De België-Holland nieuwsbrief verschijnt maandelijks met uitzondering van juli en augustus. In deze nieuwsbrief gaan wij in op actuele ontwikkelingen op het fiscaal gebied in Nederland en België.

Naar boven


Inhoud

Naar boven


1. Internetconsultatie over Nederlands conceptwetsvoorstel tegen excessief lenen bij eigen vennootschap

In de oktobereditie van deze nieuwsbrief berichtten wij u over de aankondiging van een maatregel tegen excessief lenen van de eigen vennootschap door directeuren-grootaandeelhouders, intussen bekend als de ‘rekening-courantmaatregel’. Op 4 maart 2019 is een internetconsultatie gestart over het conceptwetsvoorstel in dit kader.

Wij verwijzen voor de ins en outs naar ons cliëntmemorandum over dit onderwerp en bespreken hierna enkele belangrijke observaties betreffende dit wetsvoorstel.

Inhoud conceptwetsvoorstel

Met het wetsvoorstel beoogt het kabinet belastinguitstel in box 2 van de inkomstenbelasting tegen te gaan en voor de heffing beter aan te sluiten bij het moment waarop een aanmerkelijkbelanghouder feitelijk gelden uit zijn vennootschap ontvangt. Van een aanmerkelijkbelanghouder is sprake indien een natuurlijke persoon 5% of meer van (een soort van) de aandelen van een vennootschap bezit.

Op basis van het voorstel wordt een aanmerkelijkbelanghouder die meer dan € 500.000 leent van de eigen vennootschap vanaf 2022 belast met Nederlandse inkomstenbelasting alsof hij het meerdere (boven € 500.000) ontvangt als dividend. De belastingheffing hierover vindt plaats overeenkomstig box 2 van de inkomstenbelasting en zal dan 26,9% bedragen (thans 25%).

De nieuwe fictie is in beginsel van toepassing op alle civielrechtelijke schuldverhoudingen en verplichtingen, met uitzondering van eigenwoningschulden waarop een recht van hypotheek is gevestigd. Het wetsvoorstel acht niet relevant waarvoor de lening is aangegaan en biedt niet de mogelijkheid vorderingen en rechten op de vennootschap te salderen met schulden aan de vennootschap. Op basis van het wetsvoorstel dient de drempel van € 500.000 per aanmerkelijkbelanghouder te worden getoetst en kan een bovenmatige lening van een verbonden persoon (bijvoorbeeld een kind) leiden tot belastingheffing bij de aanmerkelijkbelanghouder. Omdat de werking van de voorgestelde maatregel beperkt wordt tot box 2 van de inkomstenbelasting, kan toepassing hiervan tot opmerkelijke uitkomsten leiden in combinatie met andere fiscale regelingen.

Toepassing in internationaal verband

Het wetsvoorstel bevat specifieke bepalingen voor immigratie en (r)emigratie van een aanmerkelijkbelanghouder die meer dan € 500.000 leent van zijn vennootschap. Bij emigratie uit Nederland wordt in principe een conserverende aanslag opgelegd en bij immigratie geldt in beginsel een step-up.

In hoeverre de door Nederland voorgestelde fictie doorwerkt naar belastingverdragen is vooralsnog onduidelijk en moet naar onze mening nader worden onderzocht.

Wij zijn erg benieuwd naar de uitkomsten van de consultatie en in welke mate deze in het wetsvoorstel zullen worden verwerkt. Wij houden de ontwikkelingen voor u in de gaten en stellen u daarvan op de hoogte. Omdat het in voorkomende gevallen wenselijk is reeds op de aangekondigde maatregel te anticiperen, adviseren wij u dit te bespreken met uw adviseur.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven


2. Belgische staat opnieuw op de vingers getikt wegens discriminatie van buitenlandse spaardeposito’s

Als Belgisch rijksinwoner geniet u van een fiscale vrijstelling op de eerste schijf van € 960 aan renten die u ontvangt op een spaardeposito. Overschrijdt u deze grens, dan betaalt u 15% roerende voorheffing (in plaats van het standaardtarief van 30%). Zoals eerder besproken, staat dit gunstregime reeds geruime tijd onder vuur omdat België voorwaarden oplegt die typisch zijn aan haar eigen markt zodat buitenlandse spaarrekeningen de facto buiten de vrijstelling vallen.

Aan welke voorwaarden dient het buitenlands spaardeposito van een Belgisch rijksinwoner te voldoen?

Opdat u van deze vrijstelling kan genieten dient uw spaardeposito te voldoen aan enkele concrete basisvoorwaarden. Zo is onder meer vereist dat uw spaardeposito wordt uitgedrukt in euro, dat de opvragingsmogelijkheden beperkt zijn en dat de vergoeding bestaat uit een basisrente en een getrouwheidspremie (de zogenoemde ‘dubbele vergoedingsregeling’).

Indien u renten heeft ontvangen op een buitenlands spaardeposito, dan kan de eerste schijf van € 960 in principe onder de vallen op voorwaarde dat u aan de Belgische fiscale administratie kan bewijzen dat (1) het gaat om een spaardeposito dat wordt gereglementeerd door een gelijkwaardige bevoegde overheidsinstantie van die desbetreffende lidstaat en (2) naar analogie wordt voldaan aan de vereisten die de Belgische wetgever oplegt aan Belgische spaardeposito's. Concreet moet u dus kunnen aantonen dat uw buitenlandse spaardeposito 'vergelijkbaar' is met een spaardeposito dat wordt aangeboden door een Belgische bank.

In praktijk blijkt het voor de belastingplichtige erg moeilijk om dit bewijs te leveren: de buitenlandse spaarmarkt is vaak niet door een gelijkwaardige overheidsinstantie gereglementeerd en buitenlandse spaardeposito’s voldoen zelden aan de opgelegde vereisten. Een representatief voorbeeld hiervan is de vereiste dubbele vergoedingsregeling.

Indirecte discriminatie: quid?

In navolging van deze problematiek is in een zaak de vraag opgeworpen of de door de Belgische wetgever opgelegde voorwaarden de facto 'eigen' zijn aan de Belgische markt en een schending inhouden van het Europese principe van vrij verkeer van diensten. In casu ging het om een Belgisch echtpaar dat over vijf spaarrekeningen beschikte bij financiële instellingen, gevestigd in andere lidstaten dan België. Het koppel had in hun aangifte personenbelasting de Belgische vrijstelling van het rente-inkomen geclaimd. De Belgische fiscus weigerde echter deze vrijstelling toe te kennen, omdat niet kon worden aangetoond dat deze spaardeposito’s aan de gestelde voorwaarden voldeden. Het echtpaar verzette zich tegen dit standpunt en maakte de zaak aanhangig bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (West-Vlaanderen) die op haar beurt, door middel van een prejudiciële vraag, het Europees Hof van Justitie (hierna: Het Hof) verzocht om na te gaan of de Belgische regelgeving buitenlandse dienstverrichters belemmert hun diensten aan te bieden in België.

Het Hof stelde bij haar arrest van 8 juni 2017 in de zaak Van der Weegen vast dat de Belgische regelgeving, hoewel zij zonder onderscheid geldt voor renten van spaardeposito’s geopend bij een Belgische dan wel buitenlandse financiële instelling, een belemmering kan vormen van het vrij verkeer van diensten. Het Hof stelde namelijk vast dat Belgische spaarders onder huidige regelgeving kunnen worden ontmoedigd om een spaardeposito bij een buitenlandse bank te openen of aan te houden, omdat deze renten niet in aanmerking kunnen komen voor de betrokken belastingvrijstelling wegens het gebrek aan een dubbel vergoedingsbeleid. Een dergelijke belemmering is slechts toelaatbaar indien zij een doel van algemeen belang nastreeft en niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is ter verwezenlijking van die doelstelling.

