Casus

De Portugese ondernemer Imofloresmira heeft een onroerende zaak in Portugal gekocht. De aankoop-btw heeft Imofloresmira afgetrokken. De onroerende zaak werd door Imofloresmira namelijk btw-belast verhuurd. Na verloop van tijd is de huur van twee delen van de onroerende zaak ontbonden, waarna de betrokken delen voor meer dan twee jaar leegstonden. Imofloresmira heeft gedurende de leegstand steeds geprobeerd om beide delen btw-belast te verhuren. Op basis van de Portugese btw-regeling moet de genoten btw-aftrek na twee jaar leegstand in één keer worden herzien. 

Het Hof van Justitie oordeelt dat een belastingplichtige het recht op aftrek behoudt als zij de intentie heeft om de onroerende zaak btw-belast te verhuren. Dit geldt ook als het btw-belaste gebruik buiten haar wil om niet tot stand komt, omdat de oude huurders hebben opgezegd en geen nieuwe huurder is gevonden. De belastingplichtige dient wel haar intentie tot btw-belaste verhuur aan te kunnen tonen. 

Het Hof van Justitie merkt verder op dat lidstaten de wijze van en de voorwaarden voor het opteren voor een btw-belaste verhuur of levering van onroerend goed mogen vaststellen. De nationale optieregelingen mogen echter geen afbreuk doen aan de aftrekbepalingen: zo mogen deze niet leiden tot het met terugwerkende kracht herroepen van het aftrekrecht. 

Belang voor de Nederlandse praktijk

Bij leegstand van een onroerende zaak na eerste ingebruikname negeert de Belastingdienst de leegstand bij het bepalen van het aftrekrecht op basis van een beleidsbesluit (Besluit van 25 november 2011, nr. BLKB2011/641M). Gelet op deze uitspraak van het Hof van Justitie is dit standpunt in het beleidsbesluit achterhaald. Een belastingplichtige met de objectief aantoonbare intentie om leegstaand onroerend goed btw-belast te gaan verhuren kan de btw op zijn kosten aftrekken. De uitspraak van de Hoge Raad van 13 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1376) lijkt hiermee in lijn. 

De overwegingen van het Hof van Justitie over de optie voor een btw-belaste verhuur en levering roepen de vraag op of de zogeheten ‘referentieperiode’ bij de Nederlandse optieregeling toelaatbaar is. Bij het opteren voor btw-belaste verhuur of btw-belaste levering moet de huurder of koper de onroerende zaak binnen de referentieperiode feitelijk in gebruik nemen en voor meer dan 90% voor btw-belaste doeleinden gebruiken. Als dit niet (meer) het geval is dan vervalt de optie met terugwerkende kracht. Het is de vraag hoe dit zich verhoudt tot de opmerking van het Hof van Justitie dat een nationale optieregeling het eerder ontstane aftrekrecht niet mag herroepen. 

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat