Fiscale Zaken voor Familie & Bedrijf – april 2022

5 april 2022
Fiscale Zaken voor Familie & Bedrijf – april 2022

Beste lezer,

Dit is een nieuwe editie van onze digitale nieuwsbrief Fiscale Zaken voor Familie & Bedrijf. Hierin laten wij in begrijpelijke taal een aantal fiscale zaken de revue passeren die van belang zijn voor familiebedrijven. Daarbij schenken wij aandacht aan een zo breed mogelijke waaier van belastingen, zodat u hopelijk iets van uw gading terugvindt. Wij wensen u veel leesplezier!

Olaf Leurs en Maarten Merkus
Marktgroep Familie & Bedrijf

Naar boven

Inhoud

Naar boven

1. Column: oorlogsvoorziening

De stof van de coronacrisis is nog niet neergedaald, of we zijn in een grote Europese oorlog gerold. Die oorlog heeft naast de ongelofelijke menselijke drama’s ook grote economische gevolgen. Ook Nederlandse ondernemers zullen die gevolgen gaan voelen.

De komende maanden worden de jaarrekeningen over 2021 opgesteld en in het verlengde daarvan ook de aangiftes vennootschapsbelasting. Op het moment dat we die aangiftes gaan maken, zal duidelijk zijn of de vordering op die Wit-Russische cliënt, de investering in die Russische OOO (vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) en de intercompanyvordering op die Russische groepsmaatschappij nog waarde hebben. Veelal zal die waarde zijn afgenomen of zelfs helemaal zijn verdwenen. Kan daarmee dan in de 2021-aangifte al rekening worden gehouden?

Hoewel de invasie achteraf gezien wellicht voorspelbaar was, waren er weinig mensen die eind 2021 wisten dat dit zou gaan gebeuren. De inval vond plaats op 24 februari 2022 – wederom een datum ‘which will live in infamy’ – en is daarmee een gebeurtenis na balansdatum. Dit betekent dat er in 2021 nog geen afwaarderingen zullen plaatsvinden of voorzieningen kunnen worden gevormd. Dat geldt ook voor de commerciële jaarrekening, zoals al werd gecommuniceerd door de Raad voor de Jaarverslaggeving. Ook voor de fiscale winstvaststelling zal de last pas in 2022 genomen kunnen worden.

In het kader van de coronacrisis speelde iets vergelijkbaars, maar dan ter zake van de aangiftes over 2019. Daar is toen een aparte regeling voor getroffen, de coronareserve. Op grond van die regeling mochten de te verwachten verliezen over 2020 die verband hielden met de coronacrisis al in 2019 in aftrek worden gebracht. Om de lasten die voortkomen uit de Oekraïne-oorlog al in 2021 te kunnen aftrekken, zou een vergelijkbare regeling nodig zijn.

Olaf Leurs (leurs.olaf@kpmg.com)

Naar boven

2. Geen verplichting tot activeren verlies afkoop renteswap

De in een boekjaar genoten fiscale winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik. Dit fiscale begrip regelt de toerekening van de totale winst van een onderneming aan de verschillende jaren en is gebaseerd op de bedrijfseconomische inzichten over winstbepaling. Dat goed koopmansgebruik nog steeds volop in ontwikkeling is, blijkt uit het volgende arrest van de Hoge Raad van 25 februari 2022.

De casus

De belastingplichtige, een woningcorporatie, heeft het renterisico van leningen met een variabele rente afgedekt met renteswaps. Als onderdeel van de renteswapverplichtingen dient zij onder omstandigheden te voldoen aan ‘margin calls’. Op basis hiervan moet de woningcorporatie – afhankelijk van de marktrentestand – liquiditeit als onderpand storten bij de ‘swapbank’. Deze verplichting wordt als gevolg van de lage marktrente zodanig omvangrijk dat de woningcorporatie dreigt niet meer door een verplichte ‘stresstest’ te komen en haar status als woningcorporatie te verliezen. In 2014 koopt zij daarom de renteswaps af en herfinanciert zij de onderliggende leningen met variabele rente naar leningen met een vaste rente. De afkoopsom brengt de belastingplichtige in één keer ten laste van haar winst.

De vraag die bij de Hoge Raad voorlag, was of – in het geval waarin een renteswap samenhangt met een variabel rentende lening, waarbij het risico van margin calls wordt gelopen en deze variabel rentende lening dan wordt vervangen door een vastrentende lening – goed koopmansgebruik ertoe verplicht de afkoopsom te activeren en te amortiseren. 

Het oordeel

De Hoge Raad beantwoordt bovenstaande vraag ontkennend. Het is hierbij volgens de Hoge Raad niet van belang wat het motief van afkoop is, of de nieuwe vastrentende lening al dan niet wordt aangegaan bij een andere bank en of de nieuwe situatie per saldo financieel voor- of nadelig is. Activering lijkt volgens de Hoge Raad slechts aan de orde te komen als zowel voor als na de afkoop sprake is van gelijke omstandigheden. Dit is blijkbaar niet het geval indien een door middel van een swapcontract met margin calls afgedekte variabele lening wordt vervangen door een vastrentende lening.

Nick Grieving (grieving.nick@kpmg.com)

Naar boven

3. Gedeeltelijke kwijtschelding koopsom deelneming valt niet onder deelnemingsvrijstelling

De vrijval van een schuld levert fiscale winst op. In een recent door Rechtbank Zeeland-West-Brabant berechte casus probeerde de belastingplichtige tevergeefs de vrijval toch onbelast te krijgen door deze onder de werking van de deelnemingsvrijstelling te brengen.

De casus

Op 14 november 2008 kocht BV 2 alle aandelen in BV 1 van een derde partij X. De koopsom werd deels gelijk betaald. Voor het nog resterende deel (€ 550.000) is koper per (ver)koopdatum een geldlening aangegaan bij verkoper. Volgens de leningsovereenkomst zou de lening vanaf 1 april 2010 in vijf gelijke delen in termijnen van elk een jaar worden afgelost. Nadat de resultaten van BV 1 na de koop tegenvielen, kon BV 2 zowel in 2010 als 2011 niet aan haar aflossingsverplichting voldoen. In die jaren heeft BV 2 totaal slechts € 110.000 afgelost. Dat bedrag is gelijk aan een van de vooraf afgesproken termijnen.

Na 2011 bleven de aflossingen tot en met 2013 helemaal uit. De twee partijen zijn daarom in 2014 overeengekomen dat BV 2 nog een volledige termijn (van € 120.000) zou betalen en dat de resterende schuld (€ 323.300 inclusief rente) daarbij zou worden kwijtgescholden.

Geschil

In geschil was of de kwijtschelding van de resterende schuld fiscaal kon worden gezien als een aanpassing van de originele verkoopprijs. Een dergelijke aanpassing valt normaliter onder de deelnemingsvrijstelling en raakt het fiscale resultaat niet. Dit zou voor koper positief zijn geweest, omdat daarmee een vrijval van een schuld onbelast kon blijven. De rechtbank (en de Belastingdienst) volgen koper echter niet.

Koper is er niet in geslaagd te bewijzen dat een aanpassing van de koopprijs heeft plaatsgevonden. Hierop geeft de rechtbank een toelichting.

BV 2 en X staan in verschillende rechtsverhoudingen tot elkaar. Enerzijds zijn zij koper en verkoper, anderzijds zijn zij schuldenaar en schuldeiser. De overeenkomst van het kwijtschelden van de resterende schuld in 2014 heeft duidelijk betrekking op die laatste rechtsverhouding. Er kan daarom geen sprake zijn van een aanpassing van de koopprijs en de kwijtschelding kan dus niet onder de deelnemingsvrijstelling vallen.

Als de koopovereenkomst voorzien zou hebben in een mogelijkheid om de koopsom aan te passen bij tegenvallende resultaten, dan was het vermoedelijk wel mogelijk geweest van een (onbelaste) prijsaanpassing te spreken.

Remmel van Dijk (vandijk.remmel@kpmg.com)

Guido van Driel (vandriel.guido@kpmg.com)

Naar boven

4. Opknippen van onderneming kan lonen

Door de verdere verhoging van het hoge Vpb-tarief in 2022 (25,8% tegenover het lage tarief van 15%) en de verruiming van de eerste schijf (van € 245.000 naar € 395.000) lijken steeds meer bedrijven hierop in te spelen door hun ondernemingen ‘op te knippen’ in verschillende vennootschappen.

Monitoring opknippen van ondernemingen

De staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat dit opknippen zal worden gemonitord en dat in de loop van 2022 meer bekend zal worden gemaakt over de mate waarin dit zich in de praktijk voordoet. Hij noemt tevens drie opties om ongewenste fragmentatie eventueel op te lossen: het verlagen van de schijfgrens, het minder uiteen laten lopen van het lage en hoge tarief óf het invoeren van complexe antifragmentatiebepalingen.

Uitvoeringstechnisch lijken de wankele IT-systemen van de Belastingdienst het niet toe te laten complexe bepalingen in te voeren en budgettair zal de verlaging van het hoge Vpb-tarief niet haalbaar zijn. Een verhoging van het lage Vpb-tarief of een verlaging van de schijf lijken daarmee de meest reële opties.

Fragmentatie in andere wetgeving

De vennootschapsbelasting kent een aantal andere regelingen waarin risico’s op fragmentatie eveneens zijn onderkend, zoals bij de toepassing van de liquidatieverliesregeling of de generieke renteaftrekbeperking. Ook bij deze regelingen heeft de wetgever geen antifragmentatiebepalingen in de wettekst opgenomen. Eventuele strijdigheden met doel en strekking van de wet kunnen alsnog door de inspecteur worden bestreden aan de hand van het ‘misbruik-van-rechtleerstuk’. Een soortgelijke invalshoek kan wellicht ook worden gehanteerd bij het opknippen van ondernemingen vanwege het lage schijftarief.

Uit de fiscale eenheid?

De fiscale eenheid biedt belastingplichtigen diverse voordelen, zoals het onderling verrekenen van verliezen en het geruisloos overdragen van vermogensbestanddelen. Naast deze voordelen kent de fiscale eenheid een duidelijk nadeel: men kan slechts eenmaal gebruikmaken van de lage schijfgrens. De verruiming van deze schijfgrens heeft ertoe geleid dat dit nadeel effectief is toegenomen van € 24.500 naar € 42.660 per gevoegde maatschappij. In de praktijk wordt de keuze voor het al dan niet aangaan of verbreken van de fiscale eenheid hierdoor dan ook sterk beïnvloed. Aangezien deze keuze per definitie is ingegeven door de fiscaliteit, acht de staatssecretaris een dergelijke manier van fragmentatie niet onwenselijk.

Fragmentatie in de toekomst

Aangezien een zekere mate van opknippen naar aanleiding van de schijfverhoging door de staatssecretaris is voorzien, is het niet aannemelijk dat de wetgever tot de conclusie zal komen dat te veel ondernemingen zich opknippen. Toch blijft het huidige gat tussen het lage en hoge Vpb-tarief aanleiding geven tot arbitrage. 

Joey Poot (poot.joey@kpmg.com)

Naar boven

5. Mogelijk geen verzekeringsplicht voor dga’s als minderheidsaandeelhouders

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat mogelijk geen sprake is van verzekeringsplicht voor directeuren-grootaandeelhouders (‘dga’s’) als minderheidsaandeelhouders wanneer een managementovereenkomst is gesloten tussen de werk-bv met de persoonlijke houdstervennootschappen van de aandeelhouders.

Het verrichten van werkzaamheden via persoonlijke houdstervennootschappen

Twee dga’s hebben de dagelijkse leiding over een bv. De dga’s hebben via hun eigen persoonlijke vennootschap ieder een indirect 24%-aandelenbelang in de bv. Een van de dga’s is gedurende een aantal jaren persoonlijk benoemd als statutair bestuurder van de werk-bv. Hiervoor hebben de houdstervennootschappen beide een managementovereenkomst met de werk-bv gesloten. Op grond hiervan betaalt de werk-bv managementvergoedingen aan de persoonlijke vennootschappen, die op hun beurt loon aan de dga’s betalen. De inspecteur stelt dat de dga’s in dienstbetrekking staan tot de werk-bv en dat dga’s daarom verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen.

Nadere motivering nodig

Hof Arnhem-Leeuwarden ziet inderdaad een arbeidsovereenkomst tussen de bv en de dga’s en stelt de inspecteur daarmee in het gelijk. De Hoge Raad neemt de zaak echter nog eens onder de loep en vindt het zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat civielrechtelijk moet worden uitgegaan van dienstbetrekkingen tussen de dga’s en de werk-bv, in plaats van dienstbetrekkingen tussen de dga’s en hun persoonlijke houdstervennootschappen. Het hof heeft onvoldoende laten zien dat in de eerstgenoemde verhouding aan de drie voorwaarden voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan, namelijk arbeid, loon en gezag.

Belang civielrechtelijke arbeidsovereenkomsten

De Hoge Raad staat voor de premieplicht voor de werknemersverzekeringen helaas niet stil bij de gevolgen van het al dan niet persoonlijk benoemd zijn tot statutair bestuurder van de werk-bv. Uit deze uitspraak volgt duidelijk dat de tussenliggende houdstervennootschappen voor toepassing van de premieheffing niet zomaar mogen worden genegeerd. De Hoge Raad hecht veel waarde aan de civielrechtelijke arbeidsovereenkomsten tussen de dga’s en de bv en geeft aan dat hier niet zomaar doorheen mag worden gekeken. De Hoge Raad heeft de zaak naar Hof Den Bosch verwezen voor nader onderzoek.

Wilt u als dga meer inzicht in uw socialezekerheidspositie, aarzel dan niet om contact met ons op te nemen.

Esther Hoppenbrouwers (hoppenbrouwers.esther@kpmg.com)

Dehlia List (list.dehlia@kpmg.com)

Naar boven

6. Kabinet geeft langetermijnvisie op coronasteun

Op 1 april 2022 heeft het kabinet in een brief aan de Tweede Kamer zijn langetermijnvisie op coronasteun gegeven. Van bedrijven wordt in de toekomst verwacht dat ze zich zonder steun aan de meeste contactbeperkende maatregelen kunnen aanpassen.

Open samenleving

De langetermijnvisie op corona stoelt op het uitgangspunt dat de samenleving open is. In de wetenschap dat corona helaas aanwezig blijft en dat de generieke steunmaatregelen op de lange termijn onhoudbaar zijn, hoort hier een terugkeer bij naar de reguliere economische dynamiek zonder steunpakketten. Ook een terugkeer naar een normale balans voor de verdeling van risico’s tussen ondernemers en de samenleving zoals we die voor de coronacrisis kenden, is onderdeel van de langetermijnvisie.

Geen generieke steun

Generieke steun, zoals de NOW en de TVL, is in de toekomst geen passende optie. In die uitzonderlijke gevallen waar steun wel nodig lijkt te zijn, ligt gerichte – en bij voorkeur sectorale – steun meer voor de hand. De uitgangspunten voor gerichte steun zijn dat ze doelmatiger zijn, een minder verstorende werking op de economie hebben en dat er meer elementen in zitten die de maximale duur van steun aan individuele bedrijven beperken. Specifiek gaat het daarbij om langdurige sluitingen waarop ondernemers niet kunnen anticiperen en waarbij er onvoldoende ruimte tot aanpassing is. De ondernemer moet op contactbeperkende maatregelen kunnen inspelen.

Monitoring schulden ondernemers

Het kabinet heeft aandacht voor ondernemers die hun schuldenpositie hebben zien toenemen. Er is een breed instrumentarium beschikbaar om ondernemers hierbij te helpen. Daarnaast heeft het kabinet besloten om de huidige schuldensituatie intensief in de gaten te houden en opties te verkennen die eventueel kunnen bijdragen aan het ondersteunen van ondernemers met coronaschulden.

De Kamer van Koophandel (KvK) werkt in samenspraak met MKB-Nederland, VNO/NCW, het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een verbetering van de informatievoorziening voor ondernemers met schulden. Onderdeel hiervan is de ontwikkeling van een stappenplan voor deze ondernemers. Via dit stappenplan kan de ondernemer beoordelen hoe de onderneming er financieel voor staat en wordt hij ook gewezen op de juiste hulp en organisaties die passen bij zijn individuele schuldensituatie.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.com)

Naar boven

7. Ondanks ontbreken nieuw feit kan inspecteur navorderingsaanslag opleggen wegens kenbare fout

Om te weinig geheven inkomstenbelasting te kunnen navorderen, zal de inspecteur in de regel over een nieuw feit moeten beschikken dat navordering rechtvaardigt. Dit betreft een feit waarmee de inspecteur niet bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Een uitzondering geldt als de belastingplichtige te kwader trouw is geweest. Ook kan de inspecteur zonder nieuw feit navorderen als de aanslag te laag is door een kenbare fout. Recent heeft Hof Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin dit speelde.

Het berechte geval betrof een directeur-grootaandeelhouder (‘dga’) die in overleg was met de inspecteur over zijn oplopende rekening-courantschuld bij zijn bv. De dga gaf aan dat hij nadere afspraken zou maken met zijn bv over de (gedeeltelijke) kwijtschelding van zijn schuld. Eventueel zou dat gebeuren in combinatie met een aflossingsschema van resterende schulden. In de jaren 2014 en 2015 liep de rekening-courantschuld echter verder op met € 355.567 respectievelijk € 111.131. Toch gaf de dga over die jaren de toename van de rekening-courantschuld niet op als inkomen uit aanmerkelijk belang. De inspecteur volgde aanvankelijk de ingediende aangifte, maar legde later navorderingsaanslagen op waarin de toename van de rekening-courantschuld als inkomen uit aanmerkelijk belang werd aangemerkt. De dga stelt echter dat geen sprake is van een nieuw feit en evenmin van een kenbare fout.

Nieuw feit

Het hof oordeelt dat de inspecteur geen reden had om aan te nemen dat de aangifte over 2014 onjuist was. De dga had tot en met het jaar 2013 de rekening-courantschuld opgenomen in box 3. Een negatief box 3-inkomen hoeft echter niet in de aangifte te worden ingevuld, waardoor een verdere stijging van de rekening-courantschuld niet opviel. In zijn correspondentie met de inspecteur had de dga bovendien aangegeven zijn schuldpositie te willen terugbrengen. Ook daardoor mocht de inspecteur ervan uitgaan dat de aangifte over 2014 juist was. De ontdekking dat dit niet zo was, vormde volgens het hof een nieuw feit. De inspecteur kon dus navorderen over 2014.

Kenbare fout

Wat betreft de aangifte over 2015 is volgens het hof geen sprake van een nieuw feit. Tegen de tijd dat de dga deze aangifte had ingediend, werd diens financiële positie al onderzocht door de Belastingdienst. De inspecteur was dus op de hoogte van de toename van de rekening-courantschuld. Per abuis had hij nagelaten de geautomatiseerde afdoening en verwerking van de aangifte te blokkeren, zodat de aangifte toch was geaccepteerd. Vervolgens was het de vraag of sprake is geweest van een fout bij het opleggen van de aanslag die redelijkerwijs kenbaar was. Een kenbare fout wordt wettelijk verondersteld als het bedrag aan te weinig geheven belasting minstens 30% is van het verschuldigde bedrag. Op deze 30%-regel bestaat een uitzondering, namelijk wanneer de belastingplichtige in redelijkheid kon menen dat de aanslag, hoewel tot een te laag bedrag, op goede gronden is vastgesteld. Gezien zijn overleg met de inspecteur over de afwikkeling van de rekening-courantschuld kon de dga zich niet op deze uitzondering beroepen. Aangezien ook aan de 30%-regel werd voldaan, was het kenbaarheidsvereiste van toepassing. De inspecteur kon dus ook over 2015 navorderen.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.com)

Naar boven

8. Huwelijksgemeenschap met ongelijke breukdelen in het zicht van overlijden: fraus legis

Het huwelijksvermogensrecht wordt vaak ingezet als ‘estateplanningsmiddel’ om op een fiscaal optimale wijze in de verzorging van echtgenoten te voorzien. Begin dit jaar schokte Hof Amsterdam de praktijk met een opvallende uitspraak: volgens het hof is het creëren van een huwelijksgemeenschap met ongelijke breukdelen in het zicht van overlijden strijdig met doel en strekking van de wet (fraus legis), wat leidt tot belastingheffing.

Huwelijkse voorwaarden als estateplanningsmiddel

Uit oude jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het aangaan van een huwelijk waarbij een gemeenschap van goederen ontstaat, niet leidt tot een belaste schenking. Tijdens het huwelijk kan het vermogen nog wijzigen, waardoor geen sprake is van een zogenoemde voltooide vermogensverschuiving. Het maakt niet uit dat de gemeenschap ontstaat indien het einde van het huwelijk in zicht is, zoals bij een huwelijk op het sterfbed. Uit een recente uitspraak van de Hoge Raad volgt dat dit nog altijd de heersende leer is.

Het is mogelijk om in de huwelijkse voorwaarden te bepalen dat de echtgenoten een andere gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap zullen hebben dan 50/50. Wanneer het huwelijk eindigt, wordt de gemeenschap verdeeld op basis van de afgesproken breukdelen. Op 4 januari 2022 heeft Hof Amsterdam geoordeeld dat sprake is van fraus legis wanneer in het zicht van overlijden huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan waarbij echtgenoten afspreken een ongelijk aandeel in de huwelijksgemeenschap te krijgen (in de verhouding 90/10).

De casus

Na een relatie van 33 jaar besluiten een man en vrouw om in 2015 in het huwelijk te treden. Door de huwelijksvoltrekking ontstaat tussen de echtgenoten een wettelijke gemeenschap van goederen waartoe ieder voor 50% gerechtigd is. In 2017 is bij huwelijkse voorwaarden bepaald dat bij ontbinding van het huwelijk de vrouw gerechtigd zou zijn tot 90% van het vermogen en de man tot de resterende 10%. De man, de meestvermogende echtgenoot, was op dat moment al ernstig ziek. Binnen twee maanden na het opstellen van de huwelijkse voorwaarden overlijdt de man, met achterlating van zijn echtgenote als zijn enig erfgenaam.

Anders dan Rechtbank Noord-Holland op 20 november 2020, concludeert het hof dat sprake is van fraus legis. Volgens het hof wordt een wettelijke bepaling die ziet op schenkingen binnen 180 dagen voor overlijden miskend, waardoor het aangaan van deze huwelijkse voorwaarden kwalificeert als een schenking. Verder is het hof van mening dat het ontgaan van erfbelasting het doorslaggevende motief was voor het aangaan van deze huwelijkse voorwaarden. Omdat de wijziging wordt aangemerkt als een schenking die binnen 180 dagen voor het overlijden heeft plaatsgevonden, wordt de bevoordeling van de vrouw op grond van de Successiewet aangemerkt als een verkrijging krachtens erfrecht. Ondanks de huwelijkse voorwaarden is de vrouw erfbelasting verschuldigd over 50% van de huwelijksgemeenschap in plaats van over 10%.

Gevolgen voor de praktijk

Tegen de uitspraak is cassatie ingesteld. De estateplanningpraktijk wacht met smart op de uitspraak van de Hoge Raad. Mits zorgvuldig vormgegeven, kan het huwelijksvermogensrecht echter nog altijd als estateplanningsmiddel worden gebruikt. Bent u benieuwd naar de mogelijkheden? Neemt u dan contact met ons op.

Mirjam Wesselink (wesselink.mirjam@kpmg.com)

Naar boven

9. Kabinet verlaagt schenkingsvrijstelling eigen woning per 1 januari 2023

Staatssecretaris Van Rij van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer geschreven dat het kabinet de schenkingsvrijstelling eigen woning (ook wel bekend als de ‘jubelton’) per 1 januari 2023 zal verlagen tot € 27.231. Per 1 januari 2024 wordt de vrijstelling helemaal afgeschaft, zoals ook is afgesproken in het coalitieakkoord.

Mensen tussen de 18 en 40 jaar kunnen nu nog een belastingvrije schenking voor de eigen woning krijgen van € 106.671. Het kabinet heeft op verzoek van de Tweede Kamer gekeken of het mogelijk was de vrijstelling al per 2023 af te schaffen of te verlagen. De conclusie was dat afschaffing per 2023 niet mogelijk is. Gezien de omvang van de aanpassing die hiervoor nodig is in de systemen van de Belastingdienst kan afschaffing pas per 2024. Een verlaging is een minder omvangrijke aanpassing en is per 2023 wel mogelijk.

Naast de vrijstelling eigen woning bestaat voor ouders de mogelijkheid om hun kind eenmalig een bedrag van € 27.231 – dat het kind vrij mag besteden – belastingvrij te schenken. In 2023 wordt de vrijstelling eigen woning naar ditzelfde bedrag verlaagd. Ouders kunnen dit bedrag of schenken voor de eigen woning of voor vrije besteding, niet voor beide.

De verlaging van de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning wordt opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2023, dat op Prinsjesdag (20 september 2022) bij de Tweede Kamer zal worden ingediend.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.com)

Naar boven

10. Contact

Mocht u naar aanleiding van deze of andere onderwerpen vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met de adviseurs van KPMG Meijburg & Co die bij de onderwerpen in deze nieuwsbrief staan vermeld, of uiteraard met uw vaste aanspreekpunt binnen KPMG Meijburg & Co.

Naar boven

© 2022 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.