De Hoge Raad stelde op 1 november 2013 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) over de btw-behandeling van het beheer van vastgoedvennootschappen.

Achtergrond

Belanghebbende heeft managementovereenkomsten gesloten met drie vennootschappen die in vastgoed beleggen. De werkzaamheden van belanghebbende bestaan uit het voeren van het bestuur en het (administratieve) beheer van de vennootschappen, het aantrekken van investeerders, het aan- en verkopen van vastgoed en de exploitatie van het vastgoed ('property management'). Belanghebbende ontvangt de volgende vergoedingen:

  • een jaarlijkse beheervergoeding, bestaande uit een percentage van de brutojaarhuur;
  • bij (des)investeringen: 0,5% van de waarde van de gerealiseerde (des)investeringen;
  • voor de acquisitie van een nieuwe investeerder: 0,5% van de waarde van het door die investeerder te verwerven belang. De investeerders in de vastgoedvennootschappen zijn institutionele beleggers.

In 2009 heeft Rechtbank Breda beslist dat belanghebbende één dienst verricht die valt onder de btw-vrijstelling voor het beheer van door beleggingsfondsen dan wel beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens.

Anders dan de rechtbank heeft Gerechtshof Den Bosch in 2011 beslist dat de werkzaamheden van belanghebbende een aantal afzonderlijke diensten vormden, waaronder de exploitatie van vastgoed. Het hof oordeelde echter dat deze afzonderlijke diensten 'kenmerkende en essentiële' onderdelen van het beheer van vastgoedfondsen of -vennootschappen zijn en daarom zijn vrijgesteld van btw.

De vragen van de Hoge Raad

De Hoge Raad meent dat de rechtspraak van het HvJ aanleiding is om te betwijfelen dat beleggingsfondsen en -maatschappijen die in vastgoed beleggen 'gemeenschappelijke beleggingsfondsen' in de zin van de BTW-richtlijn zijn. Daarnaast vindt de Hoge Raad dat niet eenduidig uit de rechtspraak van het HvJ kan worden afgeleid dat de exploitatie van vastgoed als 'beheer' in de zin van de btw-vrijstelling kan worden aangemerkt. Daarom verzoekt de Hoge Raad het HvJ uitspraak te doen over de volgende vragen:

  1. Kan een vennootschap die is opgericht door meer dan een belegger met het enkele doel het bijeengebrachte vermogen te beleggen in onroerende zaken worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen?
  2. Zo ja, moet onder het begrip ‘beheer’ mede worden begrepen de door de vennootschap aan een derde uitbestede, feitelijke exploitatie van de onroerende zaken van de vennootschap?

Gevolgen

Deze zaak is om meerdere redenen van belang voor de huidige (vastgoed)fondsenpraktijk. Door de beantwoording van de vragen kan meer duidelijkheid worden gecreëerd over de reikwijdte van de begrippen 'beleggingsfonds' en 'beheer'. Mede in het kader van de ontwikkelingen rondom de AIFM-richtlijn (Alternative Investment Fund Managers Directive) is dat van grote betekenis.

Uiteraard kunnen de adviseurs van de Indirect Tax Financial Services Group van KPMG Meijburg & Co u helpen bij het in kaart brengen van de mogelijke gevolgen van deze procedure. Zij kunnen u ook adviseren hoe u kunt omgaan met en anticiperen op wijzigingen in btw-regelgeving, beleid en jurisprudentie. Zij hebben daar uitgebreide ervaring mee. Neemt u gerust contact op met een van hen of met uw vaste adviseur.