Zie voor verdere achtergronden onze berichtgeving van 20 september 2016, 19 december 2016 en 17 mei 2017. Op Prinsjesdag (19 september 2017) is het voorstel ‘Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling’ (hierna: het wetsvoorstel) bij de Tweede Kamer ingediend. De inhoud van het wetsvoorstel ligt in grote lijnen in het verlengde van het op 16 mei 2017 in consultatie gebrachte conceptwetsvoorstel. Het is de bedoeling dat de wet per 1 januari 2018 in werking treedt. 

Algemeen

Het kabinet signaleert dat de coöperatie in toenemende mate in internationale structuren wordt gebruikt en stelt voor om het verschil tussen bv’s/nv’s en (houdster)coöperaties, mede gezien het staatssteunrisico, op te heffen. Het uitgangspunt daarbij is om binnen de EU/EER en in verdragssituaties geen dividendbelasting te heffen in deelnemingsverhoudingen. Fiscale belemmeringen binnen een ondernemingsstructuur moeten namelijk zoveel mogelijk worden vermeden. Ook geldt als randvoorwaarde dat het reële coöperatieve bedrijfsleven niet wordt geraakt. Volgens de toelichting passen de maatregelen in de strategie van Nederland van enerzijds een proactieve aanpak van internationale belastingontwijking en anderzijds het behouden van een goed fiscaal vestigingsklimaat.

Hoofdlijnen van de inhoud van het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel bevat drie hoofdonderdelen: de uitbreiding van de inhoudingsplicht voor kwalificerende belangen in houdstercoöperaties, de uitbreiding van de inhoudingsvrijstelling richting derde landen en het in lijn brengen van de huidige nationale antimisbruikbepalingen met de Europeesrechtelijke en verdragsrechtelijke antimisbruikbepalingen. Wij gaan hierna in op elk van deze elementen.

Uitbreiding inhoudingsplicht

In beginsel zal ook dividendbelasting worden geheven van houdstercoöperaties, maar alleen wanneer sprake is van kwalificerende lidmaatschapsrechten. Dit zijn lidmaatschapsrechten die recht geven op ten minste 5% van de jaarwinst dan wel op ten minste 5% van de liquidatie-uitkeringen. Bij de beoordeling of sprake is van een kwalificerend lidmaatschapsrecht worden de lidmaatschapsrechten van een lid en de met dat lid verbonden natuurlijke personen en verbonden lichamen gezamenlijk in aanmerking genomen. Indien er bijvoorbeeld twee leden zijn in een houdstercoöperatie waarvan het ene lid een 1%-belang heeft en het andere lid een 99%-belang, dan geldt de inhoudingsplicht in beginsel niet in relatie tot het lid met het 1%-belang. Dat is echter anders indien de beide leden een samenwerkende groep vormen. In dat geval geldt de inhoudingsplicht in relatie tot beide leden. Van een samenwerkende groep is sprake wanneer de bundeling van portfoliobelangen gecoördineerd plaatsvindt.

Een houdstercoöperatie wordt gedefinieerd als een coöperatie waarvan de feitelijke werkzaamheid in het voorafgaande jaar doorgaans hoofdzakelijk (dat wil zeggen: voor 70% of meer) heeft bestaan uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van verbonden lichamen of natuurlijke personen. In de toelichting wordt opgemerkt dat een tophoudster die voor meer dan 70% aan deelnemingen op haar balans houdt, maar die deelnemingen actief houdt, personeel in dienst heeft en overige hoofdkantoorfuncties uitoefent, niet als houdstercoöperatie zal worden aangemerkt. Ook is het volgens de toelichting onder omstandigheden voorstelbaar dat een coöperatie in een private-equitystructuur waarbij het balanstotaal voor meer dan 70% bestaat uit deelnemingen, toch niet als houdstercoöperatie wordt aangemerkt op basis van de overige factoren, zoals werknemers, kantoorruimte en actieve betrokkenheid bij de onderneming van de deelnemingen.

Uitbreiding inhoudingsvrijstelling

Het Nederlandse verdragsbeleid is erop gericht in belastingverdragen voor deelnemingsdividenden een vrijstelling in het bronland overeen te komen. Dit streven wordt door Nederland echter niet altijd gerealiseerd. Daarom wordt in het wetsvoorstel de inhoudingsvrijstelling uitgebreid richting derde landen. Die uitbreiding geldt alleen als de opbrengstgerechtigde is gevestigd in een staat waarmee Nederland een belastingverdrag met een dividendbepaling heeft gesloten.

Daarnaast wordt een antimisbruikregeling toegevoegd. Deze is in lijn met de algemene antimisbruikbepaling uit de Europese Moeder-dochterrichtlijn en de ‘principal purpose test’ (‘PPT’) uit actiepunt 6 van het BEPS-project. Er is sprake van misbruik indien – kort gezegd – de aandelen in de in Nederland gevestigde vennootschap of houdstercoöperatie worden gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van dividendbelasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets) en daarnaast sprake is van een kunstmatige constructie of transactie (objectieve toets).

Bij het aanleggen van de subjectieve toets wordt op het moment van uitkering beoordeeld of de belastingplichtige (het lichaam dat gerechtigd is tot de opbrengst van de aandelen of lidmaatschapsrechten) minder dividendbelasting verschuldigd is dan de achterligger(s) verschuldigd zou(den) zijn wanneer die de aandelen, lidmaatschapsrechten etc. direct zou(den) bezitten (wegdenkgedachte). Is dat niet het geval dan zal geen sprake zijn van het ontgaan van dividendbelasting bij een ander.

Bij de objectieve toets wordt beoordeeld of sprake is van een kunstmatige constructie of transactie. Dat is het geval als een constructie niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Van geldige zakelijke redenen is bijvoorbeeld sprake indien het lichaam dat het belang houdt een materiële onderneming drijft en het belang in de Nederlandse vennootschap functioneel tot het ondernemingsvermogen van dat lichaam behoort, maar ook wanneer de aandeelhouder een schakelfunctie vervult en beschikt over relevante substance. Van relevante substance zal sprake zijn indien de tussenhoudster in het land waar deze is gevestigd cumulatief voldoet aan een aantal voorwaarden. Naast de al bekende substance-eisen die per 1 januari 2016 zijn gaan gelden, worden – kort gezegd – de volgende twee nieuwe voorwaarden voorgesteld: ten eerste moet ook worden voldaan aan een loonkostencriterium van minimaal € 100.000 (waarbij dit bedrag een vergoeding moet zijn voor de werkzaamheden ten behoeve van de schakelfunctie) en ten tweede moet gedurende een periode van ten minste 24 maanden sprake zijn van een eigen kantoor dat is voorzien van de gebruikelijke faciliteiten voor houdsteractiviteiten. Deze twee nieuwe eisen zullen overigens pas gelden vanaf 1 april 2018.

Wanneer het belang in de Nederlandse vennootschap wordt gehouden door een hybride entiteit, dan zullen voor de toepassing van de inhoudingsvrijstelling specifieke bepalingen gelden. Wanneer bijvoorbeeld de aandeelhouder naar Nederlandse maatstaven niet-transparant is, maar naar buitenlandse maatstaven wel (en dus aldaar niet in de heffing wordt betrokken), dan kunnen de achterliggende participanten de inhoudingsvrijstelling naar rato van hun belang in de hybride entiteit toepassen (mits zij individueel zouden kwalificeren voor de inhoudingsvrijstelling indien zij hun belang in de Nederlandse vennootschap direct zouden houden). Het is ook mogelijk dat de hybride entiteit die het belang in de Nederlandse vennootschap houdt naar Nederlandse maatstaven transparant is (bijvoorbeeld een besloten cv), maar niet-transparant is naar de maatstaven van het land waar de participanten in de hybride entiteit zijn gevestigd (waardoor die participanten aldaar niet zelf in de heffing worden betrokken). In een dergelijk geval worden de participanten niet als de opbrengstgerechtigden aangemerkt. Onder omstandigheden kan dan nog wel worden teruggevallen op verdragstoepassing. Dit zal in de praktijk met name van belang zijn voor CV-BV structuren in relatie met de Verenigde Staten van Amerika. De hybride entiteit wordt voor de Nederlandse dividendbelasting bij fictie als opbrengstgerechtigde beschouwd indien de hybride entiteit in zijn vestigingsland als gerechtigde tot de opbrengst wordt beschouwd; in dat geval kan de inhoudingsvrijstelling worden toegepast als de entiteit aan alle voorwaarden voldoet.

Aanpassing antimisbruikbepalingen

In het wetsvoorstel worden voorts de huidige nationale antimisbruikbepalingen in lijn gebracht met de Europeesrechtelijke en verdragsrechtelijke antimisbruikbepalingen. De buitenlandse aanmerkelijkbelangregeling in de vennootschapsbelasting is voortaan alleen nog van toepassing als de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met het hoofddoel of een van de hoofddoelen om inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan (het ontgaan van dividendbelasting wordt immers in de Wet op de dividendbelasting 1965 bestreden). In die gevallen behoren zowel de reguliere voordelen als de vervreemdingsvoordelen tot de belastbare grondslag. Doordat wordt aangesloten bij het inkomensbegrip van het aanmerkelijk belang in de inkomstenbelasting is kostenaftrek mogelijk. Heffing vindt plaats tegen het tarief in de vennootschapsbelasting (20%-25%). Eventueel ingehouden dividendbelasting kan worden verrekend.

Ingangsdatum

Het is de bedoeling dat de wet in werking treedt op 1 januari 2018.

Conclusie en commentaar

Veel coöperaties die thans niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting zullen dat vanaf 1 januari 2018 wel zijn, namelijk indien hun feitelijke werkzaamheid hoofdzakelijk bestaat uit het houden van deelnemingen of het financieren van verbonden lichamen. Helaas bieden wet noch toelichting duidelijk hanteerbare richtsnoeren om dit te beoordelen. De voorstellen zullen naar verwachting een significante impact hebben op het gebruik van coöperaties in internationale structuren en op beleggingsstructuren waarin door in de EU/EER gevestigde vennootschappen wordt belegd in Nederlandse vennootschappen. Voor bestaande CV-BV structuren in relatie met de Verenigde Staten van Amerika zal de nieuwe bepaling over hybride entiteiten naar thans valt te voorzien geen negatieve invloed hebben.

Positief is dat er in ondernemingsstructuren in beginsel een inhoudingsvrijstelling komt in verdragssituaties, zowel voor kapitaalvennootschappen als voor houdstercoöperaties.

Mocht u vragen of opmerkingen hebben, neemt u dan gerust contact op met uw gebruikelijke adviseur.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat