Belgium-Holland Desk Newsletter | Februari 2019

26 februari 2019

De België-Holland nieuwsbrief verschijnt maandelijks met uitzondering van juli en augustus. In deze nieuwsbrief gaan wij in op actuele ontwikkelingen op het fiscaal gebied in Nederland en België.

Naar boven

Inhoud

Naar boven

1. Belgische kaaimantaks wederom gewijzigd

De wet houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen, die op 31 januari 2019 goedgekeurd werd in de Kamer (hierna: de nieuwe wet), brengt enkele gevolgen met zich mee voor de Belgische Kaaimantaks.

Pro memorie kaaimantaks

De kaaimantaks is een Belgische belasting die vermogens treft die zijn ondergebracht in laagbelaste vermogensstructuren, zoals trustachtige figuren alsook vennootschappen in belastingparadijzen. De kaaimantaks is verschuldigd over de inkomsten van dergelijke vermogensstructuren (juridische constructies) en wordt geheven in hoofde van de oprichter/Belgisch rijksinwoner van de juridische constructie alsof deze inkomsten rechtstreeks door hem worden ontvangen (‘doorkijkbelasting’). Een uitzondering geldt indien kan worden aangetoond dat de inkomsten worden uitgekeerd aan een derde-begunstigde/Belgisch rijksinwoner, die in dat geval op zijn beurt aan de kaaimantaks wordt onderworpen.

Na overlijden van de oprichter van de juridische constructie zijn de erfgenamen aan de kaaimantaks onderworpen, tenzij deze kunnen aantonen dat zij op geen enkel moment en op geen enkele manier enig voordeel kunnen behalen met de juridische constructie.

Inbreuken op Wetboek Inkomstenbelastingen

In de nieuwe wet wordt voorzien in een verlengde termijn voor belastingheffing in het geval van fraude. Wanneer er gebruik wordt gemaakt van juridische constructies die ertoe strekken de herkomst of het bestaan van het vermogen te verhullen, kan gedurende tien jaar (aanvullende) belasting gevestigd worden. Deze termijn begint te lopen vanaf het aanslagjaar waarin de belasting verschuldigd is. In België is de normale termijn bij niet-aangifte, bij laattijdige of foutieve aangifte drie jaar en dit wordt verlengd tot zeven jaar bij bedrieglijk opzet.

Verruiming toepassingsgebied niet-EER-landen?

De nieuwe wet wijzigt ook de manier waarop het toepassingsgebied van de kaaimantaks bepaald wordt. Voorheen werden de juridische constructies die onder het toepassingsgebied vallen gedetermineerd aan de hand van een limitatieve lijst voor EER-landen en een lijst voor niet-EER-landen. Het Koninklijk Besluit van 21 november 2018 heeft reeds de lijst voor EER-landen vervangen door een meer algemene definiëring van het toepassingsgebied. Hiermee zijn een aantal resterende ontsnappingsroutes afgesloten en is dit Koninklijk Besluit nu door de wet bekrachtigd.

Tot slot beschikt de Koning door de wet nu ook over de mogelijkheid om de lijst voor niet-EER-landen te vervangen door een meer algemene definiëring.

Sam Dejaegere

Naar boven

2. Nederland kondigt fiscaal overgangsrecht bij een ‘no deal-brexit’ aan

Nu de brexit dichtbij komt en een ‘no deal-scenario’ steeds reëler wordt, beginnen de alarmbellen luider te rinkelen. Het Verenigd Koninkrijk (VK) zal bij een ‘no deal-brexit’ vanaf 29 maart aanstaande van de ene op de andere dag als ‘derde land’ kwalificeren. Hierdoor zal vanaf die datum voor een grote groep belastingplichtigen de fiscale behandeling wijzigen.

Bij een no deal-brexit zal bijvoorbeeld een Nederlandse fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met een top- of tussenmaatschappij in het VK op 29 maart 2019 verbreken. Tevens zullen onder andere burgers die woonachtig zijn in het VK en Nederlands inkomen genieten het recht op persoonsgebonden aftrekposten verliezen.

Om acute nadelige gevolgen bij een no deal-brexit te voorkomen, heeft de Nederlandse staatssecretaris van Financiën een fiscale overgangsregeling aangekondigd. Deze houdt in dat het

VK voor een aantal belastingwetten (andere dan douanewetgeving) gedurende het restant van het lopende boekjaar – in veel gevallen tot en met 31 december 2019 – fictief wordt aangemerkt als

EU-lidstaat. Voor toepassing van de fiscale eenheid vennootschapsbelasting wordt hierdoor bijvoorbeeld verbreking van de fiscale eenheid op 29 maart 2019 voorkomen en uitgesteld tot het einde van het boekjaar. België heeft vooralsnog niet een dergelijke overgangsregeling aangekondigd.

De aangekondigde Nederlandse overgangsregeling moet nog worden vastgelegd in een beleidsbesluit. Zij zal een welkome administratieve verlichting vormen en Nederlandse ondernemingen nog tot het einde van het lopende boekjaar geven om de Nederlandse gevolgen van de brexit in beeld te brengen en hierop te anticiperen.

Wij constateren dat nog niet iedereen zich voldoende bewust is van de gevolgen van de brexit. Indien dit ook voor u geldt, drukken wij u op het hart hiermee onmiddellijk aan de slag te gaan. Wij volgen de ontwikkelingen op de voet en zijn u graag van dienst bij alle brexitgerelateerde zaken.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven

3. Btw-gevolgen bij een harde brexit

Het zijn cruciale dagen voor de Britten. Na het verwerpen van de initieel tussen de Europese Unie (EU) en het Verenigd Koninkrijk (VK) overeengekomen Brexit-deal door het Britse House of Commons op 15 januari 2019 zijn alsnog uiteenlopende scenario’s mogelijk. Hiertoe behoren een eenzijdige intrekking van de exitprocedure door het VK, een uitstel van de deadline van 29 maart 2019, al dan niet gecombineerd met hernieuwde onderhandelingen tussen de EU en het VK, dan wel een nieuw referendum of onverhoopt toch alsnog een ‘no deal-brexit’. Een no deal-brexitscenario zonder enig akkoord, waarbij het VK op 30 maart 2019 geen deel meer uitmaakt van de EU, lijkt echter steeds realistischer te wor­den. Meer details en onze visie daarop treft u hier.

De gevolgen van een no deal-brexit op het vlak van douane en logistiek komen hier en daar al uitvoerig aan bod. Maar ook de consequenties voor de btw verdienen de nodige aandacht, niet in het minst met het oog op een eventuele aanpassing op het vlak van IT- en boekhoudsystemen. Met minder dan vijf weken te gaan blijft dan ook de prangende vraag of iedereen zich tijdig zal hebben kunnen voorbereiden op het scenario van een no deal-brexit.

Gevolgen voor goederensector

Bij een no deal-brexit wijzigt de btw-behandeling van goederenbewegingen met het VK en krijgen deze de kwalificatie ‘invoer’ en ‘uitvoer’ in plaats van intracommunautaire ver­wervingen en intracommunautaire leveringen. Dit betekent tevens het wegvallen van de toepassing van vereenvoudigingsregels zoals driehoeksverkeer, consignatie/call-off stock en niet-overbrengingen. Hierdoor zullen EU-bedrijven zich potentieel voor btw-doeleinden in het VK moeten registreren, een EORI-nummer moeten aanvragen in zowel het VK als in de EU en mogelijk invoer-btw moeten betalen zowel in het VK als in de EU (behoudens voor zover een beroep zou kunnen worden gedaan op een systeem om de voorfinanciering van invoer-btw, te vermijden via een verlegging van de invoer-btw).

E-commercebedrijven kunnen getroffen worden doordat de regeling van verkopen op afstand niet meer van toepassing zal zijn op de verkoop van goederen aan particulieren in het VK. De kans is groot dat deze leveringen moeizamer zullen verlopen door de bijkomen­de formaliteiten die bij invoer moeten worden voldaan. Belangrijk hierbij om aan te stippen is dat volgens informatie van de btw-administratie in het VK, de btw-vrijstelling voor invoer van kleine zendingen zou worden afgeschaft (wat binnen de EU pas gepland staat in 2021). Alle zendingen (ook kleine postpakketjes) zullen daarom worden onderworpen aan invoer-btw. Voor goederen met een waarde tot £ 135 zou er wel een systeem worden opgezet om de btw te voldoen via een elektronisch portaal, waarbij een registratie bij de btw-administratie in het VK vereist zal zijn.

Gevolgen voor dienstensector

Op zich zullen er in b2b-context slechts beperkte gevolgen voelbaar zijn voor de dienstensector. Daarin zal de no deal-brexit invloed hebben op de plaatsbepaling van ‘intellectuele’ of ‘immateriële’ diensten verricht door Europese aanbieders aan niet-belastingplichtigen gevestigd in het VK. Deze zullen na een no deal-brexit plaatsvinden in het VK.

Gevolgen voor de aanduiding aansprakelijk vertegenwoordiger – wijziging schuldenaar belasting

Ondernemingen gevestigd in het VK die zich moeten registreren voor btw-doeleinden in België zullen dit moeten doen via aanstelling van een aansprakelijk vertegenwoordiger, waarbij in principe een zekerheid ten aanzien van de Belgische administratie (onder de vorm van een bankgarantie of storting bij de Deposito- en Consignatiekas) vereist zal zijn. In Nederland daarentegen is het niet vereist om een vertegenwoordiger aan te stellen indien een onderneming zich in Nederland voor btw-doeleinden registreert.

Specifiek voor België moet in dat geval ook rekening gehouden worden met een mogelijke wijziging van schul­denaar van de belasting bij transacties die, voor btw-doeleinden, gelokaliseerd worden in Bel­gië. Indien bijvoorbeeld een Belgische aannemer werk in onroerende staat verricht voor een Britse klant zal na 29 maart 2019 de verlegging van heffing moeten worden toegepast wanneer de klant beschikt over een Belgisch btw-identificatienummer.

Gevolgen voor EU-faciliteiten

Diverse EU-faciliteiten zullen van de ene op de andere dag wegvallen. Zo zal de geldigheid van btw-identificatienummers niet meer gecontroleerd kunnen worden via de VIES-website van de Europese Commissie.

Belgische en Nederlandse aanbieders van elektronische diensten kunnen ook geen beroep meer doen op de MOSS-regeling voor hun diensten aan particulieren in het VK. Deze ondernemingen zullen zich voor diensten vanaf 30 maart 2019 moeten registreren in het VK om daar de lokale btw af te kunnen dragen.

Tot slot zal btw opgelopen in het VK niet meer kunnen worden gerecupereerd via het in­dienen van een teruggaafverzoek met behulp van de btw-portaalsite van de EU-lidstaat van vestiging. De onderneming zal een teruggaafverzoek moeten indienen in het VK. Opvallend daarbij is dat de Britse btw-administratie op dat punt momenteel nog geen nieuwe proce­dure heeft uitgewerkt, maar alleen spreekt over hoe in het VK gevestigde ondernemingen Europese btw kunnen recupereren.

Elk nadeel heeft zijn voordeel

Het wegvallen van Intrastat-verplichtingen of het indienen van de intracommunautaire opgave zou als ‘vermindering van de administratieve last’ kunnen worden gezien, maar gelet op de talrijke bijkomende formaliteiten is dit slechts een miniem voordeel.

Voor ondernemingen actief in de bank- en verzekeringssector kan bijkomend nog gewe­zen worden op het feit dat zij potentieel een hoger recht op aftrek kunnen genieten van de btw die wordt geheven op hun inkomende handelingen, in de mate dat deze betrekking zouden hebben op de financiële en verzekeringshandelingen die zij stellen ten aanzien van hun medecontractant die in het VK is gevestigd.

Nele Pichal en Camille Corten

Naar boven

4. De Belgische vrijstelling sociaal passief

Door de invoering van het Belgische eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden (hierna: Het eenheidsstatuut) vond er in 2014 een harmonisering plaats van de opzegtermijnen voor arbeiders en bedienden. Dit betekent een aanzienlijke meerkost voor werkgevers bij het ontslaan van arbeiders en lagere bedienden met een anciënniteit van minimaal vijf jaar. De wetgever heeft daarom in een begeleidende fiscale compensatiemaatregel voorzien, namelijk de vrijstelling ‘sociaal passief’. De wet trad reeds in werking op 1 januari 2014 maar creëert pas vanaf 1 januari 2019 gevolgen aangezien werknemers vijf jaar in dienst moeten zijn onder dit eenheidsstatuut alvorens de vrijstelling van toepassing is. De toepassing van de vrijstelling is inmiddels geconcretiseerd in twee Koninklijke besluiten en op enkele punten gewijzigd ingevolge een reparatiewet.

Wet van 26 december 2013: De basis

De vrijstelling sociaal passief geldt voor ondernemingen (met winst) en voor vrije beroepen (met baten) en houdt in dat de kostprijs van toekomstige ontslagen vooraf beperkt ten laste mag worden gelegd van het fiscaal resultaat. Deze vrijstelling is pas van toepassing als de betrokken werknemer minstens vijf dienstjaren actief is onder het eenheidsstatuut. Aangezien het eenheidsstatuut sinds 1 januari 2014 geldt, vindt de vrijstelling voor het eerst toepassing vanaf 1 januari 2019.

Het vrijgestelde bedrag is niet overdraagbaar en kan bijgevolg slechts effectief toepassing vinden als er een positief belastbaar resultaat is.

Het totaal bedrag van de vrijstelling genoten voor een bepaalde werknemer zal terug worden toegevoegd aan de winsten of baten van het belastbaar tijdperk waarin de werknemer het bedrijf verlaat. Het aldus verhoogde resultaat zal dan worden verminderd met de kosten die in voorkomend geval effectief met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gepaard gaan (zoals bijvoorbeeld een opzegvergoeding).

Concrete toepassing van de wet

De concrete toepassing van de wet werd verder uitgewerkt in twee Koninklijke besluiten en reparatiewetgeving.

Nominatieve lijst

Om de fiscale vrijstelling sociaal passief te kunnen genieten, moet een nominatieve lijst van de tewerkgestelde werknemers ter beschikking van de Administratie worden aangehouden. Voor elke werknemer moet de volgende informatie worden bijgehouden:

  • De volledige identiteit en, in voorkomend geval, het nationaal nummer;
  • De datum van indiensttreding;
  • De anciënniteit verworven binnen het eenheidsstatuut;
  • De bruto belastbare bezoldigingen die aan de werknemer zijn betaald of toegekend, met inbegrip van de sociale werknemersbijdragen.

Berekeningswijze van het sociaal passief

Om het vrij te stellen bedrag aan sociaal passief te berekenen moet men uitgaan van de bruto maandbezoldiging die bestaat uit het gemiddelde van alle bruto maandelijkse bezoldigingen, vóór inhouding van de sociale zekerheidsbijdrage, inclusief overuren, verkregen gedurende het belastbaar tijdperk waarvoor de vrijstelling wordt toegepast.

De maximale bruto-bezoldiging die in aanmerking mag genomen worden om de vrijstelling te berekenen, wordt bepaald op:

  • 100% van de schijf van € 0,01 tot € 1.500; en
  • 30% van de schijf van € 1.500,01 tot € 2.600.

Het gedeelte dat hoger is dan € 2.600 geeft geen recht op een bijkomende vrijstelling. Het maximale maandloon waarmee rekening mag worden gehouden bedraagt dus € 1.830.

Vervolgens moet het bedrag aan maandelijkse bruto-bezoldiging worden omgezet naar een wekelijkse bezoldiging aan de hand van de multiplicator 3/13. Het bedrag aan vrij te stellen sociaal passief bedraagt vanaf het zesde dienstjaar (vanaf 1 januari 2014) drie weken bruto-bezoldiging en één week bruto-bezoldiging vanaf het 21ste dienstjaar.

Verder wordt de toepassing van de vrijstelling over vijf jaar gespreid. Het bedrag dat wordt berekend op basis van de bovenstaande berekening, mag dus 5 jaar lang voor 20% vrijgesteld worden. Op te merken valt dat dit gespreide bedrag aan “sociaal passief” dus verworven wordt per belastbaar tijdperk. Dit impliceert dat in belastbaar tijdperk X+1 het totaal bedrag aan sociaal passief gelijk is aan de som van 20% van het sociaal passief ontstaan in belastbaar tijdperk X en 20 % van het sociaal passief ontstaan in belastbaar tijdperk X+1. Indien er in belastbaar tijdperk X+1 geen of niet voldoende winst gemaakt wordt, lijkt het totaal bedrag (20% van de vrijstelling sociaal passief verworven in belastbaar tijdperk X+1 en 20% van de vrijstelling verworven in belastbaar tijdperk X) verloren te gaan in belastbaar tijdperk X+1.

De vrijstelling sociaal passief, ten belope van 20% per belastbaar tijdperk, is van toepassing zolang dat de betrokken werknemer in dienst van de onderneming blijft. Zodra hij de onderneming verlaat, zal het reeds vrijgestelde bedrag terug worden toegevoegd aan de winsten of baten van het belastbaar tijdperk waarin hij de onderneming verlaat én is de gespreide vrijstelling van het overblijvende deel van het sociaal passief niet meer van toepassing.

De vrijstelling sociaal passief kan interessant zijn, zeker voor bedrijven met een aanzienlijk en loyaal personeelsbestand. Ondernemingen dienen zich wel bewust te zijn van de extra administratieve last, te meer gelet op de spreiding van de vrijstelling over 5 jaar.

Indien u hieromtrent bijkomend advies of een doorrekening voor uw situatie wenst, helpen onze specialisten u graag verder.

Gill Ceyssens en Patricia Stas

Naar boven

5. Aandachtspunten Nederlandse werkkostenregeling

Uiterlijk 28 februari 2019 dienen alle Nederlandse inhoudingsplichtigen de administratie met betrekking tot de werkkostenregeling (WKR) over 2018 klaar te hebben. Indien u de vrije ruimte van de WKR in 2018 overschreden hebt, dan moet de verschuldigde 80%-eindheffing uiterlijk in de loonaangifte over het eerste loontijdvak van 2019 worden aangegeven. Aangezien de aangifte januari 2019 uiterlijk 28 februari 2019 moet zijn ingediend en betaald, brengen wij hierbij enkele aandachtspunten van de WKR onder uw aandacht.

In de praktijk zien wij steeds vaker dat de Belastingdienst niet alleen een overzicht wil hebben van de vergoedingen en verstrekkingen die als eindheffingsloon onder de vrije ruimte van de WKR zijn gebracht, maar dat hij ook inzage wil hebben in de vergoedingen en verstrekkingen die als eindheffingsloon waarvoor een gerichte vrijstelling geldt zijn aangewezen. Het is van belang dat de zakelijke reden van een vergoeding of verstrekking voldoende aannemelijk kan worden gemaakt, bijvoorbeeld bij een etentje in een restaurant. Daarbij verlangt de Belastingdienst doorgaans dat aannemelijk wordt gemaakt met wie de maaltijd is genuttigd en wat de zakelijke reden daarvoor was.

Optimalisatie van de WKR is mogelijk door toepassing van de zogenoemde concernregeling (waarbij de eindheffing van de WKR op concernniveau wordt berekend in plaats van per werkgever), of door bijvoorbeeld vaste kostenvergoedingen (alsnog) te onderbouwen zodat deze niet ten laste hoeven te komen van de vrije ruimte van de WKR. Het is raadzaam na te gaan of de nihilwaarderingen (bijvoorbeeld een personeelsfeest op de werkplek) zo veel mogelijk zijn benut. Let erop dat de concernregeling alleen kan worden toegepast als alle deelnemende concernonderdelen het hele kalenderjaar een concern vormen.

Indien er vrije ruimte over is, kan deze worden benut door een deel van het loon van de werknemers (of een bonus) als eindheffingsloon onder de vrije ruimte van de WKR te brengen. In principe is dit op grond van de gebruikelijkheidstoets niet toegestaan, maar accordeert de Nederlandse Belastingdienst dit toch als het totaal van alle vergoedingen/verstrekkingen/terbeschikkingstellingen aan een werknemer niet hoger is dan € 2.400 per werknemer per jaar. Eventuele niet-onderbouwde vaste kostenvergoedingen en dergelijke komen op het bedrag van € 2.400 in mindering. 

Mocht u vragen hebben over de WKR, dan horen wij dat vanzelfsprekend graag. Desgewenst gaan wij graag na of er optimalisatiemogelijkheden zijn. Tevens kunnen wij mogelijke risico’s detecteren en oplossingen aandragen. Daarbij assisteren wij graag met de inrichting van de financiële boekhouding om uw WKR-positie inzichtelijk te krijgen en te houden.

Esther Hoppenbrouwers en William Donders

Naar boven

6. Inwerkingtreding van de nieuwe Belgische inhoudings- en rapporteringsverplichting

Het Belgische parlement heeft op 31 januari 2019 de geamendeerde versie van het wetsontwerp inzake de nieuwe rapporterings- en inhoudingsverplichting goedgekeurd. Wij verwijzen naar de november 2018-editievan deze nieuwsbrief voor een toelichting ten aanzien van het wetsontwerp.

De in het wetsontwerp aangekondigde verplichting voor de Belgische werkgever om bedrijfsvoorheffing in te houden voor beloningen betaald of toegekend door buitenlandse moeder- of gelieerde vennootschappen in groepsverband treedt in werking voor inkomsten toegekend vanaf 1 maart 2019 en is van toepassing op in België gevestigde ondernemingen, zowel inwoners als niet-inwoners. De maatregelen die er voor gingen zorgen dat de aanvullende verplichtingen al van toepassing zouden zijn op inkomsten die in 2018 toegekend werden, zijn komen te vervallen. Ook voor inkomsten toegekend in januari en februari 2019 is de inhoudingsverplichting niet van toepassing. De Belgische werkgever zal deze inkomsten wel dienen te rapporteren op de fiscale fiche.

Zoals eerder beschreven kan de niet-naleving van de rapporteringsverplichting, per overtreding leiden tot een boete van 10% van de niet-gerapporteerde vergoeding. Deze sanctie is niet van toepassing indien aangetoond kan worden dat de inkomsten in België of in het buitenland in hoofde van de begunstigde zijn belast.

De inhoudings- en rappertingsverplichting doet geen afbreuk aan de verplichting van de begunstigde om het voordeel te rapporteren in de aangifte inkomstenbelasting. De begunstigde zal – zoals in het verleden reeds van toepassing was - het belastbaar voordeel dienen te vermelden in de aangifte in de personenbelasting dan wel in de aangifte in de belasting der niet-inwoners (natuurlijk personen).

Carolien van Echelpoel

Naar boven

7. Nederlandse meldingsplicht voor EU-dienstverleners uitgesteld

Op 18 juni 2016 is in Nederland de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU) in werking getreden. Voor in een andere EU-lidstaat gevestigde werkgevers en Nederlandse werkgevers waar werknemers naar worden gedetacheerd gelden uit hoofde van de WagwEU diverse verplichtingen. De – tot op heden – belangrijkste verplichting is om bepaalde documenten beschikbaar te hebben op de plaats waar de uitgezonden werknemer zijn werkzaamheden verricht. Voorbeelden van dergelijke documenten zijn een kopie van de loonstrook, de arbeidsovereenkomst en de A1-verklaring (het bewijs van voortzetting van de buitenlandse sociale zekerheid). Als niet aan de verplichtingen wordt voldaan, kunnen hoge boetes worden opgelegd. 


Onderdeel van de WagwEU is een al eerder aangekondigde registratieplicht voor dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hun werknemers in Nederland laten werken. Door invoering van deze plicht kan de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW) controleren of EU-werknemers de minimale arbeidsvoorwaarden krijgen waar ze recht op hebben en daarmee of de buitenlandse ondernemingen voldoen aan de Europese detacheringsrichtlijn. De meldingsplicht heeft ook gevolgen voor de dienstontvanger. Deze moet namelijk uiterlijk bij aanvang van de werkzaamheden hebben gecontroleerd of de melding is gedaan en zo ja, verifiëren of de personen die de dienst komen verrichten overeenkomen met de bij de melding opgegeven personen. De meldingsplicht zou door middel van een online registratiesysteem per 1 april 2019 in werking moeten treden. Onlangs zijn wij echter geïnformeerd dat deze datum niet wordt gehaald. De nieuwe streefdatum is medio 2019.

Luydert Smit en William Donders

Naar boven

© 2019 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.