Inhoud

Naar boven


1. Europese voorstellen voor de belastingheffing over inkomsten uit de digitale economie

In het kader van het BEPS-project (‘Base Erosion and Profit Shifting’), waarover wij u eerder berichtten, staat de belastingheffing over inkomsten uit de digitale economie hoog op de politieke agenda. Al enige tijd worden verschillende ideeën openbaar gemaakt om de digitale economie op een eerlijke(re) wijze in de belastingheffing te betrekken.

Op 16 maart 2018 verscheen hierover een rapport van de OESO en op 21 maart 2018 presenteerde de Europese Commissie vervolgens een document met fiscale voorstellen. Meer informatie over beide documenten treft u hier. Hierna lichten wij kort de voorstellen van de Europese Commissie toe.

Met de voorgestelde maatregelen beoogt de Europese Commissie een gezamenlijk, eerlijk en effectief belastingstelsel voor de digitale markt in de Europese Unie (hierna: EU) in het leven te roepen. De twee belangrijkste onderdelen van het pakket aan belastingmaatregelen zijn:

  • de introductie van een tijdelijke ‘digital services tax’;
  • de invoering van een digitale vaste inrichting.

Digital services tax

De digital services tax (hierna: DST) betreft digitale diensten, waaronder de levering van advertentieruimte, het beschikbaar stellen van markten die transacties tussen gebruikers rechtstreeks faciliteren en de overdracht van verzamelde gebruikersgegevens. De Europese Commissie stelt voor over de opbrengsten van ondernemingen uit dergelijke diensten vanaf 1 januari 2020 3% DST te heffen, mits de onderneming:

  • een jaarlijkse wereldwijde omzet heeft van meer dan € 750 miljoen;
  • een jaarlijkse omzet uit digitale diensten in de EU heeft van meer dan € 50 miljoen.

Hoewel de Europese Commissie voorziet in mogelijkheden voor afdracht van de verschuldigde DST in één land op basis van een ‘one-stop-shopmechanisme’, dient de DST toe te komen aan de landen waar de gebruikers van de digitale diensten zijn gevestigd. Tot slot stelt de Europese Commissie voor de verschuldigde DST in aftrek toe te staan op de verschuldigde vennootschapsbelasting.

Digitale vaste inrichting

De introductie van een digitale vaste inrichting (hierna: DPE) dient volgens de voorstellen van de Europese Commissie in de plaats te komen van bovengenoemde tijdelijke DST. De DPE creëert een belastbare grondslag voor digitale bedrijven die actief zijn binnen de EU met geen of slechts een beperkte fysieke aanwezigheid.

De Europese Commissie spreekt over ‘significant digital presence’, waarvan sprake is als een digitaal platform (bijvoorbeeld een website of een applicatie) per jaar:

  • ten minste € 7 miljoen opbrengst in een lidstaat genereert;
  • meer dan 100.000 gebruikers heeft in een lidstaat; en/of
  • meer dan 3.000 contracten voor online diensten met gebruikers heeft afgesloten.

Indien sprake is van digitale diensten worden de hieraan toerekenbare resultaten op basis van het voorstel van de Europese Commissie belast onder het normale vennootschapsbelastingstelsel van de betreffende lidstaat.

De Europese Commissie stelt voor de DPE toe te passen voor ondernemers gevestigd in de EU en niet-verdragslanden buiten de EU. Daarnaast moedigt zij landen aan de maatregelen eveneens in hun belastingverdragen met derde landen te implementeren.

Vooruitzichten

Bovengenoemde voorstellen zullen ter goedkeuring aan de Europese Raad en voor advies aan het Europees Parlement worden voorgelegd. Omdat voor goedkeuring door de Europese Raad unanimiteit is vereist en meerdere landen bezwaren hebben, moet worden afgewacht of de voorstellen van de Europese Commissie (ongewijzigd) zullen worden aangenomen. Vanzelfsprekend houden wij u op de hoogte van de ontwikkelingen in dit kader.

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven


2. Weldra een nieuw Belgisch huwelijksvermogensrecht?

Na de recente hervorming van het erfrecht heeft de Belgische ministerraad begin december 2017 groen licht gegeven voor een hervorming van het huwelijksvermogensrecht. Het wetsvoorstel hiervoor is ondertussen ter goedkeuring voorgelegd aan de Kamer en zou op hetzelfde tijdstip als het erfrecht in werking treden, namelijk op 1 september 2018. In dit artikel vatten wij de belangrijkste wijzigingen op basis van dit wetsvoorstel voor u samen.

Onderscheid eigen en gemeenschappelijk vermogen en correcte allocatie van beroepsinkomsten

Indien echtgenoten huwen zonder een huwelijksovereenkomst, dan geldt het wettelijk stelsel. Dit betekent concreet dat alle beroepsinkomsten en het vermogen dat beide echtgenoten samen opbouwen tijdens hun huwelijk terechtkomen in het gemeenschappelijk vermogen. Het vermogen dat men heeft opgebouwd vóór het huwelijk of heeft verkregen via schenking of erfenis behoort tot het eigen vermogen. In de praktijk zien wij dat dit onderscheid tussen eigen en gemeenschappelijk vermogen vaak leidt tot onbillijke situaties.

Een voorbeeld hiervan is de situatie waarbij een van beide partners zijn beroepsactiviteit via een ‘eigen’ vennootschap (waarvan de aandelen tot zijn eigen vermogen behoren) uitoefent en vervolgens zijn inkomsten binnen deze vennootschap oppot. Door het niet uitkeren van deze winsten en het zichzelf niet toekennen van een (volwaardig) loon, worden deze inkomsten – in strijd met het principe van de solidariteit van het wettelijk stelsel – onttrokken aan het gemeenschappelijk vermogen. Het nadeel dat het gemeenschappelijk vermogen in een dergelijk geval loopt, zal op basis van de nieuwe regelgeving kunnen worden gecompenseerd. Hiertoe wordt een expliciet recht op vergoeding opgenomen in de nieuwe wet. Het blijft echter aan de echtgenoot die het nadeel ondervindt om het recht op vergoeding en de omvang ervan aan te tonen.

Anderzijds wil men met de nieuwe regelgeving voorkomen dat een partner het voortbestaan van de vennootschap of een beroepsactiviteit van de andere echtgenoot zou kunnen verhinderen. Daarvoor worden eveneens regels opgenomen in de wet.

Meer billijkheid bij scheiding van goederen?

Indien men gehuwd is onder een stelsel van scheiding van goederen bestaat er geen gemeenschappelijk vermogen. Beide echtgenoten hebben elk een eigen vermogen dat zij autonoom besturen. Vaak kiezen echtgenoten met een eigen zaak voor dit stelsel ter bescherming van de andere echtgenoot tegen potentiële beroepsschuldeisers, maar willen zij niet noodzakelijk de huwelijkse solidariteit terugschroeven.

Bijzonder problematisch is de situatie waarbij een van beide echtgenoten zijn beroepsactiviteit stopzet om voor het gezin te zorgen en op die manier de andere echtgenoot steunt in zijn carrière. Bij beëindiging van het huwelijk blijft die eerste echtgenoot met lege handen achter.

Het wetsvoorstel voorziet daarom in een nieuw verrekenbeding. Men kan bij huwelijkscontract overeenkomen het wettelijk voorziene verrekenbeding in te voegen. Dit heeft als gevolg dat op het einde van het huwelijk de economisch sterkere partij een vergoeding verschuldigd is aan de echtgenoot die economisch zwakker staat. Bij de bepaling van deze vergoeding zal worden gekeken naar het verschil tussen het vermogen op het tijdstip dat het huwelijk werd gesloten en het vermogen op het tijdstip van ontbinding van het huwelijk. Op deze manier delen de echtgenoten toch in de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot. Gesteld kan worden dat tijdens het huwelijk het stelsel van scheiding van goederen wordt aangenomen, maar dat nadien wordt verrekend alsof initieel sprake was van een wettelijk stelsel.

Bij voorhuwelijkse gezamenlijke aankoop van een onroerend goed: mogelijkheid tot anticipatieve inbreng

De wetgever wil tegemoetkomen aan de maatschappelijke realiteit dat partners vaak al voor het huwelijk gezamenlijk een woning willen aankopen door de inbreng ervan in de latere huwelijksgemeenschap te vereenvoudigen, alsook de kosten die daarmee gepaard gaan te verlagen.

Vandaar dat het nieuwe huwelijksvermogensrecht voorziet in de mogelijkheid voor partners om in de aankoopakte van het onroerend goed een ‘anticipatieve inbreng’ te doen in de huwelijksgemeenschap. Dit beding zorgt ervoor dat indien men later huwt, het onroerend goed automatisch tot het gemeenschappelijk vermogen behoort en men geen tweede keer naar de notaris hoeft te stappen. Hiervoor is vereist dat elk van de partners de helft van het onroerend goed in volle eigendom verkrijgt.

Afschaffing verbod op verkoop tussen echtgenoten

Onder het huidige huwelijksvermogensrecht is de verkoop tussen echtgenoten, behoudens wettelijke uitzonderingen, verboden. In het licht van de contractuele vrijheden waarover echtgenoten vandaag de dag beschikken, is dit verbod achterhaald. Vandaar dat het huidige wetsvoorstel uitgaat van de afschaffing van dit verbod.

Nieuw evenwicht inzake positie langstlevende echtgenoot in huwelijksvermogens- en erfrecht

Om ervoor te zorgen dat echtgenoten ook na het overlijden van hun partner voldoende bescherming genieten, wordt voorzien in een (nieuw) sterker erfrecht van de langstlevende echtgenoot indien er geen kinderen zijn. Op dit moment moet de langstlevende echtgenoot de erfenis soms delen met (verre) bloedverwanten van de overledene. Het wetsvoorstel voorziet nu dat de langstlevende echtgenoot, ongeacht het gekozen huwelijksstelsel en mits het huwelijk kinderloos was, een groter deel van de nalatenschap in volle eigendom kan verkrijgen.

Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in de mogelijkheid om de langstlevende echtgenoot bij een tweede huwelijk (met niet-gemeenschappelijke kinderen) volledig te onterven zonder vermindering van de erfrechtelijke aanspraken van de kinderen uit een vorige relatie. Tevens verleent het voorstel de mogelijkheid aan de langstlevende echtgenoot om er voortaan mee in te stemmen afstand te doen van zijn erfaanspraken op het vruchtgebruik van de gezinswoning en de aanwezige inboedel.

Voor meer informatie kunt u vanzelfsprekend bij ons terecht. 

Sophie Schellens

Naar boven


3. Toch optionele btw-heffing op professionele onroerende verhuur in België

In de december 2017-editie van deze nieuwsbrief informeerden wij u over de afvoering van de in het Belgische zomerakkoord vervatte btw-maatregel omtrent de optionele btw-heffing op professionele onroerende verhuur. Deze btw-maatregel, die het ook in België mogelijk zou maken om nieuwe professionele contracten van onroerende verhuur optioneel te onderwerpen aan btw, werd eind 2017 onverwachts wegens budgettaire redenen grotendeels ten grave gedragen. Wederom onverwacht heeft de Belgische regering recent beslist om deze btw-maatregel toch nieuw leven in te blazen.

Toch optie tot btw-heffing

De Belgische federale regering heeft zeer recent de hervorming van de btw-regels inzake de optie tot btw-heffing bij een onroerende verhuur alsnog goedgekeurd. De hervorming van deze optionele btw-heffing is dus opnieuw op de agenda geplaatst. De redenen hiervoor? België wil de concurrentiepositie ten opzichte van de buurlanden verbeteren, onroerende investeringen aanmoedigen en de btw-regels verder vereenvoudigen. 

De nieuwe btw-regels waarmee de optie tot btw-heffing bij de verhuur van onroerend goed wordt ingevoerd, zullen naar verwachting ingaan per 1 oktober 2018. Om gebruik te maken van deze mogelijkheid zijn de volgende cumulatieve vereisten van toepassing:

  1. De huurder is een btw-belastingplichtige (btw-ondernemer) die het onroerend goed gebruikt voor zijn btw-activiteit. Ook gemengde btw-belastingplichtigen of volledig vrijgestelde btw-belastingplichtigen vallen onder de reikwijdte.
  2. De optie wordt uitgeoefend door zowel de verhuurder als de btw-plichtige huurder.
  3. Het gaat om nieuwbouwprojecten, met inbegrip van fundamentele vernieuwbouw (hiermee wordt een bestaand gebouw bedoeld dat zo wordt omgevormd dat het na de werkzaamheden kwalificeert als een nieuw gebouw voor btw-doeleinden). 

Indien men kiest voor dit optionele stelsel van btw-belastbare professionele onroerende verhuur, geldt een bijzondere herzieningstermijn van 25 jaar (in tegenstelling tot de gebruikelijke herzieningstermijn van 15 jaar voor onroerende bedrijfsmiddelen en 5 jaar voor roerende bedrijfsmiddelen). Indien een bestemmingswijziging van het gebouw plaatsvindt binnen de termijn van 25 jaar, waardoor het gebouw niet meer wordt aangewend voor professionele doeleinden, dient de verhuurder voor de periode waarin het gebouw voor andere dan beroepsdoeleinden wordt gebruikt naar verhouding een negatieve herziening te verrichten van de door hem initieel afgetrokken btw. Om de initiële btw over de oprichtings- en aankoopkosten geheel in aftrek te brengen, moet het gebouw derhalve gedurende 25 jaar worden aangewend voor btw-belaste activiteiten. 

Daarnaast wordt een verplichte btw-heffing ingevoerd op de kortdurende verhuur (maximaal zes maanden) van onroerende goederen, met uitzondering van onroerende goederen die worden aangewend voor bewoning en voor handelingen van sociaal-culturele aard. 

Door de invoering van deze nieuwe regeling zullen andere bijzondere regelingen overbodig worden. Hierbij kan gedacht worden aan de regeling voor opslagplaatsen (dus geen toepassing meer van de 10%-regel), bedrijvencentra en shoppingcenters. 

Impact voor België 

De impact van deze regeling bespraken wij reeds in de september 2017-editie van deze nieuwsbrief. De invoering van een optionele btw-heffing zal haar voornaamste impact hebben op het btw-aftrekrecht van de eigenaar-verhuurder van een onroerend goed. De optionele btw-heffing zal btw op de huurvergoedingen met zich meebrengen, maar ook het recht voor de eigenaar-verhuurder om de btw geheven over de aankoop- of constructiekosten van het gebouw in aftrek te brengen. Btw-plichtige huurders zullen de btw op de huurvergoedingen (deels) kunnen terugvorderen. Bij verhuur aan een btw-plichtige huurder met een volledig recht op aftrek van btw zal de huurder de btw over de huurvergoedingen volledig kunnen terugvorderen en vormt de btw dus voor de huurder eveneens geen kostenpost voor de huurder. 

Omtrent de toepassingsvoorwaarden en -modaliteiten zijn, net als bij de initiële aankondiging in het zomerakkoord, nog geen nadere details bekend. De optie tot btw-heffing zal gelden voor nieuwe contracten van professionele onroerende verhuur gesloten vanaf 1 oktober 2018. Door deze hervorming zullen partijen in België bij de professionele onroerende verhuur eindelijk met de overige EU-lidstaten, zoals Nederland, kunnen concurreren. 

Gladys Cristiaensen en Robin De Cock

Naar boven


4. Nederland moet pro-rata-aftrek van Spaanse hypotheekrente verlenen: cassatieberoep ingetrokken

In de januari 2018-editie van deze nieuwsbrief berichtten wij u over de (verwijzings)uitspraak van het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) inzake het recht op hypotheekrenteaftrek van een in Spanje wonende directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga). Voor een beschrijving van de specifieke casus verwijzen wij naar ons artikel in de nieuwsbrief van maart 2017. De staatssecretaris van Financiën stelde tegen de uitspraak van het hof cassatieberoep in, maar heeft dit inmiddels weer ingetrokken. Ook kondigt hij een wetswijziging aan om de Nederlandse wet op dit punt in overeenstemming te brengen met het EU-recht.

De intrekking van het beroep in cassatie is tweeledig. Een reden achter het cassatieberoep was de, volgens de staatssecretaris, onjuiste opvatting van het hof dat Nederland rekening dient te houden met de (on)mogelijkheid tot hypotheekrenteaftrek in de andere werkstaat (Zwitserland in deze casus). Indien de andere werkstaat geen vergelijkbare mogelijkheid tot hypotheekrenteaftrek zou kennen, had Nederland volgens het hof het volledige bedrag aan betaalde hypotheekrenteaftrek in aanmerking moeten nemen. Volgens de staatssecretaris is echter slechts relevant of belanghebbende in de andere werkstaat inkomen heeft ontvangen waartegen hij een overeenkomstig recht te gelde kan maken en is niet relevant of Zwitserland een mogelijkheid tot hypotheekrenteaftrek kent.

Deze redenering van de staatssecretaris heeft echter geen gevolgen voor de onderhavige casus. Omdat Zwitserland een dergelijke mogelijkheid tot hypotheekrenteaftrek wel kent, dient Nederland namelijk hoe dan ook pro-ratahypotheekrenteaftrek toe te kennen. Op basis hiervan is de uitspraak – ondanks de gestelde onjuistheid van deze ingenomen uitgangspunten – volgens de staatssecretaris wel juist. Indien de andere werkstaat geen hypotheekrenteaftrek zou kennen (en Nederland het volledige bedrag aan hypotheekrenteaftrek in aanmerking zou moeten nemen), verwachten wij niet dat Nederland dit zonder meer zou accepteren.

De tweede reden waarom de staatssecretaris zijn cassatieberoep heeft ingetrokken houdt ermee verband dat belanghebbende niet heeft gekozen voor een behandeling als binnenlands belastingplichtige. Het deel van het inkomen van belanghebbende dat in Nederland wordt verdiend en 60% van zijn totale arbeidsinkomen vormt, wordt in Nederland belast in de eerste drie belastingschijven (maximaal 42%). De staatssecretaris is echter van mening dat belanghebbende op grond van Europees recht moet worden behandeld volgens een regeling die (in eerste instantie) is bedoeld voor ingezetenen en dat het arbeidsinkomen van deze belanghebbende daarom belast moet worden met toepassing van het progressievoorbehoud.

Het bovengenoemde progressievoorbehoud houdt in dat inkomsten die niet in Nederland worden belast, wel in aanmerking worden genomen om het van toepassing zijnde belastingtarief te bepalen op de in Nederland belastbare inkomsten. In dat geval zou het arbeidsinkomen van belanghebbende (deels) worden belast tegen het destijds geldende tarief van maximaal 52%. Omdat een progressievoorbehoud alleen toegepast kan worden indien belanghebbende opteert voor behandeling als binnenlands belastingplichtige (deze regeling is overigens afgeschaft per 1 januari 2015), heeft de staatssecretaris dit standpunt in de voorliggende casus (moeten) laten vallen. 

De staatssecretaris kondigt aan dat de (Nederlandse) Wet inkomstenbelasting 2001 naar aanleiding van deze jurisprudentie zal worden aangepast. Het gaat daarbij om de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen. Met deze aanpassing wordt beoogd de wet in overeenstemming met het Europees recht te brengen. Vooruitlopend op de wetswijziging zal op korte termijn een beleidsbesluit worden gepubliceerd.

Wij zijn benieuwd hoe deze regeling zal worden aangepast. Indien door de introductie van een progressievoorbehoud een buitenlandse belastingplichtige te maken krijgt met een hogere heffing, rijst wederom de vraag of dit niet in strijd is met het Europees recht. 

Esther Schutte en William Donders

Naar boven


5. De nieuwe Belgische taks op effectenrekeningen

Met het oog op een rechtvaardigere belastingheffing wordt vanaf 10 maart 2018 door België een jaarlijkse belasting geheven van 0,15% op effectenrekeningen met een gemiddelde waarde van meer dan € 500.000 die worden aangehouden door natuurlijke personen.

Wie is belastingplichtig?

De taks op effectenrekeningen van 0,15% heeft betrekking op natuurlijke personen die titularis of houder zijn van een effectenrekening, ongeacht of de persoon volle eigenaar, blooteigenaar of vruchtgebruiker is. Rechtspersonen zoals vennootschappen en verenigingen zonder winstoogmerk vallen in principe buiten het toepassingsgebied, tenzij de antimisbruikbepaling speelt.

De belasting geldt niet alleen voor Belgische inwoners maar ook voor niet-inwoners die een effectenrekening aanhouden bij een Belgische tussenpersoon (bijvoorbeeld een bank of kredietinstelling). Voor inwoners van België houdt men rekening met de effectenrekeningen gehouden bij een Belgische en/of buitenlandse tussenpersoon. Voor niet-inwoners treft de effectentaks alleen effectenrekeningen aangehouden bij een Belgische tussenpersoon.

Welke effectenrekeningen?

De nieuwe taks is alleen van toepassing als de gemiddelde (totale) waarde van welbepaalde belastbare financiële instrumenten op de effectenrekening(en) minstens € 500.000 bedraagt. De nieuwe wet bepaalt dat de volgende effecten, als ze op een effectenrekening staan, als belastbaar financieel instrument worden beschouwd:

  • al dan niet beursgenoteerde aandelen en certificaten van aandelen;
  • al dan niet beursgenoteerde obligaties (inclusief deposito- en thesauriebewijzen) en certificaten van obligaties;
  • al dan niet beursgenoteerde rechten van deelneming in gemeenschappelijke beleggingsfondsen of aandelen in beleggingsvennootschappen (bijvoorbeeld een bevek, bevak of tracker), tenzij ze zijn verworven in het kader van een levensverzekering of pensioensparen;
  • kasbons;
  • warrants.

In de memorie van toelichting wordt vermeld dat derivaten zoals opties, ‘futures’ en ‘swaps’ geen belastbaar instrument zijn. Ook rekeningen en effecten gehouden in het kader van een levensverzekering of pensioensparen worden vrijgesteld. Aandelen op naam, die niet op een effectenrekening staan, kwalificeren evenmin als belastbaar instrument en tellen dus niet mee om te bepalen of de drempel van € 500.000 wordt bereikt. Er geldt echter wel een antimisbruikmaatregel voor aandelen die vanaf 9 december 2017 worden omgezet in aandelen op naam. Die maatregel moet de omzetting van aandelen en aandelencertificaten in niet-belastbare aandelen op naam tegengaan.

In principe bevrijdende inhouding door Belgische bank of tussenpersoon

Als de drempel van € 500.000 wordt bereikt (te beoordelen per rekeninghouder), moet de Belgische tussenpersoon de taks automatisch inhouden, aangeven en afdragen voor de rekeninghouder.

Als een (niet-)inwoner bij verschillende (Belgische) banken of kwalificerende tussenpersonen een effectenrekening zou hebben en elke rekening afzonderlijk de drempelwaarde niet bereikt maar dit in totaal wel het geval is, kan de rekeninghouder zijn bank verzoeken om de belasting aan te geven en in te houden. Als de klant dit vraagt, is de bank verplicht om de belasting voor zijn klant in te houden en af te dragen.

Alleen als de taks niet is ingehouden door de tussenpersoon (zoals een Belgische bank), bijvoorbeeld omdat de rekeninghouder niet geopteerd heeft voor de hierboven genoemde mogelijkheid tot inhouding door de tussenpersoon, dan zal de natuurlijke persoon de belasting zelf moeten aangeven en afdragen aan de schatkist. 

Aangifte- en betalingstermijnen

Als de Belgische tussenpersoon instaat voor de aangifte en betaling, moet de taks worden aangegeven en betaald uiterlijk op de 20e dag van de derde maand na het einde van de referentieperiode. Onder normale omstandigheden is dat 20 december. De nieuwe taks zal in principe dus voor het eerst uiterlijk 20 december 2018 moeten worden afgedragen.

Als de natuurlijke persoon (de rekeninghouder) zelf instaat voor de aangifte, moet de aangifte in principe worden ingediend uiterlijk op de laatste dag waarop ook de (elektronische) aangifte in de personenbelasting moet zijn ingediend (doorgaans half juli van het jaar volgend op het inkomstenjaar). In voorkomende gevallen dient de taks te worden betaald uiterlijk op 31 augustus van het jaar volgend op het jaar waarop de belasting betrekking heeft. Voor het jaar 2018 betekent dit dat de belasting uiterlijk zal moeten worden betaald op 31 augustus 2019.

Belastingverdrag?

Voor een inwoner van Nederland met een of meerdere effectenrekeningen bij een Belgische bank of tussenpersoon, rijst de vraag of op basis van het belastingverdrag tussen België en Nederland kan worden gesteld dat België niet bevoegd is de belasting op effectenrekeningen te effectueren. Momenteel heeft de fiscale administratie zich hierover nog niet uitgesproken.

Wij houden u op de hoogte van verdere ontwikkelingen.

Kevin Hellinckx en Sofie Van Engeland

Naar boven


6. Nederlandse aangifteplicht van naar het buitenland verplaatste vennootschappen kan onder voorwaarden vervallen

Op 19 februari 2018 heeft de Nederlandse staatssecretaris het besluit over de fiscale gevolgen van een zetelverplaatsing van een naar Nederlands recht opgericht lichaam gepubliceerd. 

Met betrekking tot de vestigingsplaats van vennootschappen passen landen doorgaans ofwel de incorporatieleer (‘siège social’) toe ofwel de leer van de werkelijke zetel (‘siège réel’). Nederland past de incorporatieleer toe en België de leer van de werkelijke zetel. 

Op basis van de incorporatieleer kan een naar Nederlands recht opgericht en in Nederland gevestigd lichaam worden verplaatst naar een ander land. Hierna hanteren wij een zetelverplaatsing van een in Nederland gevestigde besloten vennootschap (bv) naar België als voorbeeld. Bij een dergelijke zetelverplaatsing wordt op de vennootschap vanaf het moment van de zetelverplaatsing (eveneens) het Belgische recht van toepassing, wordt de vennootschap omgevormd tot een (bv/)bvba en wordt deze in België vennootschapsbelastingplichtig. 

Vestigingsplaatsfictie 

In het besluit van de staatssecretaris wordt bevestigd dat de omvorming van een bv tot een (bv/)bvba in het kader van een zetelverplaatsing het bestaan van de bv niet beëindigt. Omdat diverse Nederlandse belastingwetten een bepaling bevatten die stelt dat een ‘naar Nederlands recht opgericht lichaam’ wordt geacht in Nederland te zijn gevestigd, blijft de bv voor toepassing van deze wetten (bij fictie) een in Nederland gevestigde vennootschap. 

Wij beperken ons hier tot toepassing van bovengenoemde fictie in de (Nederlandse) Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Op basis daarvan wordt de (bv/)bvba in het voorbeeld voor toepassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting beschouwd als inwoner van Nederland en is deze (bv/)bvba Nederlandse vennootschapsbelasting verschuldigd over haar wereldinkomen.

Verdragstoepassing 

Of Nederland effectief Nederlandse vennootschapsbelasting over de resultaten van de (bv/)bvba mag heffen, dient te worden beoordeeld op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en België (hierna: het verdrag). Het verdrag wijst het heffingsrecht over de resultaten van de(bv/)bvba in beginsel toe aan het land waarvan de (bv/)bvba inwoner is. Indien de (bv/)bvba een vaste inrichting heeft in een ander land, komt het heffingsrecht over de resultaten die toerekenbaar zijn aan deze vaste inrichting toe aan dat andere land. 

Omdat zowel Nederland als België de (bv/)bvba op basis van zijn nationale wetgeving beschouwt als inwoner, is de ‘tiebreaker’ in het verdrag van toepassing. Op basis hiervan is de (bv/)bvba – voor toepassing van het verdrag – inwoner van het land waar de werkelijke leiding van de (bv/)bvba is gelegen. Omdat de werkelijke leiding van de (bv/)bvba in België ligt, kwalificeert zij voor toepassing van het verdrag als inwoner van België en wijst het verdrag het heffingsrecht over de resultaten van de (bv/)bvba toe aan België. Nederland dient voor deze resultaten vrijstelling te verlenen, zodat de (bv)/bvba effectief geen Nederlandse vennootschapsbelasting verschuldigd is.

Aangifteplicht 

Omdat de (bv/)bvba voor toepassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting wordt geacht in Nederland te zijn gevestigd, worden aan de (bv/)bvba – ongeacht de toepassing van het verdrag – in beginsel ook over de perioden na zetelverplaatsing aangiftebiljetten uitgereikt, waardoor de (bv/)bvba verplicht is voor deze perioden Nederlandse aangiften vennootschapsbelasting in te vullen en in te dienen. Dit is ons inziens een onwenselijke, oneindige jaarlijkse administratieve last indien op voorhand duidelijk is dat de (bv/)bvba effectief geen Nederlandse vennootschapsbelasting verschuldigd is. 

Het recente besluit vervangt een besluit van 6 maart 2001. Daarin werd expliciet opgemerkt dat aan een verplaatste vennootschap ook na zetelverplaatsing aangiftebiljetten diende te worden uitgereikt en dat deze door de vennootschap volledig diende te worden ingevuld en ingediend. In het recente besluit wordt aan inspecteurs de mogelijkheid geboden om af te zien van het uitreiken van aangiftebiljetten in gevallen waarin geen heffings- of invorderingsbelang (meer) aanwezig is. Omdat een vennootschap niet verplicht is te verzoeken om uitreiking van een biljet indien geen vennootschapsbelasting verschuldigd is en geen aangifte hoeft te worden ingediend indien geen biljet is uitgereikt, betekent dit effectief dat de aangifteplicht voor dergelijke vennootschappen vervalt. 

De staatssecretaris stelt dat in voorkomende gevallen met de vennootschap nadere afspraken dienen te worden gemaakt over het verschaffen van informatie over relevante wijzigingen en omstandigheden. Hoewel hij niet voorschrijft hoe dit zou moeten worden vormgegeven, beschouwen wij de tegemoetkoming in het recente besluit als een aangename administratieve lastenverlichting. In voorkomende gevallen bespreken wij graag met u en uw inspecteur of uitreiking van aangiftebiljetten achterwege kan worden gelaten. 

Mark Foesenek en Rabiye Inan

Naar boven


7. Vlaamse regering stelt hervormd verkooprecht in het vooruitzicht

In een voorontwerp van decreet drukt de Vlaamse regering haar intentie uit om het Vlaams verkooprecht met ingang van 1 juni 2018 te hervormen. Het tarief voor de aankoop door een natuurlijke persoon van zijn enige gezinswoning wordt daarmee verlaagd van 10% tot 7%. Hieronder bespreken wij kort de beoogde hervormingen. De ontwerpteksten zijn echter nog voor wijzigingen vatbaar.

Vereenvoudiging van het verkooprecht

Wanneer een persoon vandaag een woning aankoopt, komt hij mogelijk in aanmerking voor het klein beschrijf (voor een woning met een kadastraal inkomen, ‘KI’, van minder dan € 745) en ‘abattementen’, die de belastbare grondslag verminderen. Volgens het voorontwerp zullen deze bestaande regels verdwijnen en plaatsmaken voor het verlaagde tarief van 7%.

Op basis van het voorontwerp gelden de nieuwe regels voor compromisovereenkomsten die worden afgesloten vanaf 1 juni 2018.

Basisvoorwaarden toepassing verlaagd tarief

De koper kan het verlaagde tarief van 7% slechts toepassen indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Wanneer de voorwaarden niet vervuld zijn, geldt het basistarief van 10%.

Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan om te kunnen genieten van het verlaagde tarief:

  • Het betreft een zuivere aankoop. De onttrekking van een woning aan het vermogen van een vennootschap komt bijvoorbeeld niet voor het verlaagde tarief in aanmerking.
  • Het gaat om de aankoop van een woning. Bedoeld zijn de huizen of appartementen die onmiddellijk of na normale herstellings- of onderhoudswerken dienen of zullen dienen tot huisvesting van een gezin of één persoon. De aankoop van bouwgronden, woningen op plan en woningen in aanbouw blijven onderworpen aan het tarief van 10% (tenzij de verkoop plaatsvindt onder toepassing van de btw).
  • De aangekochte woning ligt in het Vlaams Gewest.
  • De woning wordt volledig aangekocht in volle eigendom.
  • De aankoop mag uitsluitend worden gedaan door een of meer natuurlijke personen. De koper van de woning mag dus geen vennootschap of andere rechtspersoon zijn.
  • Het moet de bedoeling zijn van de koper(s) om er de hoofdverblijfplaats te vestigen. De koper of kopers moeten zich binnen twee jaar vanaf de datum van de notariële aankoopakte inschrijven op het adres van de aangekochte woning.
  • Een aantal bepalingen moet worden opgenomen in de notariële aankoopakte, waaronder de vraag om het verlaagde tarief van 7% toe te passen.

Tot slot mag de koper in beginsel niet reeds in volle eigendom eigenaar zijn van een andere woning of bouwgrond op het moment van het verlijden van de authentieke aankoopakte. Als er meerdere kopers zijn, dan mogen zij samen geen andere woning of bouwgrond in volle eigendom hebben. Indien de koper toch eigenaar is van een andere woning of bouwgrond, kan hij het tarief van 7% toepassen door in de aankoopakte de verbintenis aan te gaan de andere woning uiterlijk één jaar na de notariële aankoopakte van de nieuwe woning te verkopen en aan te tonen dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging. Indien gewenst, kan de koper er ook voor opteren om eerst het tarief van 10% toe te passen en vervolgens teruggaaf te vragen na de daadwerkelijke verkoop van de oude woning of bouwgrond.

Aanvullende nieuwe tarieven

Naast het verlaagde tarief voor de eigen woning worden er mogelijk bijkomende (specifieke) verlaagde tarieven ingevoerd:

  • Indien in de notariële aankoopakte de verbintenis wordt aangegaan een ingrijpende energetische renovatie uit te voeren binnen vijf jaar na aankoop, kan onder voorwaarden aanspraak worden gemaakt op een verlaagd tarief van 6%.
  • Bij aankoop van een beschermd monument als woning geldt onder voorwaarden een tarief van 1%.
  • Indien een pand binnen drie jaar vanaf de notariële aankoopakte wordt verhuurd aan een erkend sociaal verhuurkantoor voor minstens negen jaar, kan een beroep worden gedaan op een tarief van 7%.

Bijkomende eenmalige rechtenvermindering

Naast een eventueel verlaagd verkooprecht zullen de kopers van woningen met een waarde van hoogstens € 200.000 (of € 220.000 in kernsteden en in de Vlaamse rand rond Brussel), kunnen genieten van een eenmalige rechtenvermindering. Deze rechtenvermindering is verbonden aan dezelfde voorwaarden als hierboven aangegeven voor het verlaagde tarief van 7%.

De vermindering van het verkooprecht bedraagt € 5.600 voor woningen onderworpen aan het tarief van 7% of € 4.800 voor woningen onderworpen aan het tarief van 6% bij ingrijpende energetische renovatie. Vanaf 1 juni 2018 wordt de hervorming van het verkooprecht wellicht van kracht. Het Vlaams parlement moet de nieuwe regeling nog goedkeuren. Wij volgen deze ontwikkelingen uiteraard op de voet.

Ilke Vandenbroeck

Naar boven


8. Nederland en België leggen afspraken over informatie-uitwisseling ten aanzien van aanvullende pensioenen vast

In onze vorige nieuwsbrief informeerden wij u over het recente overleg dat tussen Nederland en België plaatsvond inzake de belastingheffing over aanvullende pensioenen.

Hoewel wij reeds meldden dat Nederland en België de gemaakte afspraken hebben uitgewerkt in een overeenkomst, gingen wij hierop niet nader in.

In bovengenoemde overeenkomst zijn naast de eerdergenoemde afstemming over de verdeling van het heffingsrecht en de praktische invulling hiervan, specifieke afspraken gemaakt over de informatie-uitwisseling tussen Nederland en België. Beide landen zullen elkaar jaarlijks informatie aanleveren.

Voor inwoners van België die gedurende het jaar 2016 een aanvullend pensioen uit Nederland hebben ontvangen, zal België uiterlijk 1 juli 2018 informatie aanleveren of dit aanvullende pensioen al dan niet volledig werd belast in België. Vanaf het jaar 2017 zal Nederland jaarlijks een lijst aanleveren van inwoners van België met een uit Nederland afkomstig aanvullend pensioen hoger dan € 25.000 bruto per jaar. Vervolgens zal België Nederland informeren of dit aanvullende pensioen al dan niet volledig werd belast in België. Deze informatie zal België uiterlijk binnen anderhalf jaar na afloop van het jaar aanleveren aan Nederland.

Daarnaast zal België Nederland ook informeren:

  • over welke inwoners van België zich tot de Belgische rechtbank hebben gewend om de Belgische belastingheffing over hun aanvullende pensioen (deels) te voorkomen, omdat sprake is van definitief verworven rechten;
  • indien een eerdere Belgische belastingheffing (al dan niet gedeeltelijk) over een Nederlands aanvullend pensioen ongedaan wordt gemaakt. 

Door middel van deze afspraken zouden situaties van dubbele belastingheffing moeten worden voorkomen of gerepareerd. Mocht u als inwoner van België een uit Nederland afkomstig aanvullend pensioen hebben, dan raden wij u aan na te gaan in welk land uw pensioen mag worden belast. Het is mogelijk dat tussen België en Nederland op dit moment nog geen informatie is uitgewisseld omtrent de heffing over uw aanvullend pensioen. Totdat duidelijkheid bestaat over de Belgische heffing over uw pensioen zal in principe Nederlandse loonheffing worden ingehouden. 

Esther Schutte en William Donders

Naar boven