De waarde van incourante onroerende zaken wordt in het algemeen bepaald met behulp van de zogenoemde gecorrigeerde vervangingswaarde. Grofweg worden de stichtingskosten van het object  gecorrigeerd voor de veroudering die sinds de bouw is opgetreden. Het geschil betreft de correctie ten gevolge van de economische veroudering. In de casus gaat het om een warmtekrachtcentrale, maar het arrest is van belang voor allerlei productiebedrijven.

De vraag die partijen verdeeld houdt, is in hoeverre marktontwikkelingen en installaties die niet meer up-to-date zijn meewegen in de waardering van een onroerende zaak. In eerste instantie bepaalde Hof Den Bosch dat de in het gebouw opgestelde installaties en de marktontwikkelingen geen rol spelen bij het vaststellen van de correctie. Uitsluitend de functionaliteit van het gebouw zelf werd beoordeeld. De Hoge Raad casseerde deze uitspraak en verwees de zaak naar Hof Arnhem. Dit Hof concludeerde dat in de waardebepaling wel rekening mocht worden gehouden met het (achterblijvende) rendement van de installaties, maar niet met de marktomstandigheden. De Hoge Raad casseert ook deze uitspraak en stelt dat zowel het rendement van de installaties als de marktomstandigheden een rol spelen bij de waardebepaling en verwijst de zaak ditmaal naar Hof Den Haag voor verdere afdoening.

Hoewel de arresten op zich geen nieuwe inzichten bieden, zijn zij niet geheel van belang ontbloot. De Hoge Raad verduidelijkt dat zowel de positie van het bedrijf op de (wereld-)markt als de efficiency van de installaties invloed hebben op de waarde van de opstal waarin het product wordt vervaardigd.