De Hoge Raad heeft op 20 december 2013 in een drietal zaken prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie (HvJ) over de heffing van Nederlandse dividendbelasting. Twee zaken gaan over de heffing van dividendbelasting van Belgische particuliere aandeelhouders in Nederlandse vennootschappen. De derde zaak gaat over de heffing van dividendbelasting van een Franse bank. In een van deze zaken wordt de procedure door KPMG Meijburg & Co namens een van zijn cliënten gevoerd. Hieronder bespreken we deze zaken.

De Belgische particuliere beleggers

Een buitenlandse particuliere belegger is in Nederland 15% dividendbelasting verschuldigd over het door in Nederland gevestigde vennootschappen daadwerkelijk uitgekeerde dividend, terwijl een Nederlandse belegger in box 3 voor het aandelenbezit tegen 1,2% (forfaitair rendement van 4% tegen 30%) wordt belast. Een Nederlandse belegger wordt effectief niet belast met dividendbelasting, want hij kan de ingehouden dividendbelasting verrekenen dan wel teruggaaf krijgen.

De Hoge Raad heeft het HvJ gevraagd of de heffing van de dividendbelasting van buitenlandse beleggers vergeleken moet worden met de heffing van inkomstenbelasting van binnenlandse beleggers. Als het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, zal de belegger een berekening moeten maken van een fictieve Nederlandse belasting op zijn aandelenbezit. Indien deze fictieve Nederlandse belasting lager is dan de Nederlandse dividendbelasting, zal het verschil eventueel aan de belegger terugbetaald moeten worden.

De Hoge Raad heeft een aantal vervolgvragen geformuleerd over hoe deze fictieve Nederlandse belasting dan berekend moet worden. Dit is met name gecompliceerd omdat de heffing van dividendbelasting over daadwerkelijk ontvangen dividend nogal verschilt van de heffing in box 3 waarin wordt geheven over een fictief inkomen op basis van het aandelenbezit. In box 3 heeft een Nederlandse belegger bijvoorbeeld recht op aftrek van de waarde van schulden en recht op toepassing van een heffingvrij vermogen. Een buitenlandse belegger heeft geen vergelijkbare faciliteiten in de dividendbelasting. Bovendien ziet het fictieve inkomen in box 3 niet slechts op dividendinkomen, maar ook op vermogenswinst. De heffingsgrondslag in box 3 is daarmee breder dan de heffing van dividendbelasting. Ten slotte zijn er vragen gesteld over de mogelijke verrekening van de Nederlandse belasting in het buitenland.

De Franse bank

In de zaak van de Franse bank speelt soortgelijke problematiek. De Franse bank wordt in Nederland voor haar dividend belast met dividendbelasting. Een vergelijkbare Nederlandse bank zou op het ontvangen dividend met vennootschapsbelasting worden belast. Op zich is de Nederlandse belasting van de Franse bank lager dan die van een met hem vergelijkbare Nederlandse bank, maar deze Nederlandse bank heeft wel de mogelijkheid om kosten af te trekken.

De Hoge Raad heeft -naast de vraag rond de vergelijkbaarheid van beide situaties- de vraag gesteld welke kosten door de Franse bank in aanmerking mogen worden genomen. Zijn dit alle kosten die in economische zin verband houden met de aandelen? Hoe moet bijvoorbeeld worden omgegaan met financieringslasten in verband met de aankoop van deze aandelen. Ook in deze zaak zijn vragen gesteld over de verrekening van de Nederlandse dividendbelasting met de Franse vennootschapsbelasting.

Commentaar KPMG Meijburg & Co

De heffing van dividendbelasting van buitenlandse aandeelhouders staat overal in Europa onder druk. Uit vaste rechtspraak van het HvJ blijkt dat een buitenlandse aandeelhouder niet zwaarder belast mag worden dan een met hem vergelijkbare binnenlandse aandeelhouder. Met deze prejudiciële vragen probeert de Hoge Raad meer duidelijkheid te krijgen over de Europees-rechtelijke vergelijking voor de Nederlandse dividendbelasting. Indien de vragen van de Hoge Raad bevestigend worden beantwoord, zal de heffing van Nederlandse dividendbelasting veel bewerkelijker worden dan nu het geval is. Het is de vraag of de kosten van de inning van dividendbelasting dan nog wel opwegen tegen de opbrengst en of de dividendbelasting eigenlijk niet beter afgeschaft zou kunnen worden.

In voorkomende gevallen is het raadzaam om bezwaar of beroep aan te tekenen dan wel bezwaar- of beroepsgronden aan te vullen met een beroep op deze vragen van de Hoge Raad.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat