Op 7 februari 2014 heeft advocaat-generaal bij de Hoge Raad Wattel conclusie genomen in een zaak waarin de subjectieve zorgvrijstelling voor de vennootschapsbelasting aan de orde is. Daarbij gaat het om de voor de zorgvrijstelling geldende winstbestemmingseis. De regeling in de statuten is beslissend voor de vraag of aan deze eis wordt voldaan.

Ingevolge de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is een zorginstelling van die belasting vrijgesteld wanneer zij:

  1. voor 90% of meer zorgactiviteiten verricht, te weten het genezen, verplegen of verzorgen van zieken, kraamvrouwen, mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, wezen of ouderen die niet meer zelfstandig kunnen wonen (de werkzaamhedentoets); en tevens
  2. van publiekrechtelijke aard is of indien dat niet het geval is, de winst uitsluitend kan worden aangewend ten bate van een ingevolge de zorgvrijstelling vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang (de winstbestemmingseis).

 

De zaak die voorligt bij de Hoge Raad en ten aanzien waarvan de advocaat-generaal conclusie heeft genomen betrof een thuiszorginstelling die in 2006 een positief exploitatieoverschot behaalde. De statuten van de thuiszorginstelling lieten ook andere dan zorgactiviteiten toe, waarbij de winst uit die andere activiteiten ter beschikking stond aan de aandeelhouders. De winst uit de zorgactiviteiten daarentegen diende ten goede te komen aan de zorgdoelstelling. Gezien deze statuten konden de baten dus deels worden aangewend voor andere dan vrijgestelde doeleinden. Feitelijk echter ontplooide de thuiszorginstelling geen andere dan AWBZ-gefinancierde thuiszorgactiviteiten en behaalde zij geen andere winsten dan alleen die uit de thuiszorg. Ondanks die feitelijke situatie oordeelden de rechtbank en het hof dat, nu de statuten van de zorginstelling toelieten dat de winst deels niet wordt bestemd ten bate van een vrijgestelde zorginstelling of een algemeen maatschappelijk belang, de instelling niet is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.

Advocaat-generaal Wattel sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en het hof, omdat de thuiszorginstelling op grond van haar statuten de winsten die worden behaald aan andere dan kwalificerende doelen kan besteden. Dat de thuiszorginstelling de feitelijk behaalde winst alleen aan kwalificerende doelen heeft besteed, doet aan dit oordeel niet af.

Deze procedure maakt nog eens duidelijk dat wanneer zorginstellingen willen delen in de vrijstelling van vennootschapsbelasting, zij niet alleen aan de werkzaamhedentoets moeten voldoen maar ook de statutaire bepalingen omtrent de winstbestemming goed moeten hebben geredigeerd. Naast de in de statuten van nv’s en bv’s opgenomen bepalingen over de bestemming van de jaarwinst is in dat verband tevens van belang wat de statuten bepalen over de bestemming van het liquidatiesaldo na ontbinding van het lichaam.