Het Hof liet echter de finale beoordeling over aan de verwijzende Brugse rechter, die uiteindelijk bij vonnis van 8 januari 2019 heeft geoordeeld dat ‘de interesten die eisers hebben genoten op hun buitenlandse spaardeposito’s de Belgische vrijstelling moeten genieten’. Uit dit vonnis volgt niet of de Belgische regelgeving werkelijk een belemmering van het Unierecht vormt en of dit al dan niet gerechtvaardigd kan worden rekening houdende met het algemeen belang. Gelet op de gevoelige problematiek, lijkt het ons dat de rechter door deze gebrekkige motivering enige onvoorzichtigheid kan worden verweten met haar beoordeling. Dit is ook de Belgische fiscus niet ontgaan. Immers heeft haar woordvoerster in een reactie aangegeven dat de Belgische administratie de mogelijkheden onderzoekt om tegen deze uitspraak hoger beroep aan te tekenen. Het pleit lijkt – tot onze teleurstelling – niet finaal beslecht.

Kan u teveel betaalde roerende voorheffing terugvorderen?

In afwachting van de beslissing van de Belgische administratie om al dan niet in hoger beroep te gaan tegen het bovengenoemde vonnis, kan u alvast de mogelijkheid aangrijpen om de te veel betaalde roerende voorheffing met betrekking tot aanslagjaar 2018 (inkomsten 2017) terug te vorderen door middel van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift moet op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.

Wat betreft de roerende voorheffing die u in voorgaande jaren teveel heeft betaald kan de rechtspraak van het Hof worden aangegrepen als ‘een nieuw feit’ om een verzoek tot ambtshalve ontheffing in te dienen. Een dergelijk verzoek kan worden ingediend tot aanslagjaar 2014 (belastingjaar 2013).

Julie Boon

Naar boven


3. Inzicht in de Nederlandse fiscale woonplaatsbepaling van natuurlijke personen

Op 17 december 2018 heeft de Nederlandse staatssecretaris van Financiën – op basis van een toegewezen verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) – documentatie vrijgegeven over het beleid van de Nederlandse belastingdienst (Belastingdienst) ten aanzien van het vaststellen van de fiscale woonplaats van een natuurlijke persoon.

Het bepalen van de woonplaats van een natuurlijke persoon speelt een belangrijke rol in het internationale belastingrecht. Bent u inwoner van Nederland, van België of van een derde land? Het antwoord op deze vraag bepaalt of en op welke wijze Nederland dan wel België uw inkomen in de belastingheffing mag betrekken.

Nationaal recht

In het Nederlandse fiscale recht ontbreekt een definitie van het fiscale woonplaatsbegrip. De fiscale woonplaats wordt beoordeeld naar ‘de omstandigheden’ en is gelegen in de staat waarmee de natuurlijke persoon een ‘duurzame band van persoonlijke aard’ heeft.

Op basis van jurisprudentie dienen voor de beoordeling van de aanwezigheid van de fiscale woonplaats van een natuurlijke persoon in Nederland onder meer de volgende omstandigheden te worden meegenomen:

  • de beschikking over een duurzame (ingerichte) woning;
  • de verblijfplaats (woonplaats, arbeidsplaats of ‘schoolplaats’) van gezin en familie;
  • de plaats(en) waar arbeid wordt verricht;
  • de plaats(en) waar geldopnamen en creditcardbetalingen worden gedaan;
  • gas-, elektriciteits- en waterverbruik;
  • de plaats(en) waar bankrekeningen en beleggingen worden aangehouden;
  • de plaats(en) waar verzekeringen zijn afgesloten;
  • de plaats(en) waar medische behandelingen worden ondergaan, zoals bij de huisarts, tandarts en fysiotherapeut;
  • lidmaatschappen van (sport)verenigingen, charitatieve instellingen, kerken en dergelijke;
  • deelname aan winkelacties;
  • de plaats(en) waar wordt getankt;
  • de plaats(en) waar abonnementen worden aangehouden;
  • het gebruik van (een) telefoonaansluiting(en);
  • het inwonerschap van een andere staat.

Bovengenoemde omstandigheden zijn op zichzelf alle niet van doorslaggevende betekenis, maar moeten in hun geheel en in hun onderlinge samenhang worden beoordeeld. Op basis van jurisprudentie kan worden gesteld dat sociale factoren minstens zoveel gewicht in de schaal leggen als omstandigheden van formele aard. In België geldt overigens een wettelijk vermoeden van inwonerschap op basis van inschrijving in het bevolkingsregister.

Uit de vrijgegeven documenten blijkt dat de Belastingdienst voor het bepalen van de fiscale woonplaats regelmatig een woonplaatsonderzoek uitvoert en dat hij daarbij aan de beschikking van een duurzame woongelegenheid en de woonplaats van de partner en/of kinderen van een persoon veel waarde toekent. De Belastingdienst stelt dat louter het aantal dagen van verblijf in Nederland in dit kader nooit doorslaggevend kan zijn. De duurzame woongelegenheid kan een koophuis zijn, maar onder omstandigheden ook een hotelkamer.

Daarnaast blijkt uit de gepubliceerde documenten dat de Belastingdienst buitenlandse feiten en omstandigheden niet meeneemt in het onderzoek ten aanzien van fiscaal inwonerschap in Nederland en dat ook sprake kan zijn van fiscaal inwonerschap in Nederland indien het middelpunt van iemands maatschappelijke leven niet in Nederland ligt. De Belastingdienst stelt dat een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland voldoende is en dat deze duurzame band niet sterker hoeft te zijn dan de duurzame band met een ander land.

Verdragstoepassing

Komt de Belastingdienst tot de conclusie dat u in Nederland woonachtig bent, dan wordt u in Nederland in beginsel belast voor uw wereldinkomen. Indien een ander land, bijvoorbeeld België, ook van mening is dat uw fiscale woonplaats aldaar is gelegen, dan is sprake van een dubbele fiscale woonplaats. Dit kan tot gevolg hebben dat beide landen pogen belasting te heffen over uw wereldinkomen, met dubbele belastingheffing tot gevolg.

In veel gevallen wordt dubbele belastingheffing als gevolg van een dubbele fiscale woonplaats voorkomen op grond van een belastingverdrag. Het belastingverdrag tussen Nederland en België bevat voor dergelijke situaties, net als andere belastingverdragen, een zogenoemde tiebreaker. Op basis daarvan wordt de fiscale woonplaats van een natuurlijke persoon met een dubbele fiscale woonplaats – voor toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en België – alleen fiscaal inwoner te zijn van achtereenvolgens de staat:

  • waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft (mits onderscheidend);
  • waarin zijn middelpunt van levensbelangen is gelegen (mits onderscheidend);
  • waar hij gewoonlijk verblijft (mits onderscheidend);
  • waarvan hij onderdaan is.

Indien bovengenoemde criteria niet (voldoende) onderscheidend zijn, moeten Nederland en België op basis van de tiebreaker in onderlinge overeenstemming vaststellen van welke staat de natuurlijke persoon fiscaal inwoner is.

Conclusie

Het voorgaande en de geopenbaarde documentatie onderstrepen dat de fiscale woonplaats van geval tot geval dient te worden beoordeeld en dat hierbij een groot aantal factoren een rol speelt. In veel gevallen zal de fiscale woonplaats van een natuurlijke persoon volstrekt helder zijn, maar er zijn uitzonderingen. Omdat de Belastingdienst kritisch is en de fiscale gevolgen van een gewijzigde fiscale woonplaats significant zijn, is het van groot belang u op dit vlak goed te laten adviseren. Indien gewenst zijn wij u hierbij graag van dienst.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven


4. De Belgische zorgvolmacht en het Nederlandse equivalent het levenstestament

De vrijheid om iedere dag opnieuw beslissingen te kunnen nemen met betrekking tot uw eigen persoonsaangelegenheden en vermogen lijkt voor iedere ondernemer de evidentie zelve. Toch kunnen gebeurtenissen tot gevolg hebben dat deze vrijheid u tijdelijk of permanent wordt ontnomen. Een zware ziekte, een coma of dementie zijn voorbeelden van omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat zelfstandigheid plaats moet ruimen voor een toestand van wilsonbekwaamheid, waarin iedere mogelijkheid tot handelen absoluut wordt bevroren. De financiële, zakelijke en administratieve mallemolen zal daarentegen verder blijven draaien: rekeningen zullen blijven binnenstromen, (effecten)portefeuilles moeten worden beheerd, vastgoed moet kunnen worden verhuurd of verkocht. België biedt voortaan middels een zorgvolmacht de mogelijkheid effectief te anticiperen op de gevolgen van een wilsonbekwaamheid. Nederland kent hiervoor het levenstestament. Hierna bespreken wij beide regelingen.

België

Vangnetregeling: geen zorgvolmacht is opgemaakt

Indien voor u geen zorgvolmacht is opgemaakt, wordt voor situaties van wilsonbekwaamheid van inwoners van België in een vangnet voorzien. Op basis daarvan stelt de vrederechter een bewindvoerder aan met de opdracht om onder zijn controle uw vermogen verder te beheren. De vrederechter kiest vrij wie als bewindvoerder wordt aangesteld. Dat kan een rechtstreeks familielid zijn, maar is ook vaak een onbekend persoon.

Bij aanwezigheid van een zorgvolmacht

Een inwoner van België die het beheer van zijn (privé)vermogen niet wil laten afhangen van een beslissing van de vrederechter heeft nu de mogelijkheid om een zorgvolmacht op te maken. Een zorgvolmacht biedt (i) de mogelijkheid om zelf één of meerdere personen als beheerder van uw vermogen aan te duiden en (ii) om precies te bepalen welke handelingen er mogen worden getroffen op het ogenblik dat u hiervoor zelf niet meer bekwaam bent, zodat u voor de toekomst de beslissingsbevoegdheid weer zelf in handen kunt nemen.

Inhoud zorgvolmacht

De inhoud van een zorgvolmacht kan vrij en op maat worden bepaald. Een eerste categorie van bepalingen heeft betrekking op uw vermogen. Aan de lasthebber (de gevolmachtigde) kan bijvoorbeeld de bevoegdheid worden gegeven om over te gaan tot het stellen van eenvoudige handelingen, zoals de betaling van facturen, het beheer van rekeningen, de verhuur van onroerende goederen, maar ook het geven van verrijkende bevoegdheden zoals het wijzigen van uw huwelijkscontract of schenkingen doen is mogelijk. Voorts kan een ondernemer in een zorgvolmacht de nodige regelingen opnemen omtrent het beheer en bestuur van zijn vennootschap en/of aandelen. Omdat een zorgvolmacht het mogelijk maakt (een deel van) uw vermogen alsnog fiscaal vriendelijk over te dragen aan de volgende generatie, is een zorgvolmacht van belang in het kader van uw vermogensplanning.

Een andere categorie van bepalingen die in een zorgvolmacht kunnen worden opgenomen betreft uw persoonsgebonden aangelegenheden. Waar een zorgvolmacht tot 21 december 2018 slechts mogelijk was met betrekking tot het vermogen, kan op heden in een zorgvolmacht ook voorzien worden dat persoonsgebonden aangelegenheden worden geregeld. U kunt zo bijvoorbeeld bepalen wie voor u zal beslissen over medische kwesties of over uw eventuele opname in een rusthuis.

Op basis van de nieuwe regelgeving is de zorgvolmacht recentelijk omgedoopt tot een echt ‘levenstestament’. De wetgever geeft u de mogelijkheid om zélf te anticiperen op een eventuele tijdelijke of permanente onbekwaamheid. Met dank aan de zorgvolmacht is het zelfs mogelijk om uw vermogens- en successieplanning verder uitwerking te laten hebben, ook al bent u onbekwaam geworden.

Nederland

Nederlandse tegenhanger: het levenstestament

Het Nederlandse levenstestament is, net als de Belgische zorgvolmacht, een document waarin u een aantal zaken vastlegt voor het geval er tijdens uw leven iets gebeurt waardoor u zelf niet meer kunt handelen. Een voorbeeld van zo’n situatie is als u door een ongeluk of door ziekte niet meer in staat bent om belangrijke zaken – privé of zakelijk – zelf te regelen. Ook als u bepaalde zaken niet zelf meer wilt regelen en het prettiger vindt dat een ander dat voor u doet, biedt het Nederlandse levenstestament een oplossing op maat.

Vangnetregeling: geen levenstestament opgemaakt

Indien geen levenstestament is opgemaakt, is er evenals in België in een andere manier voorzien waardoor anderen toch uw zaken kunnen regelen. Hiervoor moeten uw naasten de Nederlandse rechter verzoeken u ‘onder curatele’ te stellen. De rechter wijst dan een curator (bewindvoerder) aan met de opdracht om onder zijn controle uw vermogen verder te beheren. De rechter kan degene die het verzoek tot curatele doet als curator benoemen, maar hij kan ook iemand anders of bijvoorbeeld een stichting als curator aanwijzen.

Inhoud levenstestament

In een levenstestament kan worden vastgelegd wat in uw specifieke situatie van belang is. U kunt uw wensen vastleggen ten aanzien van onder meer:

  • uw financiën, onderneming, woning en andere onroerende zaken;
  • schenkingen, of u deze wilt (blijven) doen en zo ja, onder welke voorwaarden;
  • het geven van toestemming voor het al dan niet mogen verrichten van medische handelingen;
  • de benoeming van een mentor of een bewindvoerder over uw vermogen;
  • praktische zaken voor na het overlijden (bijvoorbeeld rondom begrafenis of crematie).

Het is in de eerste plaats voor uzelf van belang vast te leggen wat uw wensen en verzoeken zijn in het geval u deze niet (meer) naar voren kunt brengen. Ook voor iedereen die voor u zorgt of zakelijk met u samenwerkt is het echter belangrijk om te weten wat uw wensen zijn. Dit geldt zowel voor uw (zakelijke) partner, uw kinderen en naaste familie als voor uw zorghulpverleners.

Conclusie

Zowel in België als in Nederland is het mogelijk een aantal zaken op voorhand te regelen voor het geval er tijdens uw leven iets gebeurt waardoor u zelf niet meer in staat bent om te handelen. Een zorgvuldige redactie van een zorgvolmacht of een levenstestament is het beste instrument om uw wensen, noden en emoties juridisch correct te vertalen en zo de doeltreffendheid van de zorgvolmacht of het levenstestament te garanderen. Wij helpen u hier uiteraard graag mee.

Claudia Duchateau, Stephanie Allard en Rabiye Inan

Naar boven


5. Belastingheffing arbeiders in Nederland, 183-dagenregel

Inwoners van België die arbeid verrichten in Nederland zijn als gevolg van deze werkzaamheden mogelijk onderworpen aan Nederlandse inkomstenbelastingheffing. Wellicht bent u al bekend met de zogenoemde 183-dagenregeling zoals opgenomen in het belastingverdrag tussen België en Nederland. Deze regeling komt er in het kort op neer dat indien u als inwoner van België fysiek in Nederland werkzaamheden verricht, Nederland in principe zal mogen heffen over het inkomen dat u met deze werkzaamheden verdient wanneer u meer dan 183 dagen (gedurende een twaalfmaandsperiode) in Nederland verblijft.

Op basis van het werknemersartikel in het belastingverdrag tussen Nederland en België is het inkomen gerelateerd aan Nederlandse werkdagen echter ook belast in Nederland indien uw salaris ten laste komt van een Nederlandse vaste inrichting/vaste basis van uw werkgever, of als sprake is van een Nederlandse materiële werkgever. Indien u werkzaamheden verricht ten behoeve van een Nederlandse entiteit, kan deze entiteit voor verdragsdoeleinden als werkgever worden aangemerkt ondanks dat u geen arbeidscontract met deze entiteit gesloten hebt. Wees derhalve bewust van uw situatie en ga na wat de fiscale gevolgen voor u zijn indien u grensoverschrijdend werkzaam bent. Indien gewenst zijn wij u hierbij graag van dienst. 

Esther Schutte en William Donders

Naar boven


6. Het nieuwe Belgische Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen eindelijk goedgekeurd!

Op 28 februari 2019 werd het langverwachte nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (hierna: ‘WVV’) door het Belgische parlement goedgekeurd. Het doel van de nieuwe wetgeving is om het Belgische vennootschaps- en verenigingsrecht eenvoudiger, flexibeler en competitiever te maken. We sommen in dit artikel de belangrijkste nieuwigheden voor u op.

Eenvoudiger

Door de hervorming blijven er van de 17 ‘oude’ Belgische vennootschapsvormen nog slechts de volgende 4 basisvormen over:

  • de besloten vennootschap (BV);
  • de naamloze vennootschap (NV);
  • de coöperatieve vennootschap (CV); en
  • de maatschap.

Het schrappen van een aantal rechtsvormen hoeft in de praktijk geen problemen met zich mee te brengen, aangezien een van de overgebleven rechtsvormen normaliter de rol van de verdwenen vorm kan overnemen.

Meer flexibiliteit

Het WVV maakt het vennootschapsrecht ook flexibeler. Het WVV voert immers een zogenaamde ‘default regeling’ in en biedt meer vrijheid aan ondernemers om hun statuten volledig op maat van hun eigen behoeften te gaan opstellen. Zaken als meervoudig stemrecht, flexibele soorten van aandelen en andere effecten worden in de toekomst daarmee makkelijker om in de statuten op te nemen. Enkel wanneer er niets in de statuten voorzien is, dient te worden teruggevallen op de regels die het WVV voorziet.

Zowel de NV als de BV kunnen vanaf de inwerkingtreding van het WVV door één persoon opgericht worden, zodat het omslachtig verhangen van één aandeel binnen een groepsstructuur verleden tijd is.

Daarnaast kent de BV (naar Nederlands voorbeeld) geen minimumkapitaal meer dat geheel of gedeeltelijk volstort moet worden, maar nog slechts een zogenaamd ‘aanvangsvermogen’ (dat geëvalueerd moet worden in het licht van de geplande activiteiten). Ook worden de bestuursmodellen van de BV en de NV aangepast, waardoor ook op niveau van het bestuur er meer flexibiliteit is.

Een andere opvallende nieuwigheid is tenslotte dat de aansprakelijkheid van bestuurders onder het WVV geplafonneerd wordt tot bepaalde maximumgrenzen en bestuurdersaansprakelijkheid daardoor dus beter verzekerbaar wordt.

Competitiever

Het nieuwe WVV wil ook beter aansluiten bij Europese evoluties. Waar tot voor kort in België de werkelijke zetelleer van toepassing was (in tegenstelling tot de meeste andere Europese lidstaten waar de statutaire zetelleer geldt in Nederland beter bekend als incorporatieleer), zal met de inwerkingtreding van het WVV in België de statutaire zetelleer gelden. Dit zorgt ervoor dat Nederlandse vennootschappen die hun zetel naar België zouden verplaatsen in de toekomst toch onderworpen kunnen blijven aan het Nederlandse recht (waar zij vroeger een zogenaamd ‘bipatride’ statuut moesten aannemen en zowel aan het Nederlandse als aan het Belgische vennootschapsrecht onderworpen werden).

Aandacht voor schuldeiserbescherming

Bij het vereenvoudigen van het vennootschapsrecht werd eveneens rekening gehouden met de belangen van schuldeisers. Zo is de BV weliswaar een vennootschap geworden zonder minimumkapitaal, maar wordt de verplichting tot het opmaken van een financieel plan gevoelig uitgebreid.

Nieuw is ook dat elke uitkering aan aandeelhouders binnen een BV onderworpen wordt aan een dubbele test: er is enerzijds de ‘netto-actieftest’ (waarbij er geen uitkering mag gebeuren als het netto-actief negatief is of zal worden door de beoogde uitkering) en anderzijds is er de ‘liquiditeitstest’ (die moet aantonen dat een vennootschap de komende 12 maanden de openstaande schulden kan betalen, rekening houdende met het uitgekeerde dividend).

Inwerkingtreding

Alle nieuwe ondernemingen die vanaf 1 mei 2019 opgericht worden, worden onderworpen aan de bepalingen van het WVV. Bestaande ondernemingen en verenigingen moeten tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2024 hun statuten aanpassen, terwijl de ‘dwingende regels’ van het WVV met ingang van 1 januari 2020 automatisch op hen van toepassing zullen zijn. Bestaande ondernemingen hebben met ingang vanaf 1 mei 2019 wel de mogelijkheid om via een ‘opt-in’ te kiezen om per direct aan de nieuwe regels onderworpen te worden. Vennootschapsvormen die onder het WVV verdwijnen, worden met ingang van 1 januari 2020 automatisch omgezet in de overblijvende vorm die het dichtst aansluit aan de huidige vorm (tenzij zij dit zelf al eerder doen).

Indien gewenst, bespreken wij graag met u de mogelijkheden die het WVV in uw situatie biedt.

Tim Franssen

Naar boven