De België-Holland nieuwsbrief verschijnt maandelijks met uitzondering van juli en augustus. In deze nieuwsbrief gaan wij in op actuele ontwikkelingen op het fiscaal gebied in Nederland en België.

Naar boven


Inhoud

Naar boven


1. Afwaarderingsverlies op na emigratie ontstane vordering van Nederbelg niet aftrekbaar

Emigreren heeft verstrekkende (fiscale) gevolgen en het bepalen van de fiscale positie van een natuurlijke persoon bij of na emigratie is complex. De wetgeving op dit vlak is aan verandering onderhevig en levert al jarenlang interessante jurisprudentie op. Hierna bespreken wij de casus waarover de Nederlandse Hoge Raad op 15 maart 2019 heeft geoordeeld.
 
Casus
Belanghebbende woont in België en heeft een aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap A BV. Deze vennootschap heeft een meerderheidsbelang in de eveneens in Nederland gevestigde vennootschap B BV. In 2006 is belanghebbende geëmigreerd van Nederland naar België. In verband met de emigratie is aan belanghebbende door Nederland een conserverende aanslag opgelegd ten aanzien van zijn aandelen A BV.
 
In 2009 – drie jaar na emigratie – heeft belanghebbende twee leningen van in totaal € 140.000 verstrekt aan B BV. Op grond van de terbeschikkingstellingsregeling is belanghebbende ter zake van deze leningen buitenlands belastingplichtig voor toepassing van de Nederlandse inkomstenbelasting en zijn – op basis van nationaal Nederlands recht – de (rente)voordelen die bij belanghebbende opkomen uit deze leningen als resultaat uit overige werkzaamheden progressief belast in box 1.
 
Belanghebbende heeft bovengenoemde leningen en de samenhangende rentevorderingen in 2011 afgewaardeerd tot € nihil en stelt dat de afwaarderingsverliezen van € 140.000 door Nederland als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking dienen te worden genomen. De Nederlandse inspecteur is het niet eens met dit standpunt en corrigeert de aftrek van de afwaarderingsverliezen.
 
Niet in geschil is dat belanghebbende de afwaarderingsverliezen naar nationaal Nederlands recht ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden kan brengen. In geschil is of het belastingverdrag tussen Nederland en België (hierna: het Verdrag) hieraan in de weg staat.
 
Oordeel

De Hoge Raad baseert zich op het vervreemdingsartikel in het Verdrag: artikel 13. Artikel 13, lid 4 wijst het heffingsrecht over de voordelen uit de vervreemding van aandelen, winstbewijzen en vorderingen toe aan de woonstaat (in casu: België). Artikel 13, lid 5 maakt hierop een uitzondering en bepaalt dat het heffingsrecht over deze voordelen toekomt aan de bronstaat (in casu: Nederland) indien:

  1. belanghebbende een aanmerkelijk belang heeft (vrij vertaald);
  2. belanghebbende in de loop van de laatste tien jaren voorafgaand aan het jaar waarin de voordelen worden verkregen inwoner van deze staat is geweest; en
  3. ter zake van de emigratie van belanghebbende uit deze staat een conserverende aanslag is opgelegd en deze aanslag nog (gedeeltelijk) open staat.
Omdat aan voorwaarden a en b is voldaan, spitst het oordeel zich toe op voorwaarde c. Nu aan belanghebbende in het kader van zijn emigratie in 2006 een conserverende aanslag werd opgelegd en van deze aanslag in 2011 nog een bedrag open stond, neigt men ernaar te stellen dat artikel 13, lid 5 van toepassing is. De Hoge Raad oordeelt echter, naar onze mening terecht, dat artikel 13, lid 5 niet van toepassing is.
 
De Hoge Raad baseert zich onder meer op de gezamenlijke toelichting van België en Nederland bij het Verdrag. De Hoge Raad leidt hieruit af dat de uitzondering op grond van artikel 13, lid 5 het heffingsrecht over de waardeaangroei van vermogensbestanddelen toewijst aan Nederland voor zover deze aangroei zich heeft voorgedaan voorafgaand aan de emigratie naar België en bij het opleggen van de conserverende aanslag in aanmerking is genomen.
 
In casu betreft de conserverende aanslag de waardeaangroei van de aandelen A BV tot het moment van de emigratie van belanghebbende in 2006. Omdat de leningen werden verstrekt in 2009, was op het moment van de emigratie de terbeschikkingstellingsregeling nog niet van toepassing en is bij het opleggen van de conserverende aanslag met enige waardeverandering van de vorderingen van belanghebbende geen rekening gehouden.
 
Op basis van het bovenstaande oordeelt de Hoge Raad dus dat artikel 13, lid 5 van het Verdrag in casu niet van toepassing is en dat het heffingsrecht over de betwiste vervreemdingsvoordelen niet aan Nederland toekomt. Omdat het (negatieve) vervreemdingsvoordeel ziet op een vordering die pas na emigratie is ontstaan, hoeft Nederland hiermee geen rekening te houden.
 
Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven


2. Overgangsregeling in België bij een no - deal Brexit

Net zoals in Nederland (zie de februari 2019-editie van deze nieuwsbrief) wordt er in België ook geanticipeerd op een “no–deal Brexit” of een Brexit zonder terugtrekkingsakkoord. Dit gebeurde in België met de Wet van 3 april 2019 betreffende de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (hierna: de Wet van 3 april 2019).

Op de datum waarop het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie verlaat zonder akkoord, zal het Verenigd Koninkrijk voor de Europese Unie een derde land worden. Hierdoor zullen alle primaire en secundaire wetgevingen uitgevaardigd door de Europese Unie niet langer op het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijn met alle gevolgen van dien op het vlak van sociale zekerheid en fiscaliteit.

De wet van 3 april 2019 maakt deel uit van een aantal voorbereidende maatregelen die de Belgische regering heeft genomen overeenkomstig de verzoeken van de Europese Raad van 13 december 2018, waarin de lidstaten verzocht worden hun werkzaamheden op te voeren en is bedoeld als tijdelijk antwoord op de belangrijkste moeilijkheden als gevolg van de Brexit in de aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Belgische federale wetgever vallen. Met deze wet wordt namelijk tijdelijk voorzien dat België in zijn relatie met het Verenigd Koninkrijk verscheidene Belgische regels vervat in de Europese wetgeving en de rechten van de burgers zal blijven toepassen. Hierbij kan met name gedacht worden aan het Wetboek van inkomstenbelasting, het Wetboek der successierechten, het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het Wetboek der diverse rechten en taksen.

De Wet van 3 april 2019 beoogt dus een verlenging van bestaande rechten na terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. Dit onder voorbehoud van wederkerigheid. De wederkerigheidsvereiste bouwt een bijkomende beschermlaag in doordat hierdoor een soort van status quo geëist wordt van het Verenigd Koninkrijk. Het is duidelijk dat de Belgische wetgever het huidige fiscaal recht wil blijven toepassen zolang het Verenigd Koninkrijk geen minder gunstige wetgeving invoert. Hiervoor is niet vereist dat de regimes identiek zijn, maar moeten ze wel dezelfde waarborgen bieden.

De overgangsregeling op basis van Wet van 3 april 2019 duurt tot 31 december 2019. Deze overgangsperiode is van korte duur en moet de Belgische wetgever de mogelijkheid bieden een passende oplossing te vinden voor specifieke regels die dienen te worden gewijzigd. Wanneer de overgangsperiode niet langer noodzakelijk is kan ze worden ingekort.

Als u nog niet begonnen bent met het uitvoeren van no – deal maatregelen, zijn er nog steeds stappen die u kunt nemen om de negatieve impact van Brexit tot een minimum te beperken. Wij helpen u graag op weg met uw Brexit voorbereidingen.

Ilke Vandenbroeck en Tuur De Wachter

Naar boven


3. Nederlandse spoedreparatiemaatregelen van toepassing vanaf 1 januari 2018

In de november 2018-editie van deze nieuwsbrief informeerden wij u over het eindarrest van de Hoge Raad in de gevoegde zaken ten aanzien van de toepassing van de per-elementbenadering en de reeds eerder aangekondigde spoedreparatiemaatregelen. Deze spoedreparatiemaatregelen werden op 23 april 2019 aangenomen door de Eerste Kamer en zijn intussen van kracht.
 
De spoedreparatiemaatregelen houden kort gezegd in dat een aantal specifieke bepalingen in de Nederlandse vennootschapsbelasting- en dividendbelastingwetgeving moet worden toegepast alsof geen sprake is van een fiscale eenheid. Ondanks de hierover gevoerde discussies, geldt deze wetgeving – zoals eerder aangekondigd – met terugwerkende kracht tot 1 januari 2018.
 
Nu de wet door de Eerste Kamer is aangenomen en de terugwerkende kracht tot 1 januari 2018 een gegeven is, dient hiermee rekening te worden gehouden bij het opstellen van uw Nederlandse aangiften vennootschapsbelasting 2018 en dient u hiermee rekening te houden bij de bepaling van de fiscale positie in de jaarrekening.
 
Volledigheidshalve merken wij op dat bij de totstandkoming van bovengenoemde spoedreparatiemaatregelen steeds is opgemerkt dat het Nederlandse kabinet voornemens is het bestaande fiscale-eenheidregime te herzien en te vervangen door een toekomstbestendige concernregeling.
 
Voor meer informatie over de spoedreparatiemaatregelen verwijzen wij u naar ons recente cliëntenmemorandum. Wij houden u uiteraard op de hoogte van de ontwikkelingen. Mocht u vragen hebben of willen overleggen, neemt u dan gerust contact met ons op.
 
Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven


4. Nederlandse behandeling bedrijfspensioenen bij grensoverschrijdende arbeid

Door de toenemende mobiliteit van werknemers komen discussies over de internationale aspecten van belastingheffing over bedrijfspensioenen steeds vaker voor. Omdat elk land zijn eigen fiscale regels kent met betrekking tot deze pensioenen, is het van belang dat u op de hoogte bent van de fiscale gevolgen indien u grensoverschrijdend bent of wordt tewerkgesteld.

Een voorbeeld is een recente zaak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof). De belanghebbende in deze zaak is woonachtig in België en werkt sinds 1978 in België voor een internationaal concern. Vanaf 1 juli 2007 is hij binnen dit concern werkzaam in Nederland en zet hij zijn Belgische bedrijfspensioenregeling (groepsverzekering) voort tijdens de tewerkstelling in Nederland. Op grond van Nederlandse loonbelastingwetgeving is de Belgische groepsverzekering geen kwalificerend pensioenplan. De werkgeversbijdragen aan het pensioenplan dienen te worden aangemerkt als belastbaar loon en de door de werknemer betaalde bijdragen zijn niet fiscaal aftrekbaar. Op verzoek van de belastingplichtige kan het pensioenplan (indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan) door de Belastingdienst worden aangewezen als kwalificerend pensioenplan op grond van een Nederlands beleidsbesluit. Hierdoor worden vijf jaar lang de werkgeversbijdragen niet tot het Nederlandse fiscale loon gerekend en kunnen de werknemerspremies fiscaal in aftrek worden gebracht. Een verzoek tot aanwijzing kan overigens impact hebben op de belastingheffing (en allocatie tussen verschillende landen) op het moment van uitkering van het pensioenplan.

Het belastingverdrag tussen Nederland en België kent een vergelijkbare bepaling als het bovengenoemde beleidsbesluit op grond waarvan het Belgische pensioenplan gedurende vijf jaar fiscaal op dezelfde wijze kan worden behandeld als een Nederlands pensioenplan. Voorwaarde hiervoor is dat de werknemer reeds bijdroeg aan de pensioenregeling voor zijn tewerkstelling in Nederland en de inspecteur ermee instemt (op verzoek) dat de pensioenregeling overeenkomt met een kwalificerende Nederlandse regeling.

In de onderhavige casus komen de volgende vragen aan bod. Kunnen de fiscale faciliteiten op grond van het Verdrag en het beleidsbesluit opvolgend worden benut? En stel dat sprake is van een Nederlandse grensarbeider die zijn bedrijfspensioen in België opbouwt tijdens zijn tewerkstelling in België – wordt de werkgeversbijdrage dan niet tot het Nederlandse fiscale loon gerekend en zijn de werknemerspremies dan wel aftrekbaar?

Als antwoord hierop stelt het hof dat in beginsel voor een periode van maximaal vijf jaar gebruik kan worden gemaakt van de fiscale faciliteiten – er kan niet achtereenvolgens een beroep worden gedaan op het belastingverdrag en het beleidsbesluit. Er is volgens het hof echter wel sprake van een vergelijkbare situatie met een Nederlandse grensarbeider die zijn bedrijfspensioen in België opbouwt tijdens zijn tewerkstelling in België, waarvoor wel een fiscale faciliteit is toegestaan doordat de aanspraak niet tot het loon wordt gerekend. Derhalve krijgt belanghebbende van het hof toch gelijk op grond van het gelijkheidsbeginsel en kan hij ook na 1 juli 2012 gebruikmaken van de fiscale faciliteiten. Wij begrijpen dat de belastinginspecteur in cassatie is gegaan. Wij houden deze zaak uiteraard in de gaten en berichten u als er in laatste instantie over deze zaak is beslist.

Wees u bewust van de fiscale gevolgen indien u of uw werknemer grensoverschrijdend wordt tewerkgesteld. Vanzelfsprekend assisteren wij u hierbij graag, bijvoorbeeld door het in kaart brengen van deze gevolgen.

Esther Schutte en William Donders

Naar boven


5. Concept besluit vernieuwde Nederlandse rulingpraktijk bekendgemaakt

In november vorig jaar maakte de Nederlandse staatssecretaris van Financiën zijn plannen voor de ‘vernieuwde’ Nederlandse rulingpraktijk bekend. De hoofdlijnen van dit beleid bespraken wij in de december 2018-editie van deze nieuwsbrief en is recent door de staatssecretaris uitgewerkt in een conceptbesluit.
 
Het doel van de herziening is het vormgeven van een meer transparante rulingpraktijk en het verder waarborgen van de kwaliteit van de rulingpraktijk voor bedrijven met reële activiteiten. Om dit te bereiken bevat het conceptbesluit strengere eisen ten aanzien van rulings die vanaf 1 juli 2019 worden overeengekomen. Hierna bespreken wij enkele aandachtspunten. Meer informatie vindt u hier.
 
Inhoud
Het conceptbesluit is van toepassing op internationale rulings over de toepassing van de vennootschapsbelasting, de dividendbelasting en de toepassing van bilaterale verdragen en regelingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing. Hieronder vallen bijvoorbeeld Advance Pricing Agreements (APA’s), rulings over de deelnemingsvrijstelling, de innovatiebox, het tonnageregime, de vraag of sprake is van een vaste inrichting en afspraken over het toerekenen van activa en winst aan een vaste inrichting.
 
Op basis van het conceptbesluit dienen van bovengenoemde internationale rulings die vanaf 1 juli 2019 worden gesloten geanonimiseerde samenvattingen te worden gepubliceerd en dient zelfs een geanonimiseerde samenvatting te worden gepubliceerd indien vooroverleg niet heeft geleid tot het overeenkomen van een ruling.
Het conceptbesluit beschrijft ook in welke gevallen door de Nederlandse Belastingdienst geen vooroverleg zal worden gevoerd en dus geen ruling tot stand kan komen. Samengevat is dit het geval indien:
 
  1. er geen sprake is van voldoende economische nexus in Nederland;
  2. het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige of doorslaggevende reden is voor de rechtshandeling of transactie; en/of
  3. een transactie plaatsvindt met entiteiten gevestigd in landen die zijn opgenomen op de Nederlandse lijst met laagbelastende en niet-coöperatieve landen.
 
Het meest opvallend is dat voor het verkrijgen van een ruling vereist wordt dat sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. Dit criterium lijkt de plaats in te nemen van de huidige lijst met substance-eisen. Vereist wordt dat sprake is van een concern dat in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uitoefent en dat er voor rekening en risico van het verzoekende lichaam bedrijfseconomische operationele activiteiten worden uitgeoefend waarvoor op concernniveau voldoende relevant personeel in Nederland beschikbaar is. De toepassing van dit criterium leidt er naar verwachting toe dat de drempel voor het verkrijgen van zekerheid vooraf hoger komt te liggen dan op basis van de huidige substance-eisen het geval is.
 
De maatregelen betekenen dat belastingplichtigen die zich enkel om fiscale redenen in Nederland vestigen en in Nederland verder geen economische nexus hebben geen ruling meer kunnen verkrijgen. De staatssecretaris beaamt overigens dat dit niet wil zeggen dat structuren niet meer mogelijk zijn en/of zullen verdwijnen, aangezien de wet niet wijzigt door het nieuwe beleid.
 
Het conceptbesluit wordt naar verwachting op 4 juni 2019 behandeld door de Tweede Kamer. Wij houden u uiteraard van de relevante ontwikkelingen op de hoogte.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven


6. Rechtzetting forfaitaire waarderingsregels van het voordeel van alle aard inzake het gratis gebruik van een woning in België: ‘Wijziging in de jurisprudentie’ of een ‘nieuw feit’?

U herinnert zich wellicht nog onze eerdere berichten inzake de forfaitaire waarderingsregels van het voordeel van alle aard met betrekking tot de kosteloze ter beschikkingstelling van een woning door de vennootschap.

Wat vooraf ging…
Om even het geheugen op te frissen, deze forfaitaire waarderingsregels maken een onderscheid tussen het geval waarin een onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een vennootschap dan wel het geval waarin datzelfde onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een natuurlijke persoon. Ingeval de terbeschikkingstelling gebeurt door de vennootschap (meest voorkomend) dient de zaakvoerder 3,8 keer zo veel te betalen dan in het tweede geval. 

Nadat het Hof van Beroep te Gent in het arrest van 24 mei 2016 besliste dat dit onderscheid het Grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel schendt, kwam ook het Hof van Beroep te Antwerpen in nagenoeg identieke bewoordingen tot dezelfde conclusie in het arrest van 24 januari 2017. Meerdere rechtspraken in die zin volgde.

Op vandaag staat het dan ook niet meer ter discussie dat de oude berekeningswijze in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De berekeningswijze is vanaf 1 januari 2019 aangepast in die zin dat de berekeningsfactor dezelfde is ongeacht de vraag wie de woning ter beschikking stelt. Ook de Minister van Financiën en de administratie hebben zich vrij snel neergelegd bij deze gunstige rechtspraak. In de Circulaire van 15 mei 2018 werd verklaard dat de administratie bij de behandeling van bezwaarschriften en de gerechtelijke procedures akkoord zou gaan met een forfaitaire waardering van het voordeel zoals die geldt voor de terbeschikkingstelling door een natuurlijke persoon.

Maar wat met het verleden?
De vraag rijst uiteraard hoe men rechtzettingen kan bekomen voor wat betreft het verleden indien de bezwaartermijn van zes maanden reeds verstreken is. In de Circulaire stelt de administratie in uitdrukkelijke bewoordingen dat de verzoekschriften tot ambtshalve ontheffing (dus verzoeken ingediend buiten de bezwaartermijn van zes maanden) afgewezen zullen worden. De administratie is de mening toegedaan dat in dit geval de voorwaarden voor een ambtshalve ontheffing niet vervuld zouden zijn vermits er sprake is van een ‘wijziging in de jurisprudentie’ hetgeen volgens de Belgische wet (WIB)niet te kwalificeren is als een ‘nieuw feit’ dat aanleiding geeft tot een ambtshalve ontheffing. De belastingplichtigen die het er toch op gewaagd hebben, ontvingen na het indienen van een verzoek tot ambtshalve ontheffing een negatieve beslissing van de administratie.

Niet zomaar een uitspraak
Wij kunnen ons nochtans niet vinden in de zienswijze van de administratie en hebben hiervoor meerdere argumenten. 

Ons hoofdargument is dat niet elke gerechtelijke uitspraak gekwalificeerd kan worden als een ‘wijziging van jurisprudentie’ waardoor een verzoek tot ambtshalve ontheffing wordt uitgesloten. De Minister van Financiën heeft reeds jaren geleden bevestigd dat de ‘wijziging van jurisprudentie’ waarnaar de WIB verwijst, bestaat uit de “interpretatie en de toepassing, door de administratieve of gerechtelijke instanties, van wettelijke bepalingen waarvan de geldigheid niet wordt betwist”. In die zin is het dan ook algemeen aanvaard dat de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof waarin uitspraak wordt gedaan over de geldigheid van wettelijke bepalingen (zowel vernietigingsarresten als arresten op prejudiciële vraag) niet onder de noemer ‘wijziging in de jurisprudentie’ vallen. De vaststelling van een ongrondwettigheid is immers zo fundamenteel dat er geen sprake is van een nieuwe interpretatie of toepassing, maar wel van een correctie van de wetgeving die niet langer kan worden toegepast en aanleiding geeft tot rechtzetting.

In onderhavige zaken achtten de Hoven van Beroep te Gent en Antwerpen de forfaitaire waarderingsregels in strijd met het Grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel. Bijgevolg legden de Minister van Financiën en de administratie zich definitief neer bij deze rechtspraak en pasten de ongrondwettelijk bevonden bepaling niet langer toe. Evenwel trachten zij door in voormelde Circulaire dit standpunt aan te houden ten onterechte de rechtzetting in de tijd te beperken.

Nochtans zien wij geen enkele reden om de rechtspraak van de Hoven van Beroep, waarin een koninklijk besluit op zijn grondwetsconformiteit wordt beoordeeld, anders te gaan behandelen dan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof waarin een wet, decreet of ordonnantie getoetst wordt aan de Grondwet. Juist omdat de berekeningswijze door de Hoven van Beroep te Gent en Antwerpen ongrondwettig wordt verklaard, zijn wij van mening dat deze arresten niet zomaar gelijkgesteld kunnen worden met een gewone ‘wijziging in de jurisprudentie’.

De Rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen, Afdeling Gent denkt mee
Nadat de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en nadien ook de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge zich aansloten bij het standpunt van de administratie, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent zich in recent vonnis uitgesproken in het voordeel van de belastingplichtige.

De Rechtbank te Gent is eveneens van oordeel dat voormelde arresten van de Hoven van Beroep door de belastingplichtige terecht worden beschouwd als een ‘nieuw feit’. De Rechtbank baseert zich hiervoor grotendeels op de hierboven aangehaalde argumentatie.

Actie ondernemen?
Het komt nu toe aan de Hoven van Beroep te Gent en te Antwerpen om zich te buigen over de vraag of hun rechtspraak waarbij een rechtsnorm op zijn geldigheid werd getoetst, evenzeer gekwalificeerd kan worden als een ‘nieuw feit’. Niettegenstaande we deze evolutie zullen moeten afwachten, adviseren wij om in de gevallen waarin de bezwaartermijn reeds verstreken is, alsnog de nodige stappen te ondernemen en de procedure tot ambtshalve ontheffing op te starten teneinde te voorkomen dat de termijnen zouden verstrijken alvorens er een definitieve uitspraak komt over de kwestie.

Vermits een verzoek tot ambtshalve ontheffing ingediend moet worden binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd, kunnen op vandaag nog verzoeken tot ambtshalve ontheffing ingediend worden tot en met de aanslagen die gevestigd werden in 2015. 

Wij zijn steeds bereid om met u na te gaan of het in uw dossier gewenst is om de nodige stappen te ondernemen en u hierin bij te staan. 

Charlotte Vandepitte

Naar boven


7. Belgische afzonderlijke aanslag van 5% bij onvoldoende bedrijfsleidersbezoldiging afgeschaft

Met de Belgische wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting werd in België een afzonderlijke aanslag van 5% ingevoerd voor vennootschappen die niet aan minstens één van hun bedrijfsleiders een minimumbezoldiging van 45.000 euro toekennen. Deze sanctie was één van de compenserende maatregelen om de hele hervorming van de vennootschapsbelasting (inclusief tariefverlaging) budgetneutraal te houden. 
 
Aangezien deze maatregel vooral de Belgische KMO’s (kleine en middelgrote ondernemingen) hard trof en de praktische implementatie tot veel onduidelijkheid leidde, werd op 4 april 2019 door de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsvoorstel goedgekeurd dat een einde stelt aan deze afzonderlijke aanslag van 5%. De afschaffing van de bijzondere heffing gebeurt met terugwerkende kracht vanaf haar invoering. Aldus zal geen enkele vennootschap deze afzonderlijke aanslag in diens aangifte hoeven op te nemen. Gelieve er wel rekening mee te houden dat de minimale bedrijfsleidersbezoldiging als voorwaarde voor de toepassing van het verlaagd tarief (voor KMO’s) blijft bestaan. Zie ook ons eerder verschenen artikel hierover.
 
Ilke Vandenbroeck en Sofie Van Engeland

Naar boven