Belgium-Holland Desk Newsletter | April 2019

26 april 2019

Bollenvelden

De België-Holland nieuwsbrief verschijnt maandelijks met uitzondering van juli en augustus. In deze nieuwsbrief gaan wij in op actuele ontwikkelingen op het fiscaal gebied in Nederland en België.

Naar boven

Inhoud

Naar boven

1. Het Belgische Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen - nieuwe opportuniteiten voor familiebedrijven

Het is intussen algemeen bekend dat de langverwachte hervorming van het Belgische vennootschaps- en verenigingsrecht is goedgekeurd in het federaal parlement. In onze eerdere nieuwsbrief vindt u een overzicht van de belangrijkste krachtlijnen van het nieuwe vennootschapsrecht. Het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) zal ettelijke ingrijpende wijzigingen van het bestaande vennootschapsrecht omvatten.


De nieuwe regelgeving opent onder andere nieuwe perspectieven voor de overdracht van aandelen in een familiale context. Zo ook voor de bedrijfsleider die aan successieplanning wil doen, maar zelf nog de controle wenst te behouden.

Bestuur wordt flexibeler 

Indien de pater/mater familias de touwtjes in handen wil blijven houden na de overdracht van de aandelen aan de kinderen, kan deze zich het mandaat van statutaire zaakvoerder voorbehouden. Een statutaire zaakvoerder is bij de oprichting of in de statuten benoemd en is in principe onafzetbaar.


Deze mogelijkheid kon tot nu toe enkel worden voorzien voor de bvba. Binnen de nv is het bestuursmandaat immers steeds herroepbaar door middel van een besluit genomen met gewone meerderheid van stemmen in de algemene vergadering. Van dit principe kan in het huidig recht niet afgeweken worden. Binnenkort zal ook de bestuurder van een nv statutair aangesteld kunnen worden, waardoor deze quasi onafzetbaar kan worden gemaakt. 
Een andere nieuwigheid binnen de nv is dat deze bestuurd zal kunnen worden door één enkele bestuurder. Dit betekent ongetwijfeld een grote sprong voorwaarts op gebied van flexibiliteit ten opzichte van het huidige recht, waar in beginsel een driehoofdig bestuur vereist is.

Meervoudig stemrecht wordt mogelijk

Zowel in de bvba als in de nv zal het grondbeginsel ‘elk aandeel geeft recht op één stem’ verlaten kunnen worden. Indien u hiervoor opteert in de statuten zullen aan bepaalde aandelen meerdere stemmen verbonden kunnen worden. Binnen de beursgenoteerde nv kan wel slechts een dubbel stemrecht worden toegekend aan aandeelhouders die hun aandelen tenminste twee jaar ononderbroken aanhouden.


Deze wijziging biedt aldus een nieuwe planningsmogelijkheid voor de bedrijfsleider: de aandelen met één stem kunnen overgedragen worden aan de volgende generatie, terwijl hij/zij zelf de aandelen met meervoudig stemrecht behoudt om de controle in de algemene vergadering te bewaren.


Het nieuwe wetboek bezegelt tevens het lot van de aandelen waarvan de eigendomsverhouding gesplitst is in een blote eigendom en vruchtgebruik. Voortaan zal de vruchtgebruiker alle rechten die aan het aandeel verbonden zijn uitoefenen, tenzij de statuten, een testament of een overeenkomst anders bepalen.

Inwerkingtreding


Bestaande vennootschappen zullen in principe tot 1 januari 2024 tijd hebben om hun statuten aan te passen aan de nieuwe regels. Bepalingen van zogenaamd ‘dwingend recht’ zullen voor deze vennootschappen sowieso met ingang van 1 januari 2020 van toepassing zijn. U kan de nieuwe regels uit het WVV indien gewenst echter al eerder implementeren in de statuten van uw vennootschap vanaf 1 mei 2019 (via een zogenaamde ‘opt-in’).


Vennootschappen die na 1 mei 2019 opgericht worden, zullen meteen onderworpen worden aan deze bepalingen.

 

Sam Dejaegere

Naar boven

2. Misbruik van Moeder-dochterrichtlijn voor toepassing van inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting

Het Europese Hof van Justitie (hierna HvJ) heeft eind februari 2019 na prejudiciële vragen van de Deense Hoge Raad een uitspraak gedaan in twee gevoegde zaken. In deze zaken werden dividenden uitgekeerd door in Denemarken gevestigde dochterondernemingen aan een in Luxemburg respectievelijk op Cyprus gevestigde moedervennootschap. De uitgekeerde dividenden vielen onder de Moeder-dochterrichtlijn, zodat deze vrijgesteld moesten worden van Deense dividendbelasting. De Deense belastingdienst was echter van mening dat de in Luxemburg en Cyprus gevestigde moedervennootschappen slechts doorstroomvennootschappen waren: het dividend zou worden doorbetaald aan vijf buiten de EU en niet in een verdragsland van Denemarken gevestigde beleggingsfondsen respectievelijk aan de op Bermuda gevestigde grootmoedermaatschappij.

De Deense belastingdienst was van mening dat de in Luxemburg en op Cyprus gevestigde moedervennootschappen niet de uiteindelijk gerechtigden tot het dividend waren. De Moeder-dochterrichtlijn stelt echter niet als eis dat de ontvanger de uiteindelijk gerechtigde moet zijn. De weigering van de vrijstelling van dividendbelasting kon door de Deense belastingdienst hooguit worden gebaseerd op een bepaald artikel in de Moeder-dochterrichtlijn op grond waarvan lidstaten, ten tijde van de onderhavige zaken, bevoegd waren om nationale of bilaterale antimisbruikbepalingen in te voeren. Denemarken had echter geen nationale antimisbruikbepaling voor de implementatie hiervan ingevoerd. Een richtlijn kan geen verplichtingen aan belastingplichtigen opleggen, dat moet via de nationale wet gebeuren. 
In de prejudiciële vragen kwam dan ook aan de orde of de bepalingen in de verdragen tussen Denemarken en Luxemburg respectievelijk Cyprus waarin het begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’ wordt gebruikt als rechtsgrondslag voor misbruikbestrijding konden dienen. Vervolgens was de vraag wanneer zich misbruik voordoet.

Antimisbruik als algemeen rechtsbeginsel

Het HvJ benadrukte in de eerste plaats het bestaan van het algemene Unierechtelijke rechtsbeginsel op basis waarvan belastingplichtigen in geval van fraude of misbruik geen beroep kunnen doen op het Unierecht. Dit algemene Unierechtelijke rechtsbeginsel heeft een constitutioneel karakter. Het HvJ oordeelde dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties de voordelen uit de Moeder-dochterrichtlijn in geval van misbruik mogen én zelfs moeten weigeren op grond van dit algemene beginsel. Dit geldt ongeacht het bestaan van een nationale of bilaterale bepaling waarin misbruik wordt bestreden. De weigering om deze voordelen toe te passen werd door het HvJ gebaseerd op het algemene rechtsbeginsel en niet op het antimisbruikvoorbehoud in de Moeder-dochterrichtlijn.

Wanneer is sprake van misbruik?

Volgens het HvJ is misbruik aan de orde in geval van een kunstmatige constructie. Hiervan is sprake als een structuur niet is opgericht om redenen die overeenkomen met de economische realiteit, een zuiver formele structuur heeft én als voornaamste doel of één van zijn voornaamste doelen heeft, een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de toepasselijke belastingwetgeving ondermijnt. Daarvan is niet alleen sprake wanneer het doel uitsluitend het verkrijgen van het belastingvoordeel is, maar ook als dit in wezen het doel is. En dit doet zich volgens het HvJ met name voor wanneer de belastingheffing over dividend wordt vermeden doordat aan de concernstructuur een ‘doorstroomvennootschap’ wordt toegevoegd tussen de vennootschap die de dividenden uitkeert en de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden.

Wat is een doorstroomvennootschap? 

Een doorstroomvennootschap is volgens het HvJ een onderneming die zich uitsluitend bezighoudt met het ontvangen van de dividenden en de overdracht daarvan aan de uiteindelijk gerechtigde of aan andere doorstroomvennootschappen. Uit alle relevante gegevens van het beheer van de onderneming, haar boekhoudkundige balans, haar kostenstructuur en de werkelijk gemaakte kosten, haar werknemers, alsmede haar kantoren en uitrusting kan dan blijken dat een ‘daadwerkelijk economische activiteit’ (met andere woorden ‘substance’) ontbreekt. Deze beoordeling moet echter wel tegen de achtergrond van de specifieke kenmerken van de betreffende economische activiteit plaatsvinden, waarbij wellicht aan een houdsteractiviteit niet al te hoge substance-eisen kunnen worden gesteld. Het HvJ noemt nog een aantal elementen als mogelijke andere aanwijzing voor misbruik, namelijk dat de ontvanger zeer snel na de ontvangst de dividenden (nagenoeg) volledig doorsluist naar entiteiten die niet aan de voorwaarden van de Moeder-dochterrichtlijn voldoen, zoals vennootschappen die in een derde land zijn gevestigd. En ook het feit dat de ontvanger in wezen niet het recht heeft op gebruik en genot van de dividenden is een misbruikaanwijzing, ook al is er geen contractuele of wettelijke verplichting tot doorbetaling.

Aan de hand van deze aanwijzingen moet de Deense rechter gaan vaststellen of in deze casus sprake is van misbruik. Voor Nederland lijkt deze uitspraak iets minder van belang, omdat Nederland de huidige algemene antimisbruikbepaling in de Moeder-dochterrichtlijn heeft geïmplementeerd in zowel de Wet op de dividendbelasting 1965 als de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Of de ‘safe harbour’ die de staatssecretaris van Financiën in de Uitvoeringsbeschikkingen vennootschapsbelasting 1969 en dividendbelasting 1965 heeft opgenomen in dit verband voldoende zijn, is echter nog de vraag. De staatssecretaris heeft onlangs aangegeven dat hij laat onderzoeken of deze safe harbour aanpassing nodig heeft en zal zo nodig op Prinsjesdag – wanneer het Belastingpakket 2020 wordt gepresenteerd – met voorstellen komen.

 

We zullen u uiteraard van de verdere ontwikkelingen op de hoogte houden.

 

Paul te Boekhorst

Naar boven

3. Belgische UBO-register: Frequently Asked Questions eindelijk bijgewerkt

In onze nieuwsbrief van september 2018 kon u al lezen hoe het Belgische UBO-register praktische uitwerking gekregen heeft met het Koninklijk Besluit van 30 juli 2018. Toch mochten we van de Belgische belastingadministratie nog een aantal verduidelijkingen verwachten, die gedeeltelijk verder uitgewerkt zijn in een update van de opgestelde Frequently Asked Questions (FAQ). Hieronder worden de voornaamste nieuwigheden besproken.

Hoger leidinggevend personeel

Vooreerst wordt er een verduidelijking aangebracht aan de trapsgewijze identificatie van de UBO(‘s) van een vennootschap. Deze trapsgewijze analyse moet voor de eerste twee categorieën uitgevoerd worden per persoon. Indien een UBO dus wordt geïdentificeerd aan de hand van de 1ste of 2de categorie, heeft dit geen invloed op de toepassing van dezelfde test op elke andere persoon die mogelijks in aanmerking komt.


Indien niemand kan worden geïdentificeerd aan de hand van deze eerste twee categorieën, moet het ‘hoger leidinggevend personeel’ aangeduid worden als begunstigde. De FAQ verduidelijkt dat het gaat om personen werkzaam bij de vennootschap die in de praktijk de meest beslissende invloed uitoefenen op het beheer van de vennootschap. Dit is bijvoorbeeld de CEO, de voorzitter van het directiecomité, de bestuurder of de zaakvoerder.

25% criterium

Daarnaast wordt ook toegelicht wat de impact is van een huwelijk op de beoordeling van de 25%-drempel voor vennootschappen. Indien de aandelen deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen, wordt de 25%-drempel beoordeeld in hoofde van het gemeenschappelijk vermogen en niet in hoofde van elke partner afzonderlijk. Dit geldt niet indien de partners getrouwd zijn onder stelsel van zuivere scheiding van goederen. De aandelen behoren hen dan immers persoonlijk toe.

Wanneer er aandelen worden aangehouden in een vruchtgebruik – blote eigendomsverhouding, zal de blote eigenaar geregistreerd moeten worden indien deze meer dan 25% van de aandelen bezit. Daarnaast zal ook de vruchtgebruiker aangemerkt worden als UBO indien deze meer dan 25% van de stemrechten kan uitoefenen.


Als een groep personen de aandelen aanhoudt in onverdeeldheid, en deze aanleiding geeft tot een controle van meer dan 25%, moeten alle personen in deze onverdeeldheid geregistreerd worden in het UBO-register.

Vzw’s en stichtingen

De FAQ biedt ook een antwoord op de situatie waarbij een vzw, stichting, trust, fiducie of een gelijkaardige juridische constructie meer dan 25% van de aandelen van een vennootschap aanhoudt. In dat geval zal/zullen de uiteindelijke begunstigde(n) van deze intermediaire entiteit aangemerkt worden als UBO van de vennootschap.

Voor (internationale) vzw’s en stichtingen worden er een aantal categorieën van personen vermeld die aangemerkt worden als UBO. Eén van deze categorieën betreft de personen in wier hoofdzakelijk belang de entiteit werd opgericht of werkzaam is. De FAQ verduidelijkt nu dat dit in de eerste plaats de personen betreft die genoemd worden in de statuten. Indien geen enkele persoon wordt aangewezen in de statuten, zullen de begunstigden de ‘algemene categorie’ van personen zijn in wiens hoofdzakelijk belang de entiteit is opgericht of werkzaam is. Indien een vereniging zonder winstoogmerk het begunstigden van mindervaliden als doel heeft, dan zijn de mindervaliden de begunstigden.

Tot slot verwijst de FAQ ook nog naar de uitgestelde deadline van 30 september 2019 voor de eerste registratie van de uiteindelijke begunstigde(n) in het register.

 

Sam Dejaegere en Ilke Vandenbroeck

Naar boven

4. Nederlands wetvoorstel invoering Ubo-register Nederland

In deze nieuwsbrief informeerden wij u eerder over de invoering van een Nederlandse UBO-register en welke gegevens in dit register dienen te worden geregistreerd. Op 4 april jongstleden is het verwachte wetsvoorstel ‘implementatie registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten’ (hierna: het wetsvoorstel) ingediend bij de Tweede Kamer.

Hierna geven wij een aantal belangrijke elementen ten aanzien van het wetsvoorstel weer. Voor meer informatie verwijzen wij u naar ons cliëntenmemorandum.

Wie is UBO?

Een UBO is een natuurlijk persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of zeggenschap heeft over een vennootschap of een andere ingeschreven juridische entiteit via het houden van een belang van meer dan 25%.

Wie is registratieplichtig?

De registratieplicht in het Nederlandse UBO-register sluit aan bij de inschrijvingsplicht in de Handelsregisterwet. In Nederland gevestigde ondernemingen en rechtspersonen die volgens hun statuten hun zetel in Nederland hebben zijn verplicht om hun UBO te registreren. Momenteel gaat het daarbij om de volgende entiteiten:

  1. Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en naamloze vennootschap (met uitzondering van beursgenoteerde naamloze vennootschappen die zijn onderworpen aan bepaalde openbaarmakingsvereisten en hun 100%-dochtervennootschappen);
  2. Europese naamloze vennootschap, Europees economisch samenwerkingsverband en Europese coöperatieve vennootschap;
  3. Coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, vereniging, vereniging met volledige rechtsbevoegdheid en vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid die een onderneming drijft;
  4. Stichting (waaronder een STAK), maatschap, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma en rederij;
  5. ANBI (algemeen nut beogende instelling) indien zij als vennootschap of andere juridische entiteit zijn vormgegeven).

In tegenstelling tot de eerdere beschikbare informatie komt er met het UBO-wetsvoorstel een nieuwe verplichting voor inschrijving in de Handelsregisterwet en daarmee ook de verplichting van die entiteiten om een UBO te registreren in het UBO-register. Een onderneming die niet (meer) in Nederland is gevestigd en die toebehoort aan een in Nederland opgerichte maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of rederij dient zich op basis van het wetsvoorstel namelijk wederom in te schrijven. De inschrijvingsplicht wordt tevens uitgebreid tot vennootschappen of andere juridische entiteiten die voor inwerkingtreding van het wetsvoorstel uit het Handelsregister zijn uitgeschreven vanwege vertrek uit Nederland (bijvoorbeeld naar België).


Buitenlandse rechtspersonen met een hoofd- of nevenvestiging in Nederland hoeven geen UBO in Nederland te registreren. Ook een kerkgenootschap, eenmanszaak, publiekrechtelijke rechtspersoon en informele vereniging vallen niet onder de verplichting om een UBO te registreren.


Ten aanzien van het fonds voor gemene rekening wordt opgemerkt dat dit valt onder de verplichting van trusts en soortgelijke juridische constructies om informatie over hun UBO in te winnen en centraal te registreren. Hiervoor komt er een aparte UBO-register.

Welke gegevens dienen te worden geregistreerd?

Indien sprake is van een registratieplichtige entiteit en één of meerdere UBO’s, dient van elke UBO een aantal persoonsgegevens te worden geregistreerd en de aard en omvang van het gehouden economische belang. Ten aanzien van de omvang van het gehouden belang zal moeten worden vermeld binnen welke bandbreedte het belang valt: meer dan 25% tot 50%, 50% tot 75% dan wel 75% tot en met 100%. Op basis van het wetsvoorstel dienen geen geldbedragen te worden vermeld.

Tot slot

Nu het wetsvoorstel is ingediend bij de Tweede Kamer komt de verplichting tot het inschrijven van de UBO in het UBO-register steeds dichterbij. Wij volgen uiteraard de ontwikkelingen en houden u op de hoogte.


Rabiye Inan en Mark Foesenek

Naar boven

5. Verruiming Nederlandse werkkostenregeling per 1 januari 2020

Het kabinet heeft een bedrag van € 100 miljoen opzijgezet voor een verruiming van de werkkostenregeling per 2020. Hiermee wil het kabinet de vrije ruimte van 1,2% verhogen tot 1,7% over de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom. Ook worden de gerichte vrijstellingen uitgebreid met een vrijstelling voor vergoedingen voor verklaringen omtrent het gedrag (‘vog’s’) van werknemers.

Werkkostenregeling

Onder de werkkostenregeling zijn alle vergoedingen en verstrekkingen aan de werknemer loon. Vergoedingen en verstrekkingen die de werkgever aanwijst als eindheffingsbestanddeel en onder een van de gerichte vrijstellingen vallen zijn echter onbelast, zoals reiskosten of opleidingskosten. Voor de overige (aangewezen) vergoedingen en verstrekkingen geldt dat deze onbelast zijn indien de werkgever deze onderbrengt in de vrije ruimte van 1,2% van de fiscale loonsom. Bij overschrijding van de vrije ruimte is sprake van een eindheffing voor de werkgever van 80% over het meerdere. De omvang van de aangewezen vergoedingen en verstrekkingen mag niet in belangrijke mate groter zijn dan in overeenkomstige omstandigheden gebruikelijk is.

Evaluatie van de werkkostenregeling 

In maart 2018 presenteerde de staatssecretaris van Financiën een evaluatie van de werkkostenregeling, waaruit bleek dat personeelsfeesten buiten de werkplek doorgaans de oorzaak zijn van een overschrijding van de vrije ruimte van 1,2%. Naar aanleiding daarvan merkt de staatssecretaris in zijn voorstel tot verruiming van de werkkostenregeling op dat vooral mkb-ondernemingen met lage lonen en/of veel parttimers de vrije ruimte als knellend ervaren, omdat zij als kleine ondernemingen vaker genoodzaakt zijn om personeelsfestiviteiten op een externe locatie te organiseren. Kosten voor deze externe feesten komen in mindering op de vrije ruimte, terwijl dat bij personeelsfeesten op de werkplek niet het geval is. Om dit knelpunt binnen het mkb te verhelpen, wil het kabinet daarom de vrije ruimte van 1,2% van de fiscale loonsom verhogen tot 1,7% over de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom.

Uit de evaluatie in maart 2018 bleek tevens dat het rechtvaardig zou zijn als zaken die (min of meer) wettelijk verplicht zijn voor werknemers in bepaalde functies, zoals de vog, belastingvrij vergoed zouden kunnen worden. Naar aanleiding hiervan wordt de gerichte vrijstelling voor vergoedingen voor vog’s voorgesteld.

Hebt u als werkgever vragen over de werkkostenregeling en de voorgestelde verruiming met ingang van 2020, neemt u dan gerust contact met ons op.

 

Esther Hoppenbrouwers en Romy Loeffen

Naar boven

6. Tariefwijzigingen btw in België

In België zijn met ingang van 1 april 2019 een aantal btw-tariefwijzigingen ingevoerd. Hieronder geven wij graag een korte opsomming van deze wijzigingen.

Elektronische publicaties

Het btw-tarief op elektronische publicaties is verlaagd van 21% naar 6%. Dit zorgt voor een gelijkschakeling met het btw-tarief voor papieren publicaties. Publicaties die uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit video-inhoud, beluisterbare muziek of reclame worden van dit verlaagde tarief uitgesloten. Voor elektronische tijdschriften en kranten geldt onder bepaalde voorwaarden zelfs een nultarief. Dit was reeds van toepassing op papieren versies via administratieve richtlijnen, maar dit nultarief is nu ook wettelijk verankerd en meteen uitgebreid naar elektronische exemplaren. 

In Nederland is er tot op heden nog geen tariefswijziging ingevoerd. De Staatssecretaris heeft slechts aangekondigd dat hij van plan is om het btw-tarief op e-books per 1 januari 2020 te verlagen naar 9%. 

Planten en bloemen

De levering van planten en bloemen in het kader van tuinaanleg– of onderhoud is voortaan ook onderworpen aan het verlaagd btw-tarief van 6%. Hiermee werkt de wetgever een feitelijke discriminatie weg, waar de tuinbouwsector reeds 20 jaar voor ijverde. 
De loutere levering van planten en bloemen is onderworpen aan het verlaagd btw-tarief van 6%. Het aanleggen en onderhouden van tuinen kwalificeert als een werk in onroerende staat waarvoor in principe het btw-tarief van 21% geldt. Tot voor kort moest in België datzelfde tarief ook worden toegepast voor de planten en materialen die in dat kader door de tuinaannemer werden meegeleverd. De tariefverlaging is nu ingevoerd met als doel het indijken van het zwartwerk en de fraude die deze ongelijkheid in de hand werkte. Voor wie door de brochure van de tuinaannemer aan het bladeren is, geven we nog mee dat het gaat over volgende planten: (1) levende woudbomen, levende fruitbomen, -heesters en -struiken alsmede plantgoed daarvan en (2) levende sierbomen, -heesters, -struiken en andere levende sierplanten, bollen, knollen, wortels en ander plantgoed voor de sierteelt.

In Nederland is dit verlaagd tarief reeds lange tijd van toepassing. 
Indien u vragen heeft over bovenstaande, kunt u uiteraard te allen tijde contact met ons opnemen.

Pichal Nele en Camille Corten

Naar boven

7. Aftrek van voorbelasting bij gemengd gebruik in de btw

Onder andere ondernemers die zowel belaste als vrijgestelde prestaties verrichten, krijgen te maken met de paradox van de btw. Omdat btw op kosten voor vrijgestelde prestaties niet aftrekbaar is, wordt de btw voor hen juist een kostenpost. Een goede splitsing van de voorbelasting kan onnodige kosten voorkomen.


De gemengde btw-plichtige in Nederland

Recht van aftrek btw
Wanneer een ondernemer zowel prestaties verricht waarvoor recht op aftrek bestaat als prestaties waarvoor hij geen recht op aftrek heeft, dan zal de aan hem in rekening gebrachte btw moeten worden gesplitst in een deel dat voor aftrek in aanmerking komt en een deel waarvoor dat niet het geval is. Overigens geldt dit alleen voor kosten die niet uitsluitend worden gebruikt voor een belaste of een vrijgestelde prestatie, oftewel de algemene kosten. Btw op kosten die uitsluitend worden gebruikt voor belaste prestaties is namelijk volledig aftrekbaar. Btw op kosten die uitsluitend worden gebruikt voor vrijgestelde prestaties is niet aftrekbaar. De gemengde kosten daarentegen moeten worden gesplitst naar de omzetverhoudingen (het zogenoemde pro rata) of naarmate van het werkelijke gebruik. Onlangs is een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant verschenen over het gebruik van deze verschillende verdeelsleutels voor de mate van aftrek.


De casus: digitalisering in de kinderopvang
Een kinderopvang heeft mede een digitaal platform ontwikkeld dat applicaties op de opvangmarkt met elkaar koppelt en synchroniseert. Dit platform wordt ook door andere ondernemers gebruikt. In de aangifte maakt de kinderopvang, om het recht op aftrek te vergroten, onderscheid tussen de algemene kosten van het platform en de andere algemene kosten. Voor de aftrek van de kosten van het platform gebruikt hij het aantal aansluitingen (werkelijk gebruik). Vervolgens gaat hij voor de overige algemene kosten uit van het pro rata. In principe moet de omzetverhouding worden gebruikt voor de mate van het recht van aftrek, tenzij het werkelijke gebruik een beter beeld geeft van de verhoudingen. De rechtbank is van mening dat er volgens jurisprudentie van de Hoge Raad geen ruimte bestaat voor het gebruik van twee verschillende verdeelsleutels. Het is de kinderopvang ook niet gelukt het werkelijke gebruik vast te stellen aan de hand van objectieve en nauwkeurige gegevens.


De gemengde btw-plichtige in België

Recht van aftrek btw
Ook in België kunnen ondernemers die zowel belaste handelingen als van btw vrijgestelde handelingen uitvoeren (‘gemengde belastingplichtigen’), slechts een beperkt recht op aftrek van btw uitoefenen. In principe moet het recht op aftrek bepaalt worden op basis van het algemeen verhoudingsgetal (oftewel: pro rata). Het verschil met Nederland is dat dit verhoudingsgetal moet worden toegepast op alle kosten gemaakt door de ondernemer, dus zonder onderscheid van belaste, vrijgestelde en/of gemengde kosten.


Mits aan bepaalde voorwaarden voldaan is, kan een gemengde belastingplichtige echter opteren om haar recht op aftrek van Belgische btw uit te oefenen overeenkomstig de regel van het werkelijk gebruik. De Belgische btw-administratie kan dit ook opleggen, in de mate dat de toepassing van de regel van het algemeen verhoudingsgetal zou leiden tot een onevenredige aftrek van Belgische btw.


Bij toepassing van het werkelijk gebruik moet de belastingplichtige een of meerdere bijzondere verhoudingsgetallen toepassen voor het recht op aftrek van de algemene kosten. Anders dan in Nederland kan er in België aldus wel gebruik worden gemaakt van verschillende bijzondere verhoudingsgetallen, weliswaar onder toezicht van de btw-administratie. Bij toepassing van werkelijk gebruik is net als in Nederland de btw voor belaste prestaties volledig aftrekbaar en is de btw op vrijgestelde prestaties niet aftrekbaar.

Conclusie

Het recht van aftrek van btw op algemene kosten mag in Nederland dus niet deels op basis van de pro-ratamethode en deels op basis van het werkelijke gebruik worden bepaald. Als de pro-ratamethode wordt gebruikt, geldt de gemaakte keuze voor het gemengde gebruik van alle goederen en diensten. Anders dan in Nederland kan er in België voor gemengde kosten wel gebruik worden gemaakt van verschillende bijzondere verhoudingsgetallen, weliswaar onder toezicht van de btw-administratie.

Het is niet altijd eenvoudig om een juiste en nauwkeurige splitsing te maken voor de mate van het recht van aftrek en op die manier kosten te voorkomen. Wij assisteren hier graag bij.

 

Camille Corten en Nele Pichal
 

Naar boven

8. Nieuwe verplichtingen voor de Belgische maatschap

In een eerdere nieuwsbrief beschreven we al kort de belangrijkste consequenties van de uitbreiding van het ondernemingsbegrip voor maatschappen. Door de Wet Hervorming Ondernemingsrecht werd de maatschap sedert 1 november 2018 ook een onderneming, wat een aantal aanzienlijke gevolgen met zich meebrengt.Zo is er de hoofdelijke aansprakelijkheid van de maten, de verplichte inschrijving in de Kruispuntbank der Ondernemingen (KBO) en de boekhoudplicht. Daarnaast moet ook de maatschap haar uiteindelijke begunstigde(n) inschrijven in het UBO-register. In deze bijdrage beschrijven we de gevolgen in meer detail. 

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Een eerste belangrijk gevolg van het nieuwe ondernemersbegrip is dat de hoofdelijke aansprakelijkheid uitgebreid wordt naar alle maatschappen. Voorheen werd een onderscheid gemaakt naargelang de aard van de maatschap: ging het om een commerciële maatschap, dan konden de maten hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. Ging het daarentegen om een burgerlijke maatschap, de vorm die vooral gebruikt wordt in het kader van vermogensplanning, dan waren de maten aansprakelijk voor een gelijk deel.

De hoofdelijke aansprakelijkheid van het nieuwe ondernemingsrecht wil zeggen dat een schuldeiser 100% van zijn schuld kan uitwinnen bij één maat naar zijn voorkeur. De andere maten zullen vervolgens wel gehouden zijn om hun aandeel in de schuld terug te betalen aan deze maat. Wanneer de maatschap louter het familiaal vermogen beheert, lijkt het echter weinig waarschijnlijk dat er schulden worden aangegaan in naam van de maatschap. 

