Belastingtarieven en heffingskortingen uit het Belastingplan 2019

Het gecombineerde tarief van de tweede en derde schijf van de loon- en inkomstenbelasting bedraagt in 2018 40,85%. Met ingang van 1 januari 2019 wordt het tarief in beide schijven verlaagd met 2,75%-punt naar 38,10%. Het tarief van de vierde schijf bedraagt in 2018 51,95% en wordt met ingang van 1 januari 2019 verlaagd met 0,2%-punt naar 51,75%. Daarnaast worden de eerste en tweede schijf verlengd en de derde schijf verkort, waardoor de vierde schijf in 2019 – net als in 2018 – begint bij een belastbaar loon van meer dan € 68.507. Het gecombineerde tarief in de eerste schijf per 1 januari 2019 is 36,65%. 

De tarieven voor werknemers geboren op of na 1 januari 1946 zullen op 1 januari 2019 als volgt zijn: 

Bij een belastbaar loon van meer dan

Maar niet meer dan

Belastingtarief

Premies volksverzekeringen

Gecombineerd tarief

-

€ 20.384

9,00%

27,65%

36,65%

€ 20.384

€ 34.300

10,45%

27,65%

38,10%

€ 34.300

€ 68.507

38,10%

-

38,10%

€ 68.507

-

51,75%

-

51,75%

Met de tariefopbouw voor 2019 en 2020 wordt voorgesorteerd op de introductie van het tweeschijvenstelsel met ingang van 2021. 

De algemene heffingskorting

De maximale algemene heffingskorting wordt met € 184 verhoogd. Rekening houdend met de inflatiecorrectie is de maximale algemene heffingskorting per 1 januari 2019
€ 2.477. De hoogte van de algemene heffingskorting is afhankelijk van het inkomen. Hoe hoger het inkomen, hoe lager de algemene heffingskorting. Bij een inkomen van € 68.510 en hoger is de algemene heffingskorting nihil. 

De arbeidskorting

De maximale arbeidskorting wordt met € 111 verhoogd. Rekening houdend met de inflatiecorrectie is de maximale arbeidskorting per 1 januari 2019 € 3.399. De hoogte van de arbeidskorting is afhankelijk van het inkomen. Vanaf een arbeidsinkomen van € 34.060 bouwt de arbeidskorting af. Bij een arbeidsinkomen van € 90.710 en hoger is de arbeidskorting nihil. 

Op grond van het EU-recht hebben inwoners van de Europese Unie (EU), Europese Economische Ruimte (EER), Zwitserland of de BES-eilanden (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba) recht op het volledige belastingdeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting en wordt dit door de Belastingdienst ook toegepast. Met ingang van 1 januari 2019 wordt dit wettelijk vastgelegd. In aanvulling daarop wordt voor buitenlandse belastingplichtigen expliciet in de Wet op de inkomstenbelasting vastgelegd dat het wereldwijde arbeidsinkomen als uitgangspunt geldt voor het bepalen van de hoogte van de arbeidskorting (dus niet alleen het in Nederland belastbare deel). 

Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet

De inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd door de werkgever zal met ingang van 1 januari 2019 worden verhoogd van 6,90% naar 6,95%. Het maximale premie-inkomen voor de Zorgverzekeringswet bedraagt per 1 januari 2019 € 55.923. 

Verhoging onbelaste vrijwilligersvergoeding/verstrekking

Vrijwilligers worden onder voorwaarden niet als werknemer aangemerkt voor de loonbelasting en komen in aanmerking voor de zogenoemde vrijwilligersregeling. Om als vrijwilliger te kwalificeren dient de persoon niet bij wijze van beroep arbeid te verrichten voor een algemeen nut beogende instelling (ANBI), een sportorganisatie of een organisatie die niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen of daarvan is vrijgesteld. Als dit het geval is, kan een bedrag van maximaal € 150 per maand en op kalenderjaarbasis in totaal maximaal € 1.500 als onbelaste vergoeding/verstrekking aan de vrijwilliger worden gegeven. Met ingang van 1 januari 2019 wordt het bedrag verhoogd naar € 170 per maand en € 1.700 per kalenderjaar. Als een van de twee bedragen wordt overschreden, is de vrijwilligersregeling niet van toepassing en zal moeten worden getoetst of sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. De verhoging zal ook van toepassing zijn voor de werknemersverzekeringen. 

Fiscale bijtelling fiets van de zaak

De regeling voor het (mede) voor privédoeleinden ter beschikking stellen van een fiets van de zaak wordt met ingang van 1 januari 2020 vereenvoudigd. Nu moet nog per individueel geval worden bepaald wat het werkelijke voordeel van het privégebruik van de fiets is. Nu werkgevers dit als administratief omslachtig ervaren, gaat vanaf 2020 voor het privégebruik van de ter beschikking gestelde fiets een vaste bijtelling gelden zoals we deze ook kennen voor de auto van de zaak. Voor de ter beschikking gestelde fiets wordt de bijtelling 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets. Accessoires bij de fiets die deel uitmaken van de consumentenadviesprijs en met de fiets ter beschikking worden gesteld vallen onder de forfaitaire regeling. Indien de werknemer een vergoeding verschuldigd is voor het privégebruik van de fiets, mag deze in aftrek worden gebracht van de bijtelling, maar de bijtelling kan niet negatief worden. 

Er bestaat geen wettelijke definitie van het begrip ‘fiets’ en daarom moet worden aangesloten bij het spraakgebruik. Zekerheidshalve wordt in dit kader wel in de wet opgenomen dat een zogenoemde speedpedelec tevens wordt aangemerkt als fiets indien deze mede door menselijke spierkracht wordt aangedreven en is uitgerust met een elektromotor (juridisch is het namelijk een bromfiets).
Dat een fiets (mede) voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld dient in beginsel door de inspecteur aannemelijk te worden gemaakt. Met het oog op de eenvoud, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid wordt een fiets echter in ieder geval geacht voor privédoeleinden ter beschikking te staan indien deze ook voor woon-werkverkeer ter beschikking staat.

De RAI Vereniging en BOVAG zullen aan een website gaan werken waar de actuele en historische consumentenadviesprijzen online raadpleegbaar zullen zijn. Indien er geen consumentenadviesprijs beschikbaar is, moet worden aangesloten bij de prijs van de meest vergelijkbare fiets. 

30%-regeling met ingang van 1 januari 2019 verkort naar vijf jaar

De 30%-regeling is een fiscale faciliteit voor werknemers die vanuit het buitenland naar Nederland komen en een specifieke deskundigheid bezitten die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet, of schaars, aanwezig is. Op basis van deze faciliteit kan grofweg 30% van het loon onbelast (gericht vrijgesteld) worden vergoed door de werkgever. 

Zoals aangekondigd, is in het Belastingplan 2019 opgenomen dat de periode van toekenning van de 30%-regeling met ingang van 1 januari 2019 wordt beperkt van acht tot vijf jaar. Van groot belang is dat deze wijziging ook van toepassing is op werknemers die momenteel al gebruikmaken van de 30%-regeling. Concreet betekent dit dat voor bestaande gevallen de einddatum op de 30%-beschikking met drie jaar wordt vervroegd, maar uiteraard niet verder dan tot 31 december 2018. 

Onder de 30%-regeling kan in de aangifte inkomstenbelasting de keuze worden gemaakt voor de zogenoemde partiële buitenlandse belastingplicht. Dit betekent dat de werknemer voor de belastingheffing in box 2 (aanmerkelijk belang) en box 3 (inkomen uit sparen en beleggen) wordt aangemerkt als buitenlands belastingplichtige en dus beperkt in de heffing van box 2 en box 3 wordt betrokken. Vanwege de verkorting van de toekenningsduur van de 30%-regeling wordt ook de periode waarin de keuze voor de partiële buitenlandse belastingplicht kan worden gemaakt teruggebracht van acht naar vijf jaar. 

Schoolgelden voor een internationale school mogen naast de 30%-regeling ook gericht vrijgesteld worden vergoed. Schoolgelden die betrekking hebben op het schooljaar 2018/2019, mogen in 2019 onbelast worden vergoed aan werknemers die op dat moment nog van de 30%-regeling gebruik hadden kunnen maken als de toekenningsduur per 1 januari 2019 niet was beperkt. 

Overgangsbepaling conserverende aanslagen lijfrente en pensioen (inkomstenbelasting)

De Belastingdienst kan bij emigratie al dan niet een conserverende aanslag voor lijfrenten en pensioenaanspraken opleggen. Een conserverende aanslag is een aanslag die wordt opgelegd, maar vooralsnog niet wordt ingevorderd. Invordering vindt slechts plaats wanneer binnen een tienjaarsperiode na het jaar van emigratie een ‘besmette handeling’ plaatsvindt (zoals afkoop, vervreemding, belening, verpanding en het prijsgeven van voor verwezenlijking vatbare rechten). 

De Hoge Raad heeft op 14 juli 2017 beslist dat voor bepaalde periodes uitgaven, aanspraken of bijdragen die betrekking hebben op lijfrenten en pensioenen niet via een conserverende aanslag in de heffing mogen worden betrokken als het heffingsrecht over de toekomstige uitkeringen op basis van het belastingverdrag exclusief is toegewezen aan de woonstaat van de belastingplichtige. In het Belastingplan 2019 is voorgesteld om dit als volgt wettelijk te regelen:

  • Pensioen: aanspraken en bijdragen waarvoor een fiscale facilitering door Nederland is verleend, blijven buiten beschouwing bij het opleggen van de conserverende aanslag voor zover deze betrekking hebben op de periode tot en met 15 juli 2009.
  • Lijfrenten: premies waarvoor een fiscale facilitering door Nederland is verleend, blijven buiten beschouwing bij het opleggen van de conserverende aanslag voor zover deze betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 1991 of op de periode van 1 januari 2001 tot en met 15 juli 2009. 

Maximering korting bijtelling nulemissieauto’s (Autobrief II)

Voor nulemissieauto’s (auto’s zonder CO2-uitstoot) van de zaak geldt een verlaagd bijtellingspercentage van 4%. Vanaf 2019 vallen nieuwe nulemissieauto’s onder het reguliere bijtellingspercentage van 22% voor zover de cataloguswaarde meer dan
€ 50.000 bedraagt. Een uitzondering geldt voor auto’s die rijden op waterstof: deze blijven volledig onder het verlaagde bijtellingspercentage vallen. 

Toepassing belastingdeel heffingskorting in de loonbelasting (OFM 2018)

In het Belastingplan van vorig jaar is een wijziging ten aanzien van de heffingskortingen opgenomen. Met ingang van 1 januari 2019 mag in de loonbelasting (salarisadministratie) voor buitenlandse belastingplichtigen alleen nog rekening worden gehouden met het belastingdeel van de arbeidskorting en niet met het belastingdeel van de overige heffingskortingen (zoals de algemene heffingskorting). Als aanvullende voorwaarde voor het toepassen van het belastingdeel van de arbeidskorting in de salarisadministratie geldt dat de werknemers wonen in een land binnen de EU/EER, Zwitserland en de BES-eilanden.
Werknemers die niet woonachtig zijn in de genoemde landen komen niet voor de arbeidskorting in aanmerking.

In het kader hiervan moet de werkgever dus gaan vastleggen wat de fiscale woonplaats van zijn werknemers is. Dit betekent dat werknemers die geen fiscale woonplaats in Nederland hebben in de Nederlandse salarisadministratie met hun buitenlandse woonadres moeten worden opgenomen (ook al hebben zij een Nederlands verblijfsadres). Naar aanleiding van deze reeds aangenomen wijziging met betrekking tot toepassing van de heffingskorting in de salarisadministratie, heeft de Belastingdienst in zijn ‘Nieuwsbrief Loonheffingen 2019’ opgenomen dat het anoniementarief van toepassing is als de werkgever het Nederlandse verblijfsadres opneemt in zijn salarisadministratie in plaats van het buitenlandse woonadres. 

Nu de werkgever bij buitenlandse belastingplichtigen geen onderscheid kan maken tussen kwalificerende en niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, zal de werknemer via de aangifte inkomstenbelasting het belastingdeel van de overige heffingskortingen nog te gelde kunnen maken als de werknemer kwalificeert als kwalificerende buitenlands belastingplichtige. 

Schematisch kan het voorgaande als volgt worden weergegeven: 

 

Recht op belastingdeel arbeidskorting?

Recht op belastingdeel

overige heffingskortingen?

1.     Werknemers buiten EU/EER, Zwitserland, BES-eilanden

Nee

Nee

2.     Werknemers binnen landenkring groep 1 en niet-kwalificerende buitenlands belastingplichtige

Ja, toepassing in LB

Nee

3.     Werknemers binnen landenkring groep 1 en kwalificerende buitenlands belastingplichtige

Ja, toepassing in LB

Ja, geen toepassing in LB, geldend maken via aangifte IB

Meldingsplicht EU-dienstverleners treedt in 2019 in werking

Op 18 juni 2016 is in Nederland de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU) ingegaan. Voor in het buitenland gevestigde werkgevers en Nederlandse werkgevers waar deze werknemers naar worden gedetacheerd gelden verplichtingen. Als niet aan de verplichtingen wordt voldaan kunnen hoge boetes worden opgelegd. 

Vermoedelijk met ingang van 1 april 2019 wordt de al eerder aangekondigde meldingsplicht ingevoerd voor dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hun werknemers in Nederland laten werken. Door invoering van deze plicht kan de Inspectie SZW (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) controleren of EU-werknemers de minimale arbeidsvoorwaarden krijgen waar ze recht op hebben en daarmee of de buitenlandse ondernemingen voldoen aan de Europese detacheringsrichtlijn. De meldingsplicht heeft ook gevolgen voor de dienstontvanger. Deze moet namelijk uiterlijk bij aanvang van de werkzaamheden hebben gecontroleerd of de melding is gedaan en zo ja, verifiëren of de personen die de dienst komen verrichten overeenkomen met de bij de melding opgegeven personen.

Vervanging Wet DBA verder uitgewerkt in 2019

In 2019 zullen de maatregelen ter vervanging van de Wet DBA nader worden uitgewerkt. Het doel is om vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt de schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegen te gaan. Daarnaast beogen de maatregelen zekerheid te geven aan zelfstandigen en hun opdrachtgevers dat geen sprake is van een dienstbetrekking. De Wet DBA is nog steeds van kracht, maar de handhaving is onder voorwaarden uitgesteld tot 1 januari 2020. 

Wijzigingen sectorale bijdragen 2020

Op vrijdag 29 juni 2018 heeft de ministerraad ingestemd met de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB). Onderdeel van deze wet is het per 2020 vervangen van de sectorale WW-premie door een premiedifferentiatie naar de aard van de arbeidsovereenkomst en afschaffing van de sectorpremies. 

Subsidie maatregel Loonkostenvoordeel (Begroting SZW 2019)

Voor twee specifieke doelgroepen (banenafspraak en scholingsbelemmerden) geldt het loonkostenvoordeel (LKV) nu maximaal drie jaar. De beperking tot drie jaar komt met ingang van 2020 te vervallen. 

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat