Op 20 juni 2014 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de materieel terugwerkende kracht van de heffing over excessieve vertrekvergoedingen fiscaalrechtelijk door de beugel kan. Dat in de grondslag voor de berekening van de heffing loon is begrepen dat is genoten voor de invoering van de regeling, leidt niet tot strijdigheid met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) maar valt binnen de aan de wetgever toekomende ruime beoordelingsmarge.

Het berechte geval betrof een werkgever die in 2006 aan een CEO een voorwaardelijk recht op levering van aandelen in haar kapitaal had toegekend. Op 9 mei 2008 zijn de aandelen geleverd en is het behaalde voordeel is tot het loon van de CEO gerekend. In 2009 is de dienstbetrekking beëindigd en is een vertrekvergoeding toegekend.

Met ingang van 1 januari 2009 is de heffing over excessieve vertrekvergoedingen ingevoerd. Voor zover de vertrekvergoeding meer bedraagt dan het toetsloon (in 2014: € 531.000), dan wordt deze als excessief gekwalificeerd en is de werkgever over het meerdere 75% (30% t/m 2012) loonbelasting verschuldigd als een zogenoemde pseudo-eindheffing. Voor het bepalen van de vertrekvergoeding in de zin van de regeling wordt het loon dat door de CEO is genoten in de jaren 2008 en 2009 vergeleken met het door hem in het jaar 2007 genoten loon. De inspecteur heeft bij de beoordeling of sprake is van een bovenmatige vertrekvergoeding ook het in 2008 genoten voordeel uit het aandelenrecht in aanmerking genomen. Dit laatste was volgens Hof Arnhem-Leeuwarden strijdig met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het Hof oordeelde dat er onvoldoende argumenten zijn gegeven voor de (materiële) terugwerkende kracht voor zover deze zich uitstrekt tot het tijdvak voor 13 mei 2008. Dit was de datum van indiening van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van de heffing over excessieve vertrekvergoedingen. Verder overwoog het Hof dat het gaat over een zeer aanzienlijk belang en dat de belanghebbende de invoering van de regeling niet verwachtte en ook niet kon voorzien.

De Hoge Raad oordeelt echter anders dan het Hof. Volgens de Hoge Raad is de wetgever met de vormgeving van de regeling binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge gebleven. In aanmerking genomen dat de pseudo-eindheffing slechts is verschuldigd in geval van beëindiging van de dienstbetrekking na inwerkingtreding van de regeling, is de verschuldigdheid van de heffing daardoor mede afhankelijk van een na inwerkingtreding plaatsvindende gebeurtenis en in zoverre voorzienbaar. Ook is volgens de Hoge Raad in het berechte geval geen sprake van een individuele buitensporige last ook al is het bedrag in absolute zin zeer omvangrijk.

Het arrest van de Hoge Raad kan gevolgen hebben voor de procedures over de 16% crisisheffing. Ook hier is immers een van de argumenten dat de regeling materieel terugwerkende kracht heeft.