Op 28 maart 2014 heeft de Hoge Raad, in tegenstelling tot de advocaat-generaal, geoordeeld dat de subjectieve (zorg)vrijstelling in de vennootschapsbelasting niet van toepassing is op een uitbestedende thuiszorginstelling. De subjectieve vrijstelling vereist dat de werkzaamheden van de zorginstelling bestaan uit het genezen, verplegen of verzorgen van zieken, kraamvrouwen, mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, wezen of ouderen die niet meer zelfstandig kunnen wonen. Volgens de Hoge Raad moet deze zorg door of namens de instelling zelf worden verleend.

In de zaak die voorlag bij de Hoge Raad was de stichting toegelaten door het College voor zorgverzekeringen en ontving zij AWBZ-geld ter uitvoering van de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten). De instelling bemiddelde en coördineerde bij de thuiszorgvraag, het thuiszorgaanbod, de zorgorganisatie en de zorgfinanciering en verrichtte administratieve taken. De feitelijke thuiszorg werd verzorgd door zzp’ers die rechtstreeks met de zorgvrager contracteerden. Op basis van budgettering en nacalculatie werden de ontvangen AWBZ-gelden doorbetaald aan de zzp’ers. Door de stichting werden jaarlijks exploitatieoverschotten behaald.

Op basis van een teleologische en bovendien dynamische uitleg concludeerde de advocaat-generaal – net als het hof – dat de subjectieve vrijstelling waarbij de feitelijke werkzaamheden moesten bestaan uit genezing of verpleging van zieken, kraamvrouwen of gebrekkigen, wel van toepassing was op de stichting. Niet alleen ‘eigen handen aan het bed’ voldoet, maar ook de middellijke zorgverlening van de instelling kwalificeerde volgens de advocaat-generaal voor de subjectieve vrijstelling. De Hoge Raad stelt in de onderhavige procedure echter vast dat de zorgvrager zich bij het vragen om zorg richt tot van de instelling onafhankelijke steunpunten, die vervolgens zorgen dat zelfstandige zorgverleners de gevraagde zorg contracteren en verlenen. Weliswaar is de stichting een toegelaten AWBZ-thuiszorginstelling en uiteindelijk verantwoordelijk voor de werkzaamheden van de zorgverleners, maar toch verleent de instelling de zorg vanuit het perspectief van de zorgvragers niet zelf. Daarmee is de subjectieve vrijstelling niet van toepassing. De vrijstelling biedt volgens de Hoge Raad geen ruimte om daar ook administratieve en organisatorische werkzaamheden onder te scharen. Voor een bemiddelende thuiszorginstelling is dus geen beroep mogelijk op de subjectieve vrijstelling voor de vennootschapsbelasting.