Inschrijving KBO

De maatschap is tevens verplicht om zich in te schrijven in de Kruispuntbank der Ondernemingen. Voor bestaande maatschappen moet dit uiterlijk op 30 april 2019 gebeuren. Na de inschrijving in de KBO wordt een uniek ondernemingsnummer toegekend. Het is wettelijk verplicht om dit identificatienummer te gebruiken in het rechtsverkeer.

Indien de inschrijving niet tijdig gebeurt, kan dit gevolgen met zich meebrengen. Indien de maatschap nadien een rechtsvordering zou instellen, kan de niet-ontvankelijkheid van deze rechtsvordering ingeroepen worden wegens het ontbreken van een ondernemingsnummer. Bovendien worden er strafrechtelijke geldboetes van € 26 tot € 10.000 voorzien.

Wanneer uw maatschap reeds is ingeschreven in de KBO, kan dit aanleiding geven tot provinciebelasting voor bedrijven. Dit geldt echter niet voor maatschappen die bedoeld zijn om het familiaal vermogen te beheren, vermits de provinciebelasting gericht is op economisch actieve ondernemingen. Bijgevolg kunt u in dat geval om een vrijstelling verzoeken.

Door de inschrijving in de KBO kunt u tevens een brief van de btw-administratie ontvangen met daarin de vraag om het ondernemingsnummer te activeren als btw-nummer. Een maatschap die geen economische activiteit uitoefent op geregelde en zelfstandige basis, is echter niet btw-plichtig waardoor u in dat geval geen btw-nummer dient te activeren.

Tot slot heeft de inschrijving in de KBO ook tot gevolg dat bepaalde gegevens van de maatschap toegankelijk zullen worden voor het publiek. Dit betekent een verlies aan discretie, terwijl dat vaak net een belangrijk aspect is voor families met een familiale maatschap.

Boekhoudplicht

Maatschappen zijn voortaan ook verplicht om een boekhouding te voeren. Het type te voeren boekhouding is afhankelijk van bepaalde grenzen:

  • Indien de maatschap een omzet van maximaal €500.000 per jaar heeft, mag zij een vereenvoudigde boekhouding voeren. Deze bestaat uit een aankoopboek, een verkoopboek, een financieel dagboek en een inventarisboek. Indien gewenst kan geopteerd worden voor een dubbele boekhouding.
  • Indien de omzet hoger is dan €500.000 per jaar, moet de maatschap een dubbele boekhouding

Hoe het begrip ‘omzet’ geïnterpreteerd moet worden in het kader van de maatschap is vooralsnog niet geheel duidelijk. 

Overigens geldt ook de verplichting om de boekhouding en verantwoordingsstukken gedurende een periode van minstens 7 jaar bij te houden. Stukken die niet strekken tot bewijs jegens derden moeten slechts gedurende 3 jaar worden bewaard. Vooralsnog zou er voor de maatschappen geen verplichting gelden om de jaarrekening ter publicatie neer te leggen.

De inwerkingtreding van deze boekhoudkundige verplichtingen is afhankelijk van het moment van oprichting en de indeling van het boekjaar:

  • Maatschappen die opgericht waren vóór 1 november 2018 moeten in principe pas verplicht een boekhouding voeren vanaf 1 januari 2020.
  • Indien het gaat om een maatschap die opgericht was vóór 1 november 2018, maar waarvan het boekjaar afwijkt van het kalenderjaar, dan is de regelgeving onmiddellijk van toepassing voor elk boekjaar dat start na 1 april 2019. Start het boekjaar uiterlijk op 1 april 2019, dan krijgt de maatschap tijd tot de start van het eerste boekjaar in 2020.
  • Maatschappen die opgericht worden vanaf 1 november 2018 zijn meteen boekhoudplichtig.

UBO-register

Ten laatste wordt ook de maatschap niet gespaard van de verplichte registratie van haar uiteindelijke begunstigde(n) in het UBO-Register. Uiterlijk op 30 september 2019 zullen de uiteindelijke begunstigde(n) van de maatschap geregistreerd moeten worden in het UBO-register. Wij verwijzen naar het artikel elders in deze nieuwsbrief.

Sam Dejaegere

Naar boven

© 2019 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.