Belastingplan 2020: vennootschapsbelasting

17 september 2019

Gebouw

Gedeeltelijke verlaging tarieven vennootschapsbelasting

De tarieven in de vennootschapsbelasting gaan omlaag, maar voor wat betreft het reguliere tarief voor de winst boven € 200.000 later en met minder dan oorspronkelijk zou voortvloeien uit het vorige Belastingplan. Dit blijft 25% in 2020 en gaat naar 21,7% in 2021, in plaats van naar 22,55% in 2020 en 20,5% in 2021. De verlaging van het ‘mkb-tarief’ voor de winst tot en met € 200.000 gaat wel door zoals oorspronkelijk gepland: van 19% naar 16,5% in 2020 en uiteindelijk 15% in 2021. Zie voor het gecombineerde tarief (vennootschapsbelasting plus box 2) het onderdeel ‘Verhoging box 2-tarief’ onder Inkomstenbelasting.

Introductie renteaftrekbeperking (minimumkapitaalregel) voor banken en verzekeraars

Het kabinet wenst het ondernemen met meer eigen vermogen te bevorderen door de belastingvoordelen voor vreemd vermogen te beperken. Dit heeft geleid tot de invoering van een generieke renteaftrekbeperking (earningsstrippingmaatregel) die bewerkstelligt dat de per saldo verschuldigde rente in aftrek wordt beperkt per 1 januari 2019. Doordat ondernemingen in de financiële sector zoals banken en verzekeraars (op fiscale eenheidsniveau) doorgaans per saldo rente ontvangen, worden zij niet geraakt door deze algemene aftrekbepaling. Om deze reden wordt voorgesteld om per 1 januari 2020 een minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars in te voeren.

Voor banken houdt die kort gezegd in dat de renteaftrek wordt uitgesloten indien en voor zover het vreemd vermogen van een bank of verzekeraar meer bedraagt dan 92% (vreemd vermogen verhouding). Daarbij wordt niet aangesloten bij het commerciële balanstotaal, maar aangesloten bij de geüniformeerde toezichtskaders voor banken. Zo wordt voor banken de leverage ratio gehanteerd die voortvloeit uit de verordening kapitaalsvereisten. Deze leverage ratio geeft kort gezegd de verhouding weer tussen het tier 1-kapitaal en de totale bancaire blootstellingen van een bank.

Voor verzekeraars wordt aangesloten bij de geüinformeerde toezichtskaders voor verzekeraars de verordening solvabiliteit II. Deze gaat uit van het eigen vermogen ten opzichte van het balanstotaal (eigen vermogen verhouding). Anders dan bij banken grijpt de maatregel dus aan bij het eigen vermogen en wordt de renteaftrek beperkt indien het eigen vermogen minder bedraagt dan 8%.

De maatregel geldt voor banken en verzekeraars met hun zetel in Nederland, maar ook voor banken en verzekeraars met hun zetel in het buitenland, die in Nederland actief zijn door middel van een dochtervennootschap of vaste inrichting.

Aanpassing definitie vaste inrichting in vervolg op het Multilateraal instrument tegen internationale belastingontwijking

Het parlement heeft begin 2019 ingestemd met het wetsvoorstel voor de goedkeuring van het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving. Dit zogenoemde Multilaterale instrument (MLI) is een van de uitkomsten van het zogeheten BEPS-project van de OESO dat beoogt belastingontwijking door grondslagerosie en winstverschuiving door multinationals tegen te gaan.

Een van de mogelijkheden van belastingontwijking waartegen het MLI zich richt bestaat uit een kunstmatige omzeiling van de kwalificatie als vaste inrichting, een van de aangrijpingspunten voor staten om tot belastingheffing over te gaan. Het kabinet stelt nu voor om de nationale invulling van het begrip vaste inrichting voor toepassing van de inkomstenbelasting, de loonbelasting en de vennootschapsbelasting aan te laten sluiten bij de definitie in het van toepassing zijnde belastingverdrag. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat een onder het belastingverdrag als gevolg van de toepassing van het MLI ontstaan heffingsrecht niet zou kunnen worden uitgeoefend, omdat de nationale wet daarin niet zou voorzien. Voor niet-verdragssituaties wordt aansluiting gezocht bij de meest recente definitie van vaste inrichting in het OESO-Modelverdrag. Naar verwachting zal door de voorgestelde wijzigingen in meer gevallen sprake zijn van een vaste inrichting.

Wij merken voor de volledigheid op dat landen bij de OESO kunnen laten registreren op welke bilaterale belastingverdragen zij het MLI van toepassing willen laten zijn (gedekte belastingverdragen). Het MLI biedt de mogelijkheid om bepaalde voorbehouden/keuzes te maken ten aanzien van de diverse maatregelen. Het MLI is op een bilateraal belastingverdrag alleen van toepassing als beide verdragspartijen het bilaterale belastingverdrag bij de OESO hebben aangemeld als gedekt belastingverdrag en voor zover zij dezelfde keuzes hebben gemaakt. Daarnaast moeten landen het MLI hebben geratificeerd en dit ook kenbaar hebben gemaakt bij OESO. Inmiddels hebben meer dan 20 verdragspartners van Nederland dit gedaan, waaronder Canada, Frankrijk, India, Japan, Luxemburg, Rusland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden, zodat het MLI vanaf 1 januari 2020 impact zal hebben op de belastingverdragen met onder andere deze landen.

Introductie mogelijkheid tot herziening earningsstrippingbeschikking

Met ingang van 1 januari 2019 is in de vennootschapsbelasting een earningsstrippingmaatregel ingevoerd. Deze maatregel beperkt de aftrekbaarheid van het saldo aan renten op grond van de EBITDA, kort gezegd het fiscale brutobedrijfsresultaat, van een belastingplichtige. Het deel dat in een bepaald jaar niet aftrekbaar is, mag onbeperkt worden voortgewenteld. Het voort te wentelen saldo aan renten wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Om de uitvoerbaarheid en de rechtszekerheid van de earningsstrippingmaatregel te verbeteren, worden enkele formeelrechtelijke aanpassingen voorgesteld die zien op genoemde voortwentelingsmogelijkheid.

Allereerst wordt voorgesteld dat de hiervoor genoemde beschikking kan worden herzien als sprake is van een nieuw feit, kwade trouw of een voor de belastingplicht redelijkerwijs kenbare fout. Voor deze herziening geldt dezelfde termijn als voor navordering van te weinig geheven belasting.

Daarnaast wordt voorgesteld dat een beschikking zal worden afgegeven indien het voortgewentelde saldo aan renten van een eerder jaar in aftrek komt bij het bepalen van de winst van een later jaar.

Beide maatregelen gelden ook voor beschikkingen die reeds zijn afgegeven voordat deze maatregelen in werking treden, zodat bestaande en nieuwe beschikkingen gelijk worden behandeld.

Verruiming vrijstellingen overheidsondernemingen

Met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016 zijn in beginsel alle ondernemingen die (indirect) worden gedreven door de overheid belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting geworden. Tegelijkertijd zijn ook enkele vrijstellingen in de wet op de vennootschapsbelasting opgenomen, waaronder de vrijstelling voor onderwijs en onderzoek (de onderwijsvrijstelling), de vrijstelling voor interne activiteiten en de quasi-inbestedingsvrijstelling. Ten aanzien van deze drie vrijstellingen is gebleken dat, situaties die materieel vergelijkbaar zijn met situaties die wel voor de vrijstelling in aanmerking komen, onbedoeld buiten het toepassingsbereik blijven. Daarom wordt voorgesteld deze vrijstellingen te verruimen. Op grond van een beleidsbesluit van 9 juli 2019 kunnen deze verruimingen reeds worden toegepast met betrekking tot boekjaren die op of na 1 januari 2016 zijn aangevangen. Ook krijgen onderwijsstichtingen, die niet voldoen aan de voorwaarden, tot 1 januari 2020 de tijd om hun organisatiestructuur aan te passen om alsnog met terugwerkende kracht in aanmerking te komen voor de onderwijsvrijstelling.

Onderwijsvrijstelling

De onderwijsvrijstelling is een vrijstelling voor lichamen die (nagenoeg) uitsluitend bekostigd onderwijs geven (of bekostigend onderzoek verrichten). Er is sprake van bekostigd onderwijs als het onderwijs hoofdzakelijk wordt bekostigd uit publieke middelen of andere opgesomde bijdragen, zoals wettelijk collegegeld en wettelijke lesgelden (bekostigingseis). Bij scholen met een internationale afdeling worden niet alle kosten gefinancierd vanuit de overheid, maar kunnen deze scholen een verplichte ouderbijdrage vragen voor toelating tot de internationale afdeling. Deze verplichte bijdrage is volgens het kabinet op één lijn te stellen met wettelijk collegegeld en wettelijke lesgelden. Daarom wordt voorgesteld om dergelijke bijdragen aan te merken als toegelaten financieringsmiddel voor de bekostigingseis. Ditzelfde geldt voor de verplichte ouderbijdrage voor toelating tot een geaccrediteerde Europese School. Hierdoor kunnen dergelijke scholen ook in aanmerking komen voor de onderwijsvrijstelling.

Vrijstelling voor interne activiteiten en quasi-inbesteding

Voor overheidsbedrijven is fiscale rechtsvormneutraliteit beoogd zodat het fiscale stelsel geen belemmering is bij de keuze voor de juridische vormgeving. Daarom geldt een vrijstelling voor activiteiten verricht door een publiekrechtelijke rechtspersoon ten behoeve van een privaatrechtelijk overheidslichaam van die publiekrechtelijke rechtspersoon (vrijstelling voor interne activiteiten). Daarnaast geldt een vrijstelling voor de omgekeerde situatie waarin een privaatrechtelijk overheidslichaam activiteiten verricht ten behoeve van de publiekrechtelijke rechtspersoon waardoor het gehouden wordt of waarin privaatrechtelijke lichamen die door eenzelfde publiekrechtelijke rechtspersoon gehouden worden onderling activiteiten verrichten (quasi-inbestedingsvrijstelling). De Staat kan echter ook taken onder brengen in een publiekrechtelijke rechtspersoon. Voorgesteld wordt om deze vrijstelling uit te breiden situaties waarin dat gebeurt, omdat deze naar de mening van het kabinet materieel vergelijkbaar zijn met de situatie waarin de taken zouden zijn ondergebracht in een privaatrechtelijk overheidslichaam.

Verhoging tarief innovatiebox (2021, geen onderdeel pakket Belastingplan 2020)

Het kabinet is voornemens om per 2021 het effectieve tarief van de innovatiebox te verhogen van 7% naar 9%. Dit voornemen maakt nog geen deel uit van de nu ingediende wetsvoorstellen.

Afschaffen betalingskorting (2021, geen onderdeel pakket Belastingplan 2020)

Het kabinet is voornemens om de betalingskorting die nu nog wordt toegekend bij tijdige betaling ineens van de verschuldigde vennootschapsbelasting (in plaats van in termijnen), per 2021 af te schaffen. Dit voornemen maakt nog geen deel uit van de nu ingediende wetsvoorstellen.

Beperking van de liquidatie- en stakingsverliesregeling (2021, geen onderdeel pakket Belastingplan 2020)

Het kabinet is voornemens om met ingang van 2021 de liquidatie- en stakingsverliesverliesregeling in de vennootschapsbelasting aan te passen om oneigenlijk gebruik te voorkomen en de grondslag te verbreden. Bij de nadere uitwerking – het voornemen maakt nog geen deel uit van de nu ingediende wetsvoorstellen – wil het kabinet het eerder dit jaar door een deel van de oppositie in consultatie gebrachte conceptinitiatiefwetsvoorstel zoveel mogelijk als uitgangspunt hanteren. Wat dit precies inhoudt is nog niet bekend gemaakt. Wel is aangegeven dat met de aanpassing wordt beoogd het niet meer mogelijk te maken een liquidatie- en stakingsverlies te nemen op deelnemingen en vaste inrichtingen buiten de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte en de planbaarheid van het liquidatie- en stakingsverlies te beperken. Voor meer informatie over het conceptinitiatiefwetsvoorstel verwijzen wij naar onze eerdere berichtgeving daarover.

Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking belastingontwijking (ATAD2, geen onderdeel pakket Belastingplan 2020)

Op 2 juli 2019 is het wetsvoorstel ter implementatie van de aanpassing van de EU-richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking (ATAD2) bij de Tweede Kamer ingediend. Als gevolg van deze aanpassing bestrijdt de richtlijn zowel hybridemismatches tussen EU‑lidstaten onderling als tussen EU-lidstaten en derde landen. Met deze implementatie zal onder meer de aantrekkelijkheid van de zogenoemde cv/bv-structuren worden beëindigd. Het bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel is inhoudelijk in lijn met het in oktober 2018 in consultatie gebrachte conceptwetsvoorstel. De meeste maatregelen uit het wetsvoorstel treden in werking met ingang van 1 januari 2020 en vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na die datum.

Nieuwe groepsregeling in de vennootschapsbelasting (geen onderdeel pakket Belastingplan 2020)

Van 17 juni 2019 tot 29 juli 2019 heeft een publieke internetconsultatie plaatsgevonden over een keuzedocument met in hoofdzaak vier oplossingsrichtingen met betrekking tot een groepsregeling in de vennootschapsbelasting. Belangengroepen, bedrijven, adviseurs, wetenschappers en andere geïnteresseerden werden daarbij uitgenodigd een reactie in te zenden. De wens om te komen tot een toekomstbestendig concernregime kent zijn oorsprong in de Europeesrechtelijke kwetsbaarheid van het huidige fiscale-eenheidsregime, zoals is gebleken uit de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 22 februari 2018 de einduitspraak van de Hoge Raad van 19 oktober 2018 over de zogenoemde per‑elementbenadering. In verband hiermee is de wet voor een aantal elementen aangepast, zie de op 23 april 2019 door de Eerste Kamer aangenomen Wet spoedreparatie fiscale eenheid. Met betrekking tot andere elementen is het Europeesrechtelijke risico echter (mogelijk) niet volledig geweken. Daarom wordt gestreefd naar het ontwerpen van een nieuwe groepsregeling. Voor meer informatie over de consultatie verwijzen wij naar onze eerdere berichtgeving hierover. De staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven ernaar te streven om aan de hand van de reacties in het najaar van 2019 een hoofdlijnenbrief naar de Tweede Kamer te sturen met daarin een schets van de beoogde fiscale groepsregeling.

© 2019 Meijburg & Co, Tax & Legal, is een samenwerkingsverband van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij KPMG International Cooperative ("KPMG International"), een Zwitserse entiteit. Alle rechten voorbehouden.