Bij besluit van 3 november 2015 (gepubliceerd op 11 november 2015) heeft de staatssecretaris van Financiën opvolging gegeven aan de eerder aangekondigde goedkeuring voor de aanpassingstermijn voor advanced tax rulings (ATR’s) die als gevolg van de naar verwachting binnenkort door de Tweede Kamer aan te nemen Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 hun geldigheid verliezen.

Het betreft hierbij ATR’s over de afwezigheid van:

  • buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting voor het houden van een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigd lichaam; en/of
  • inhoudingsplicht voor coöperaties in de dividendbelasting.

Vanwege het ontbreken van overgangsrecht wordt het vanaf 1 januari 2016 in bepaalde situaties van belang dat het buitenlandse lichaam of directe lid dat een schakelfunctie uitoefent, beschikt over voldoende substance.

Wanneer in die situaties op 1 januari 2016 niet aan de nieuwe substance-eisen wordt voldaan, treedt in beginsel de in ATR’s opgenomen ontbindende voorwaarde in werking. Deze houdt in dat de ATR bij een relevante wetswijziging direct en in zijn geheel vervalt.

In het besluit van 3 november 2015 wordt uit efficiencyoverwegingen goedgekeurd dat de ontbindende voorwaarde tot 1 april 2016 wordt opgeschort, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • Belanghebbenden melden zich voor 1 januari 2016 schriftelijk bij het APA/ATR-team van de Belastingdienst/Grote ondernemingen (kantoor Rotterdam).
  • Belanghebbenden spreken hierbij de intentie uit voor 1 april 2016 te voldoen aan de substance-eisen.
  • Belanghebbenden verklaren hierbij ook dat zij erkennen dat de ATR per 1 januari 2016 komt te vervallen indien niet voor 1 april 2016 aan de substance-eisen is voldaan.
  • Belanghebbenden moeten voor 1 mei 2016 het APA/ATR-team van de Belastingdienst/Grote ondernemingen (kantoor Rotterdam) informeren of is voldaan aan de substance-eisen.

Heffing

In het besluit staat verder nog dat, aangezien niet is voorzien in overgangsrecht, dividenduitkeringen uit of vervreemdingen van het aanmerkelijk belang, of de opbrengst van het lidmaatschapsrecht in de coöperatie in de periode tussen 1 januari 2016 en het tijdstip dat aan de substance-eisen wordt voldaan altijd, met inachtneming van toepasselijke verdragsbepalingen, in de heffing worden betrokken. De goedkeuring betreft dus nadrukkelijk slechts het niet direct per 1 januari 2016 vervallen van de ATR.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat