Bron: Belasting Advies in de praktijk 2014/1.8
Auteur: Sandra Kortekaas en Katrien van Bommel

In dit artikel bespreken de auteurs het arrest van 22 november 2013 van de Hoge Raad, waarin deze oordeelde dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit ter zake van de schenk- en erfbelasting (hierna: BOF) niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Naar aanleiding van een uitspraak van Rechtbank Breda dat de BOF verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen discrimineert, zijn vijf proefprocedures gestart waarin de vraag aan de orde kwam of de BOF inderdaad een verboden discriminatie inhoudt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het onderscheid in heffing tussen ondernemingsvermogen en niet-ondernemingsvermogen geen verboden discriminatie is.

In de aanloop naar dit arrest werd gesproken over een mogelijke aanpassing (versobering) van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Nu de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het onderscheid in heffing tussen ondernemingsvermogen en niet-ondernemingsvermogen geen verboden discriminatie is, ligt een directe reactie van de wetgever in de vorm van een versobering van de huidige faciliteit niet voor de hand. Inmiddels heeft staatssecretaris Weekers van Financiën als reactie op onderhavige uitspraak aangegeven dat door deze beslissing van de Hoge Raad alle aanslagen die onder de massaalbezwaarregeling vallen in stand blijven. Op 4 december 2013 heeft de inspecteur in een collectieve uitspraak op bezwaar de bezwaren dan ook afgewezen.