Op 22 januari 2016 besliste de Hoge Raad dat de btw-onderwijsvrijstelling zich kan uitstrekken tot prestaties die niet als onderwijs zijn te beschouwen maar daar in de gegeven omstandigheden wel nauw mee samenhangen.

Twee ROC’s boden onder gezamenlijke naam en voor gezamenlijke rekening volwassenenonderwijs (VAVO) aan. Een van beide ROC’s verrichtte tegen betaling ondersteunende diensten voor het contractuele samenwerkingsverband. Volgens de Belastingdienst waren hieronder ook voor de btw belaste diensten begrepen, zoals juridische ondersteuning en marketing. Deze vallen als zodanig niet onder de onderwijsvrijstelling. De Belastingdienst legde het ROC wat genoemde ondersteunende diensten leverde een naheffingsaanslag omzetbelasting op, welke werd bestreden.

De Hoge Raad heeft in navolging van het gerechtshof en de rechtbank beslist dat voor deze prestaties, in deze bijzondere context, geen btw is verschuldigd. De Hoge Raad grondt zijn oordeel op de vaststelling (door de rechtbank) dat in wezen sprake is van één ondeelbare economische prestatie van het ROC, die als onderwijs moet worden beschouwd en waarin genoemde (ondersteunende) diensten opgaan. Uit dit arrest en andere inmiddels over samenwerking tussen onderwijsinstellingen gewezen rechtspraak valt op te maken dat de belastingrechter in voorkomende gevallen genegen is de onderwijsvrijstelling wat op te rekken. Hoe ver dat oprekken gaat, is in zijn algemeenheid moeilijk te zeggen. Dat is erg afhankelijk van de feitelijke situatie en de overige omstandigheden. In ieder geval verdient het aanbeveling bij contractering over samenwerking goed te letten op btw-aspecten.

Mocht u vragen hebben, dan kunt u zich wenden tot Paul Zijlstra, als btw-specialist verbonden aan (de marktgroep onderwijs van) Meijburg & Co of uw eigen contactpersoon binnen Meijburg & Co.