Op 6 februari 2015 heeft de Hoge Raad arresten gewezen in twee zaken die beide betrekking hadden op winstuitkeringen gedaan door Nederlandse vennootschappen aan hun moedervennootschappen gevestigd op Curaçao. De Hoge Raad oordeelt dat de heffing van 8,3% dividendbelasting onder de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) niet in strijd is met EU-recht en dus mag blijven worden geheven.

Wij hebben u eerder bericht over deze zaken naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal bij en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ). In beide zaken ging het om een Nederlandse vennootschap die in 2005 respectievelijk 2006 aan een 100%-moedermaatschappij – een naar Antilliaans recht opgerichte en op Curaçao gevestigde nv – dividend heeft betaald, waarop onder toepassing van de BRK 8,3% dividendbelasting is ingehouden en afgedragen.

De stelling van de moedermaatschappijen was dat de heffing van deze dividendbelasting in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer die volgens het EG-Verdrag (EGV) mede van toepassing is op het kapitaalverkeer van en naar derdelanden dan wel met het discriminatieverbod in het zogenoemde LGO-besluit (dat de verhouding tussen de EU-lidstaten en de landen en gebieden overzee (LGO) regelt). Op basis hiervan zou de inhoudingsvrijstelling moeten worden toegekend aan beide moedermaatschappijen. Om over de juistheid van deze stelling zekerheid te verkrijgen had de Hoge Raad een aantal vragen voorgelegd aan het HvJ.

Arrest van het HvJ

Het HvJ overwoog in een arrest van 5 juni 2014 dat beperkingen aan dividenduitkeringen tussen de Europese Unie en LGO, waartoe ook Curaçao behoort, in beginsel verboden zijn. Het HvJ toetste echter niet aan de vrijheid van kapitaalverkeer in het EGV, zoals de A-G van het HvJ wel deed, maar aan het LGO-besluit. Daarin is een uitzonderingsclausule opgenomen die ziet op de voorkoming van belastingontduiking.

Op grond van deze clausule besliste het HvJ dat de heffing van 8,3% dividendbelasting is toegestaan, op voorwaarde dat deze heffing inderdaad is bedoeld ter voorkoming van belastingontduiking en dat dit doel met de heffing van 8,3% daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd. Het was vervolgens aan de Hoge Raad om te beoordelen of aan deze voorwaarden was voldaan.

Hoge Raad

De Hoge Raad heeft nu uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wet waarbij de 8,3%-heffing in de BRK is opgenomen, afgeleid dat deze heffing inderdaad is opgenomen om belastingontduiking te voorkomen en ook dat dit doel met de invoering van deze heffing daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd. Daarmee oordeelt de Hoge Raad dat de 8,3%-heffing niet in strijd is met EU-recht en dus mag blijven worden geheven.

Commentaar Meijburg & Co

Met deze arresten van de Hoge Raad lijkt een einde te zijn gekomen aan een kwestie die al speelt sinds de wijziging waarmee het tarief van 8,3% in de BRK is opgenomen als maximering van de bronheffing op dividend. Al in eerdere arresten had de Hoge Raad geoordeeld dat de 8,3% niet in strijd was met Europees recht zonder daarover vragen te stellen aan het HvJ. Over die jurisprudentie was echter gerede twijfel ontstaan naar aanleiding van nadien door het HvJ gewezen rechtspraak. De nu door de Hoge Raad gewezen arresten zijn nogal kort, maar kennelijk is de Hoge Raad van oordeel dat ook in situaties waarin er geen sprake is van misbruik desondanks 8,3% dividendbelasting mag worden geheven, zonder dit nader te motiveren.

Wat dat betreft is de in juni 2014 aan de Staten-Generaal voorgelegde Belastingregeling ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Curaçao (BRNC) een aanzienlijke verbetering, nu daarin wordt voorgesteld om bij intercompany aandelenbelangen van ten minste 10% geen dividendbelasting te heffen als bijvoorbeeld is voldaan aan voldoende substance op Curaçao. De planning is dat de BRNC vanaf 1 januari 2016 kan worden toegepast.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat