Op vrijdag 19 juni 2015 heeft staatssecretaris Wiebes van Financiën een brief gestuurd naar de Tweede Kamer waarin hij de hoofdlijnen aangeeft van de beoogde belastingherziening. De aftrap hiervoor werd tijdens Prinsjesdag 2014 gegeven met de brief ‘Keuzes voor een beter belastingstelsel’. Doel is het stelsel te vereenvoudigen, de belastingwetgeving begrijpelijker te maken en de uitvoering door de Belastingdienst te verbeteren. Verder wil het kabinet de lasten op arbeid verlagen om zo de economische groei te bevorderen. De staatssecretaris geeft daarbij aan dat er komend jaar ruimte op de begroting komt voor een netto lastenverlichting van € 5 miljard.

Hieronder gaan wij in op de – overigens summiere – inhoud van de brief. Wij merken op dat er nog veel onduidelijkheden zijn en dat veel onderwerpen nog moeten worden uitgewerkt en politiek nader moeten worden uitonderhandeld.

Hoofdlijnen

In de brief worden de beoogde maatregelen nog slechts op hoofdlijnen geschetst. De volgende springen het meest in het oog.

Daling van lasten op arbeid (inclusief box 1)

Er wordt ingezet op een gemiddelde daling van de inkomstenbelasting van circa € 800 per werkend huishouden. In dit verband worden de volgende maatregelen genoemd:

  • Verhoging arbeidskorting voor inkomens tot ongeveer € 50.000.
  • Een verlaging van de tarieven in de tweede en derde belastingschijf met circa 2%-punt.
  • Het toptarief van 52% gaat gelden vanaf een hoger inkomen.
  • Volledige afbouw van de algemene heffingskorting.
  • Een impuls in de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
  • Een verhoging van de kinderopvangtoeslag.
  • Een gericht loonkostenvoordeel om het aantrekkelijker te maken mensen met lage inkomens aan te nemen.

Maatregelen aanmerkelijk belang (box 2)

Het kabinet werkt maatregelen uit om onbedoelde belastingontwijking door directeuren-grootaandeelhouders tegen te gaan. Dit betreft misbruik van de tienjaarsperiode van de conserverende aanslag ter zake van een aanmerkelijk belang bij emigratie. In dit verband nam de Tweede Kamer tijdens de stemming over het Belastingplan 2015 al een motie aan. De brief vermeldt verder niets over box 2, dus ook niet of er voor box 2 – net als in box 3 – een forfaitair rendement komt. De brief maakt ook geen melding van een eventuele aanpassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF).

Hervorming vermogensrendementsheffing (box 3)

Naar aanleiding van de groeiende onvrede onder spaarders over het forfaitaire rendement in box 3 van 4%, dat op spaarrekeningen al geruime tijd niet meer wordt gehaald, gaat de vermogensrendementsheffing op de schop. Omdat het belasten van het daadwerkelijk behaalde rendement als complex en moeilijk uitvoerbaar wordt ervaren, heeft het kabinet een alternatief uitgewerkt waarin het rendement per vermogenstitel (spaarsaldo, aandelenportefeuille, onroerend goed) periodiek wordt herijkt op basis van in de markt gerealiseerde rendementen. De vermogensmix van de belastingplichtige wordt langs forfaitaire maatstaven gedifferentieerd, zodat die gemiddeld beter aansluit bij de genoten rendementen. Het tarief van 30% blijft ongewijzigd. Momenteel wordt gestudeerd op de mogelijkheden van een uitvoerbare tegenbewijsregeling.

Herziening autobelastingen

De automaatregelen voor 2017 tot en met 2020 worden verder uitgewerkt in de eveneens op 19 juni 2015 verschenen Autobrief II. Daarover berichten we apart. Er blijven bijvoorbeeld nog maar twee bijtellingcategorieën over voor auto’s van de zaak: 4% voor volledig elektrische auto’s en 22% voor alle andere auto’s, dus ook de zogenoemde hybrids.

Andere mogelijke maatregelen

De staatssecretaris noemt nog enkele aanvullende maatregelen om te komen tot een verdere verlaging van de lasten op arbeid en vereenvoudiging. Het betreft alleen maatregelen ter zake waarvan het kabinet heeft geconstateerd dat er mogelijk voldoende draagvlak voor is. Wij lichten er de volgende uit.

Een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen

De vergoeding over vreemd vermogen (rente) is, in tegenstelling tot de vergoeding over eigen vermogen (dividend), aftrekbaar voor de vennootschapsbelasting. Volgens de staatssecretaris stimuleert dit bedrijven om meer vreemd vermogen aan te houden. Hij geeft aan dat het kabinet mogelijkheden ziet om de fiscale behandeling meer gelijk te trekken. De staatssecretaris geeft daarbij aan dat de opbrengst zou kunnen worden ingezet om het tarief van de vennootschapsbelasting te verlagen. Hierbij wordt verwezen naar de internationale ontwikkelingen met betrekking tot belastingontwijking. Bij de uitwerking zal volgens de staatssecretaris wel rekening moeten worden gehouden met het behoud van een goed vestigingsklimaat.

Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat het hier gaat om beperking van renteaftrek. Het is onduidelijk hoe deze passage zich verhoudt tot de brief van 2 juni 2015, waarin de staatssecretaris aangaf dat het erop lijkt dat in OESO-verband een ‘earnings stripping’-maatregel overeengekomen zal worden. Een dergelijke maatregel levert volgens de brief van 2 juni 2015 namelijk eveneens een bijdrage aan een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen. De in OESO-verband overeen te komen ‘earnings stripping’-regeling houdt globaal in dat de rente niet aftrekbaar is voor zover het saldo van verschuldigde en ontvangen rente (zowel binnen de groep als van derden) meer bedraagt dan een bepaald percentage van de winst vóór aftrek van rente en afschrijvingen (het zogenoemde EBITDA).

Uniformering van de btw met uitzondering van voedingsmiddelen

Het kabinet zet in op een zo breed mogelijke toepassing van het algemene btw-tarief van momenteel 21%. Alleen voedingsmiddelen blijven onder het verlaagde btw-tarief (momenteel 6%) vallen, daaronder begrepen voedingsmiddelen in de horeca. Ook wordt rekening gehouden met de directe doorwerking naar overheidssectoren waaronder de zorgsector.

Verdere vergroening

De brief oppert in het kader van verdere vergroening als mogelijke fiscale maatregel het minder degressief maken van de energiebelasting op elektriciteit, waarbij de opbrengst zou moeten worden teruggesluisd naar bedrijven.

Verruimen gemeentelijk belastinggebied

De verruiming van het gemeentelijk belastinggebied gaat uit van twee belastinggrondslagen, die goed uitvoerbaar moeten zijn: de OZB-gebruikers en een ingezetenenheffing. Volgens het kabinet moet worden voorkomen dat gemeenten inkomenspolitiek gaan bedrijven.

Vervolg

De staatssecretaris geeft aan dat het kabinet na een debat verder wil gaan met vertrouwelijk overleg met oppositiepartijen die daartoe bereid zijn om tot een akkoord te komen over de uiteindelijke vorm van de belastingherziening. Het is wel de bedoeling dat de eerste maatregelen al terug te vinden zijn in het Belastingplan 2016 dat tijdens Prinsjesdag op 15 september 2015 zal worden gepresenteerd.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat