillende belastingen op basis van hetzelfde feitencomplex en dezelfde wetteksten kan leiden tot twee verschillende uitkomsten. Daarnaast zal de Hoge Raad wellicht moeten beoordelen of belanghebbende bij passief vermogensbeheer tevens aannemelijk dient te maken dat de splitsing plaatsvond op grond van zakelijke overwegingen.

Lars de Dobbelaere (dedobbelaere.lars@kpmg.com)

Naar boven

6. Belastingdienst start met toezicht op arbeidsrelaties in zorg- en bouwsector

De staatssecretaris van Financiën geeft in zijn brief van 4 februari 2020 aan dat de Belastingdienst momenteel toezicht houdt op arbeidsrelaties in de zorg en een deel van de sector bouw. Eind 2019 is gestart met de opbouw van de hiervoor benodigde extra capaciteit voor onder andere bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken.

In de zorgsector gaat het om toezicht op ziekenhuizen en zelfstandige klinieken. In de sector bouw ligt de focus op (grote) bouwprojecten. Daarnaast wordt toezicht gehouden op bemiddelingsbureaus en intermediaire partijen in voormelde (deel)sectoren.

Opschorting handhaving Wet DBA

Het kabinet werkt aan nieuwe wetgeving over ‘werken als zelfstandige’ ter vervanging van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (hierna: Wet DBA), die naar verwachting in 2021 in werking treedt. De handhaving van de Wet DBA is tot die tijd opgeschort, met uitzondering van de handhaving in gevallen waarin kwaadwillenden een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laten ontstaan of voortbestaan en gevallen waarin opdrachtgevers zich onvoldoende houden aan de aanwijzingen van de fiscus. Ondanks het handhavingsmoratorium heeft de fiscus het toezicht op arbeidsrelaties nu sectorgewijs geïntensiveerd.

Toezichtstrategie

De toezichtstrategie van de Belastingdienst is erop gericht dat burgers en bedrijven bereid zijn uit zichzelf (fiscale) regels na te leven. In dit kader zet de Belastingdienst in op controles, voorlichtingen en het bieden van een helpende hand door te verduidelijken of een arbeidsrelatie wel of geen dienstbetrekking is op basis van de huidige wet- en regelgeving. In zijn brief van 4 februari 2020 geeft de staatssecretaris aan dat bij het toezicht rekening wordt gehouden met het huidige handhavingsmoratorium met betrekking tot de Wet DBA en dat aan eventuele handhaving altijd een zorgvuldige afweging voorafgaat.

Sectorbenadering: toezicht binnen de zorg- en bouwsector

Omdat de problematiek omtrent de kwalificatie van arbeidsrelaties vaak breder voorkomt binnen een bepaalde branche of sector, kiest de Belastingdienst voor sectorspecifiek toezicht. Bovendien wordt met deze benadering beoogd marktverstoring zo veel mogelijk te voorkomen. In zijn brief van 4 februari 2020 gaf de staatssecretaris aan dat de Belastingdienst is gestart met toezicht binnen de zorgsector en een specifiek deel van de sector bouw, maar dat het sectorspecifieke toezicht naar verwachting in de tweede helft van 2020 wordt verbreed. In de Kamerbrief van 24 juni 2019 werden als sectoren waarin mogelijk toezicht gaat plaatsvinden genoemd: onderwijs, ICT, horeca en detailhandel.

Hebt u als opdrachtgever vragen over de kwalificatie van de relatie met uw opdrachtnemers, neemt u dan gerust contact met ons op.

Esther Hoppenbrouwers (hoppenbrouwers.esther@kpmg.com)

Romy Loeffen (loeffen.romy@kpmg.com)

Naar boven

7. Onzakelijk lenen van pensioen-bv levert afkoop van pensioen op

Wie leent van zijn bv moet opletten. Er kan sprake zijn van een onzakelijke lening, waardoor een eventuele afwaardering voor de bv niet aftrekbaar zal zijn. Of de inspecteur gaat een stap verder en stelt dat de lening eigenlijk een uitdeling vormt die belastbaar is in box 2. En als een pensioenaanspraak in de bv zit, kan de conclusie zijn dat afkoop van het pensioen heeft plaatsgevonden met als gevolg loonheffing en revisierente. Dit laatste was het geval in een recente zaak voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Belanghebbende (X) had tot eind 2005 zijn werkzaamheden in de bouwsector uitgevoerd in een bv. Op enig moment zette hij zijn werkzaamheden voort als een IB-onderneming, waarbij hij gebruikmaakte van de mogelijkheid van geruisloze terugkeer uit de bv (dat wil zeggen: zonder fiscale eindafrekening in de bv). De in eigen beheer bij de bv opgebouwde pensioenvoorziening werd toen ondergebracht in een pensioen-bv. Gelijktijdig met de pensioenoverdracht verkreeg de pensioen-bv een vordering op X. De zakelijkheid van deze vordering was niet in geding.

In 2015 had X nieuwe leningen afgesloten bij de pensioen-bv, waarbij een rente van 10% per jaar was overeengekomen. Het bedrag van de nieuwe leningen was beschikbaar gekomen door de uitwinning van een deel van de onderpanden van de pensioenvoorziening, zijnde bedrijfspanden. De activa van de pensioen-bv bestonden alleen nog uit vorderingen op X. De inspecteur stelde zich primair op het standpunt dat X gelden had onttrokken aan de pensioen-bv en subsidiair dat sprake was van onzakelijke leningen. Beide standpunten leidden ertoe dat sprake was van gedeeltelijke afkoop van de pensioenverplichting, waardoor de waarde in het economische verkeer van de totale aanspraak in 2015 tot het belastbaar loon behoorde.

Onzakelijke leningen

X ging hiertegen in beroep bij de rechtbank, maar deze verklaart het beroep ongegrond. De persoonlijke financiële positie van X was dermate zwak dat reeds bij het aangaan van de nieuwe leningen aannemelijk was dat een reële kans op terugbetaling ontbrak. Een onafhankelijke derde zou de leningen onder dezelfde voorwaarden niet aan X hebben verstrekt. Ook is er geen ander rentepercentage te bepalen waaronder dat wel het geval zou zijn geweest. De in 2015 aan belanghebbende verstrekte nieuwe leningen beoordeelt de rechtbank dan ook als onzakelijke leningen.

Afkoop van pensioen

X had over de gelden beschikt in zijn hoedanigheid van rechthebbende op de pensioenaanspraak. Door haar handelen heeft de pensioen-bv, hoewel formeel aangeduid als lening, met het verstrekken van de geldbedragen feitelijk een deel van het pensioen aan belanghebbende uitgekeerd. De pensioen-bv kan hierdoor gezien haar financiële positie niet langer aan haar verplichtingen voldoen, derhalve heeft belanghebbende een bedrag genoten waartegenover een verlies aan pensioenrechten staat. De rechtbank concludeert dat dan sprake is van een (gedeeltelijke) afkoop van pensioen, met als gevolg dat de totale pensioenaanspraak tot het belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden gerekend. Ook is terecht revisierente in rekening gebracht.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.com)

Naar boven

8. Tbs-vordering pas afwaarderen als lagere bedrijfswaarde aannemelijk is

Wie een terbeschikkingstellingsvordering (tbs-vordering) op zijn vennootschap heeft, mag deze pas afwaarderen als hij aannemelijk heeft gemaakt dat de bedrijfswaarde van de vennootschap lager is. Daarna komt pas eventueel de discussie of sprake is van een onzakelijke lening.

Hof Amsterdam moest zich recent buigen over een zaak waarin belanghebbende en haar echtgenoot ieder voor 50% aandeelhouder waren in een ‘limited’ (Ltd.), waarvan zij ook directeur waren. Zij verstrekten in de jaren 2008 tot en met 2011 gelden aan deze Ltd. Deze werden aangegeven als ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen (tbs-vorderingen) in box 1. In hun aangiften inkomstenbelasting 2011 hadden de echtgenoten hun tbs-vordering met 25% afgewaardeerd, wat ten laste kwam van het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in box 1. De inspecteur ging hiermee niet akkoord en baseerde dit op meerdere stellingen: dat de geldverstrekking geen lening vormde maar kapitaal, en anders dat de lening onzakelijk was waardoor de afwaardering niet aftrekbaar is, en anders dat de afwaardering prematuur was.

In hoger beroep voor het hof is niet meer in geschil dat sprake is van een geldlening en dat deze bij de aanvang van de geldverstrekking in 2008 is overeengekomen. Het hof passeert vervolgens de vraag of sprake is van een onzakelijke lening, maar gaat er – veronderstellenderwijs – van uit dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in 2008 verstrekte lening als een lening onder onzakelijke voorwaarden moet worden aangemerkt, en dat hij evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat die lening tijdens haar looptijd door een handelen of nalaten van de crediteur alsnog onzakelijk is geworden.

Dit maakt echter nog niet de weg vrij voor een aftrekbare afwaardering. De bewijslast van de feitelijke gronden voor de per 31 december 2011 gestelde afwaardering van de tot het tbs-vermogen behorende vordering op de Ltd. rust namelijk op belanghebbende, en zij slaagt hierin niet. De afwaardering zou het gevolg zijn van een daling van de bedrijfswaarde van de Ltd. Belanghebbende heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze waardedaling op 31 december 2011 al heeft plaatsgevonden. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.com)

Naar boven

9. Trouwen onder huwelijkse voorwaarden? Ja, ik wil! Maar zonder aanslag schenkbelasting!

Nederlandse schenkbelasting wordt geheven als men een schenking ontvangt van iemand die op het moment van de schenking (fictief) in Nederland woont. Van een schenking is sprake indien de schenker verarmt, de begiftigde verrijkt én er een bevoordelingsbedoeling is. Vaak zal bij het aangaan van een huwelijk in gemeenschap van goederen geen sprake zijn van een bevoordelingsbedoeling en ook niet van een voltooide vermogensverschuiving (verarming/verrijking). Tijdens het huwelijk kan het vermogen in de huwelijksgemeenschap nog wijzigen. De Hoge Raad heeft dit in oude jurisprudentie bevestigd. Het maakt niet uit dat het einde van het huwelijk in zicht is, zoals bij een huwelijk op het sterfbed.

Het huwelijksvermogensrecht wordt als estateplanningmiddel gebruikt om in de verzorging van echtgenoten te voorzien. In de praktijk bestaat discussie over de vraag of in bepaalde gevallen toch sprake kan zijn van een schenking bij het aangaan van een huwelijk of het wijzigen van huwelijkse voorwaarden. Denk daarbij aan een beperkte huwelijksgemeenschap waarin één vermogensbestanddeel wordt ingebracht. Volgens de staatssecretaris kan dan sprake zijn van een schenking.

Het huwelijkscadeau van Hof Arnhem-Leeuwarden

Op 10 december 2019 heeft Hof Arnhem-Leeuwarden een belangrijke uitspraak gewezen. De casus in het kort: in 2008 hebben man en vrouw voor hun huwelijk in huwelijkse voorwaarden vastgelegd dat sprake is van een beperkte gemeenschap waartoe een bankrekening ten name van hen beiden behoort. Daarna, maar nog voor het huwelijk, heeft de man een bedrag van € 10 miljoen op deze rekening gestort. In 2012 is de man overleden.

De inspecteur heeft een navorderingsaanslag schenkbelasting opgelegd aan de vrouw voor een verkrijging van € 5 miljoen. Volgens de inspecteur heeft de man door de storting een vorderingsrecht op de bank verkregen en is door het aangaan van het huwelijk een beperkte gemeenschap ontstaan ten aanzien van dit vorderingsrecht. Dit leidt tot een definitieve vermogensverschuiving naar de vrouw van € 5 miljoen.

Net als de rechtbank oordeelt het hof dat geen sprake is van een voltooide vermogensverschuiving. Zolang de beperkte gemeenschap bestaat, is niet bekend wat de echtgenoten aan het einde van de gemeenschap kunnen verdelen. Van een schenking is dan ook geen sprake. Het hof hecht hierbij niet alleen waarde aan de tekst van de huwelijkse voorwaarden, maar ook aan de bedoeling van partijen.

Belang voor de praktijk

Tegen de uitspraak van het hof is cassatie ingesteld en de estateplanningpraktijk wacht met smart op de uitspraak van de Hoge Raad. Ook nu zijn er verschillende mogelijkheden om het huwelijksvermogensrecht als estateplanningmiddel te gebruiken. Om heffing van schenkbelasting te voorkomen is een zorgvuldige formulering van de huwelijkse voorwaarden vereist. Benieuwd naar de mogelijkheden? Neemt u dan contact met ons op.

Mirjam Wesselink (wesselink.mirjam@kpmg.com)

Naar boven

10. Bij tijdelijke verhuur onderneming toch voldaan aan voortzettingseis BOR

De tijdelijke verhuur van een onderneming hoeft niet in de weg te staan aan de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de Successiewet. Na de tijdelijke verhuur komt de exploitatie terug bij de verhuurder. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is daarmee nog steeds aan het voortzettingsvereiste voldaan.

Een zoon (belanghebbende) kreeg in 2014 van zijn vader alle aandelen in een holding geschonken die alle aandelen hield in een andere holding. Deze was op haart beurt eigenaar van een benzineservicestation, dat ze verhuurde aan haar dochtervennootschap die het benzinestation exploiteerde. Met ingang van 1 november 2015 verhuurde de dochtervennootschap het benzineservicestation voor vijf jaar aan een derde, met een optieperiode van nogmaals vijf jaar.

Bij de schenking van de aandelen aan de zoon is een beroep gedaan op de BOR. Een eis voor deze faciliteit is dat de onderneming ten minste vijf jaar wordt voortgezet. In geschil voor de rechtbank was of door de verhuur van de onderneming aan de derde nog aan de voortzettingseis werd voldaan.

De rechtbank wijst erop dat de Hoge Raad in 1955 heeft aangegeven dat van voortgezet ondernemerschap geen sprake meer kan zijn als de onderneming wordt overgedragen. Volgens de rechtbank is met de verhuur van de onderneming in dit geval geen sprake van overdracht door de zoon van de onderneming of delen daarvan. Er heeft geen overdracht van vermogensbestanddelen plaatsgevonden. Belanghebbende blijft als verhuurder eigenaar van het ondernemingsvermogen. De verhuur is van tijdelijke aard, althans de inspecteur heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De exploitatie van de onderneming komt uiteindelijk bij belanghebbende terug. De oorspronkelijke onderneming wordt voortgezet, alleen de wijze van exploitatie ervan wijzigt voor een tijdelijke periode. Hiermee is volgens de rechtbank nog steeds aan het voortzettingsvereiste voldaan.

Ratio van de regeling

De rechtbank acht dit ook passen binnen de ratio van de regeling. De wetgever vond het vanuit algemeen sociaal-economisch belang onwenselijk dat een onderneming die overgaat door vererving of schenking moet worden gestaakt of geforceerd moet worden verkocht, zonder dat de bedrijfsresultaten daar aanleiding toe geven. In dit geval heeft de zoon geen liquiditeiten gerealiseerd waarmee hij de schenkbelasting kan voldoen. Het vermogen zit vast in de onderneming. Hij heeft ter zitting onweersproken gesteld dat verhuur van de onderneming op dat moment voor hem de enige mogelijkheid was om de onderneming, en daarmee ook de werkgelegenheid voor zijn personeel, te behouden.

Tegen de uitspraak van de rechtbank is hoger beroep aangetekend bij Hof Den Bosch.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.com)

Naar boven

11. Kunst en fiscaliteit: lees onze blogs

Bij estate planning draait het om de overdracht van uw vermogen naar de volgende generatie(s) tegen een aanvaardbaar belastingtarief. Dit kan gaan om een erfenis bij overlijden, maar ook om een overdracht tijdens leven. Een dergelijk proces heeft betrekking op uw gehele vermogen en dus ook op uw kunstcollectie. De overheid stimuleert het geven aan en investeren in kunst met verschillende fiscale faciliteiten. Een goede regeling voor uw kunstbezit kan u daarom (flinke) fiscale voordelen opleveren. Collega’s uit de estateplanningpraktijk hebben in een blogreeks aandacht besteed aan de fiscale aspecten van kunst. Het betreft de volgende blogs:

Naar boven

12. Contact

Mocht u naar aanleiding van deze of andere onderwerpen vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met de adviseurs van Meijburg & Co die bij de onderwerpen in deze nieuwsbrief staan vermeld, of uiteraard met uw vaste aanspreekpunt binnen Meijburg & Co.

Naar boven

© 2020 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.