Op 30 december 2014 heeft de staatssecretaris een besluit bekendgemaakt waarin onder bepaalde voorwaarden verzoeken voor een fiscale eenheid van zustermaatschappijen van een Europese moedermaatschappij of een fiscale eenheid tussen een binnenlandse moedermaatschappij en binnenlandse kleindochtermaatschappijen gehouden via een of meer Europese tussenhoudstermaatschappijen worden ingewilligd.

Dit besluit volgt op drie uitspraken van Gerechtshof Amsterdam van 11 december 2014, waarin werd beslist dat de Nederlandse regelgeving voor de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting in strijd is met de Europese vrijheid van vestiging. Zie voor meer informatie het daarover verschenen My Tax News van 11 december 2014. Deze uitspraken waren een uitwerking van een arrest van het Europese Hof van Justitie (HvJ) van 12 juni 2014 naar aanleiding van prejudiciële vragen die Hof Amsterdam aan hem had voorgelegd in deze zaken, waarvan er een door Meijburg & Co namens een van zijn cliënten werd gevoerd. Hieronder zullen wij nader op het recente besluit ingaan alsook op de gevolgen daarvan voor de praktijk.

Inhoud besluit

Het besluit bevat een wijziging van het fiscale-eenheidsregime in de vennootschapsbelasting en een goedkeuring waarin – vooruitlopend op aanpassingen in de wetgeving – verzoeken tot het aangaan van een fiscale eenheid kunnen worden ingewilligd tussen:

  1. binnenlandse zustermaatschappijen die worden gehouden door een topmaatschappij uit een andere lidstaat van de Europese Unie (fiscale eenheid van zustermaatschappijen);
  2. een binnenlandse moedermaatschappij en een binnenlandse kleindochtermaatschappij die wordt gehouden door een tussenmaatschappij uit een andere lidstaat van de Europese Unie (fiscale eenheid moeder-kleindochter).


Voor bestaande fiscale eenheden verandert er echter niets.

Ad 1

In dit verband wordt onder een topmaatschappij verstaan: een nv, bv, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij dan wel een vergelijkbaar lichaam uit een land waarmee Nederland een kwalificerend belastingverdrag heeft afgesloten. Verder moet het lichaam:

  • gevestigd zijn in een lidstaat van de Europese Unie (EU) of de Europese Economische Ruimte (EER) en niet zijn gevestigd in Nederland. Bovendien mag het lichaam niet op grond van een tussen de lidstaat van vestiging en een derdestaat gesloten belastingverdrag geacht worden te zijn gevestigd in een niet-EU/EER-lidstaat;
  • in de lidstaat van vestiging, zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld zijn onderworpen aan een belasting naar de winst;
  • onmiddellijk dan wel middellijk via een of meer buitenlandse tussenmaatschappijen 95% of meer van de aandelen hebben in ten minste twee in Nederland gevestigde belastingplichtige lichamen.

Men is vrij in de keuze welke zustermaatschappij wordt aangemerkt als moedermaatschappij van de fiscale eenheid. Deze keuze moet worden gedaan bij het verzoek of indien dat bij reeds ingediende verzoeken nog niet is gebeurd, zo spoedig mogelijk na publicatie van het besluit. Wanneer de fiscale eenheid eenmaal tot stand is gekomen, kan op dit verzoek niet meer worden teruggekomen. Bij een voeging in de loop van het jaar sluiten de te voegen lichamen het boekjaar af op het direct aan de totstandkoming van de fiscale eenheid voorafgaande tijdstip. Vervolgens gaan de werkzaamheden en het vermogen van de zustermaatschappij die als dochtervennootschap is aangemerkt deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de zustermaatschappij die als moedermaatschappij is aangewezen. Dit leidt tot een onbelaste vermogenssprong bij die moedermaatschappij.

Ad 2

Onder een tussenmaatschappij wordt verstaan een nv of bv dan wel een vergelijkbaar lichaam uit een land waarmee Nederland een kwalificerend belastingverdrag heeft afgesloten. Verder moet het lichaam:

  • voldoen aan het vestigingsvereiste als onder 1 hiervoor;
  • voldoen aan de onderworpenheid als bij 2 hiervoor;
  • onmiddellijk of middellijk worden gehouden door een of meer lichamen die zijn gevoegd in de fiscale eenheid;
  • onmiddellijk of middellijk ten minste 95% van de aandelen hebben in een of meer vennootschappen die belastingplichtig zijn in Nederland.

Wanneer via een tussenmaatschappij een fiscale eenheid tot stand komt, blijft op het belang in de tussenmaatschappij de deelnemingsvrijstelling van toepassing alsof er geen fiscale eenheid is. De werkzaamheden en het vermogen van de kleindochter gaan deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij, dat als gevolg hiervan wijzigt met de fiscale boekwaarde van het vermogen van de dochtermaatschappij. Dit leidt tot een onbelaste vermogenssprong bij de moedermaatschappij.

Het besluit is op 31 december 2014 in werking getreden en werkt terug tot 16 december 2014.

Commentaar Meijburg & Co

In het besluit staat dat er voor bestaande fiscale eenheden niets verandert. De voorwaarden die zijn opgenomen in dit besluit zullen waarschijnlijk ook gelden voor verzoeken die voor 16 december 2014 zijn ingediend. Verder is het de vraag of buitenlandse vennootschappen ook een beroep kunnen doen op het besluit voor zover zij hier een vaste inrichting aanhouden. In het besluit wordt daar niet expliciet op ingegaan.

Overigens geldt nog steeds dat verzoeken om een fiscale eenheid binnen drie maanden na aanvang van het boekjaar moeten worden ingediend om het fiscale‑eenheidsregime vanaf het begin van dat boekjaar te kunnen toepassen.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat