Beste lezer,

Dit is het nieuwe nummer van onze digitale nieuwsbrief Fiscale Zaken voor Ondernemers. Hierin laten wij in begrijpelijke taal een aantal fiscale zaken de revue passeren die van belang zijn voor in Nederland opererende ondernemers. Daarbij zullen wij aandacht schenken aan een zo breed mogelijke waaier van belastingen, zodat de meeste ondernemers in deze nieuwsbrief iets terug zullen vinden dat voor hen van belang is. Mocht u vragen, opmerkingen of verzoeken hebben, dan kunt u die richten aan de adviseur die is vermeld bij het desbetreffende onderwerp of aan een van de adviseurs die aan het slot van de nieuwsbrief zijn vermeld. Wij wensen u veel leesplezier!

Naar boven


Inhoud

Naar boven


1. Column: hervorming

Het kabinet heeft het plan opgevat om een grote belastinghervorming door te voeren waarbij de lasten op arbeid worden verlaagd. De plannen worden in fasen verdeeld, waarbij de twee coalitiepartijen eerst het zoet uitdelen. Vervolgens wordt de oppositiepartijen gevraagd te helpen het zuur te verdelen. En dan raar opkijken als het niet lukt om tot een akkoord te komen.

Het meest in het oog springende onderdeel van het plan – wat het dus niet heeft gehaald – was de gelijktrekking van het btw-tarief. Er zou alleen nog een laag tarief voor voeding overblijven; alle andere goederen en diensten zouden onder het hoge 21%-tarief worden gebracht. Voor fiscalisten is dit een volstrekt logische vereenvoudiging. Sterker nog, het zou theoretisch gezien nog beter zijn om alles onder één btw-tarief te brengen, dus voeding ook. Dan ben je namelijk af van alle discussies over de twee tarieven. Het wetboek wordt dunner en het (fiscale) leven eenvoudiger. Het argument dat het lage tarief vooral ten goede zou komen aan de lage inkomens is intussen ook met duidelijk bewijs naar het land der fabelen verwezen. Het creëren van één btw-tarief zou belastingadviseurs omzet gaan kosten, omdat een deel van de complexiteit van de btw-wetgeving zou worden weggenomen. Volgens mij is dé lakmoesproef voor de vraag of de belastingwetgeving eenvoudiger is geworden gelegen in de omzet van belastingadviseurs. Als die daalt door een maatregel, dan is er sprake van een vereenvoudiging.

Voor fiscalisten is het dus een no-brainer dat één btw-tarief een echte vereenvoudiging zou zijn. Politiek en maatschappelijk ligt dat uiteraard heel anders. Er zijn in het verleden goede redenen geweest om bepaalde zaken onder het lage tarief te brengen. Denk aan musea, cultuur, boeken, kappers en al die andere partijen die te hoop zijn gelopen tegen de btw-verhoging. Als musea nu van 6% naar 21% zouden gaan, kost ze dat gewoon 15% van hun kaartverkoop aan omzet. Dat zullen ze niet kunnen doorberekenen aan hun klanten. Ik sluit niet uit dat dat een aantal musea het laatste zetje zal geven naar een faillissement, zeker in een tijd dat de overheid sowieso de subsidiekranen dichtdraait.

Als je als overheid een majeure hervorming zoals het gelijktrekken van het btw-tarief wil invoeren, kan dat alleen als onderdeel van een breed pakket aan flankerende maatregelen en gesteund door een ruime meerderheid in de Eerste en Tweede Kamer. Anders is het volstrekt kansloos en leidt het alleen tot onnodige maatschappelijke onrust. Dat laat onverlet dat ik er echt van overtuigd ben dat het creëren van één btw-tarief een echte vereenvoudiging zou zijn.

Olaf Leurs (leurs.olaf@kpmg.com)

Naar boven


2. Autobrief II gepubliceerd

Op 19 juni 2015 heeft staatssecretaris Wiebes van Financiën de Autobrief II aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarin zijn de door het kabinet beoogde fiscale automaatregelen voor 2017 tot en met 2020 verder uitgewerkt. Bij de totstandkoming van de brief zijn gesprekken gevoerd met de autobranche, milieuorganisaties en andere belanghebbenden. De belangrijkste doelen zijn stabielere belastinginkomsten en een efficiënter milieubeleid. Daarbij is ook gekeken naar minder marktverstoring, complexiteit en uitvoeringslasten.

Nog maar twee bijtellingscategorieën

Er blijven nog maar twee bijtellingscategorieën over voor auto’s van de zaak: 4% voor volledig elektrische auto’s (nulemissieauto’s) en 22% voor alle andere auto’s. Dat betekent dat reguliere auto’s vanaf 2017 een lagere bijtelling krijgen, tot en met 2016 is dat nog 25%. Het verlaagde bijtellingspercentage van zogenoemde plug-in hybrids (auto’s met een CO2-uitstoot tot en met 50 gr/km) wordt stapsgewijs verhoogd: 17% in 2017, 19% in 2018 en uiteindelijk 22% in 2019. Verder zal vanaf 2019 voor volledig elektrische auto’s het deel van de catalogusprijs dat boven € 50.000 uitkomt ook onder het algemene bijtellingspercentage van 22% vallen.

BPM

De BPM wordt tot 2020 geleidelijk verlaagd met gemiddeld 12%. Verder wordt de BPM minder CO2‑afhankelijk gemaakt door de vaste voet te verhogen van € 175 tot € 350 en het CO2-afhankelijke deel van de tarieftabel te verlagen. Voor plug-in hybrids wordt het voordeel in de BPM geleidelijk afgebouwd. Nulemissieauto’s blijven volledig vrijgesteld.

MRB

De MRB wordt met ingang van 2017 voor alle auto’s generiek verlaagd met 2%. Voor vervuilende dieselauto’s en -bestelbusjes gaat vanaf 2019 een toeslag gelden van 15%. Het gaat dan om een fijnstofuitstoot van meer dan 5 mg/km en het betreft in de regel voertuigen van voor 2005 zonder af‑fabriekroetfilter. Vervuilende bestelbusjes lopen pas tegen de toeslag aan als ze twaalf jaar of ouder zijn. Net als in de BPM wordt in de MRB het voordeel voor plug-in hybrids geleidelijk afgebouwd en blijven nulemissieauto’s volledig vrijgesteld.

Het vervolg

De voorstellen uit de Autobrief II zullen nog worden bediscussieerd in de Tweede Kamer. De resultaten daarvan neemt de staatssecretaris mee in een in het najaar van 2015 in te dienen wetsvoorstel Wet uitwerking Autobrief II, waarin de wijzigingen in de autobelastingen voor de gehele periode 2017-2020 zullen worden opgenomen. In 2018 is een eerste evaluatie van de maatregelen gepland.

Leo van Elburg (vanelburg.leo@kpmg.com)

Naar boven


3. Oplossingsrichtingen voor pensioen in eigen beheer

Gaat pensioen in eigen beheer op de schop?

Het onderscheid tussen de fiscale en commerciële waardering van pensioenverplichtingen bij pensioen in eigen beheer kan problemen geven bij onder andere dividenduitkeringen, echtscheiding en waardeoverdracht. De staatssecretaris van Financiën reikt hiervoor twee oplossingsrichtingen aan, die hij bespreekt in het rapport ‘Oplossingsrichtingen voor pensioen in eigen beheer’, dat is uitgebracht op 1 juli 2015. De twee oplossingsrichtingen zijn:

  • oudedagsbestemmingsreserve;
  • oudedagssparen in eigen beheer.

Uitgangspunten van de voorstellen zijn dat de gereserveerde gelden beschikbaar blijven voor het financieren van de onderneming, vereenvoudiging en budgettaire neutraliteit. Ook moet het mogelijk blijven om een voorziening te treffen voor de nabestaanden. Op dit moment wordt niet overwogen om een eind te maken aan pensioen in eigen beheer, maar als de Tweede Kamer dat wenst, is de staatssecretaris wel bereid te onderzoeken of het pensioen in eigen beheer helemaal kan worden afgeschaft. Hij geeft aan dat zijn voorkeur daarbij uitgaat naar de oplossingsrichting van het oudedagssparen. De streefdatum voor invoeren van de nieuwe wetgeving is 1 januari 2016.

Contouren

Voor beide regelingen is het uitgangspunt een inkomen van maximaal € 100.000 minus een franchise van € 11.936 (bedragen 2015). Na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd moet twintig jaar worden uitgekeerd. De uitkeringen zijn belast in box 1, waarbij loonbelasting moet worden ingehouden. Toegestane uitvoerders zijn verzekeraars (verzekerde lijfrente) en banken (bancaire lijfrente), maar (intern) eigen beheer in de uitkeringsfase is ook mogelijk. Dan moet het saldo worden opgerent.

Oudedagsbestemmingsreserve (OBR)

Bij de OBR kan jaarlijks een vast percentage worden gedoteerd, waarbij geen rekening wordt gehouden met leeftijd of sterftekansen. De OBR hoeft niet op de balans te staan en in de opbouwfase heeft de directeur-grootaandeelhouder geen juridisch afdwingbare rechten. Dat geeft de bv veel flexibiliteit. Of een dividenduitkering kan worden gedaan, is daardoor wel moeilijker te beoordelen. Bij emigratie wordt geen conserverende aanslag opgelegd, voor zover niet is afgestort.

Oudedagssparen

Bij oudedagssparen wordt gedacht aan een vast percentage óf een leeftijdsafhankelijke staffel. Het spaarsaldo staat wel op de balans en wordt vanaf de eerste inleg opgerent met het U-rendement. Bij emigratie wordt steeds een conserverende aanslag opgelegd.

Overgangsrecht

Een fiscaal geruisloze omzetting van de fiscale pensioenverplichting naar OBR/oudedagssparen wordt mogelijk gemaakt (aandachtspunt: de partner moet meetekenen). Indien en voor zover de pensioenverplichting niet wordt omgezet, blijven de nu geldende regels voor vennootschapsbelasting en loonbelasting gewoon van toepassing. Als het pensioen wordt ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij, moet nog steeds verplicht de commerciële waarde worden afgestort. Voor zover geen omzetting plaatsvindt, zal nog tientallen jaren overgangsrecht van toepassing zijn.

Marlies Kastelein (kastelein.marlies@kpmg.com)

Naar boven


4. Terugwerkende kracht crisisheffing niet gerechtvaardigd volgens A-G Wattel

Op 25 juni 2015 is de conclusie van advocaat-generaal (A-G) Wattel van de Hoge Raad in een van de zaken over de crisisheffing gepubliceerd. De crisisheffing was de heffing die werkgevers in 2013 en 2014 moesten afdragen over loon dat in 2012 en 2013 hoger was dan € 150.000. In deze zaken wordt door de belastingplichtigen betoogd dat de crisisheffing in strijd is met bepalingen in de Wet op de loonbelasting 1964, met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (het recht op ongestoorde eigendom) en met het gelijkheidsbeginsel. De A-G concludeert dat de crisisheffing niet met terugwerkende kracht mag worden opgelegd.

Tegenstrijdige uitspraken lagere rechters

Over deze kwestie wordt een aantal proefprocedures gevoerd. Eerder oordeelden Rechtbank Noord-Holland, Hof Amsterdam, Rechtbank Den Haag en Hof Den Haag over deze zaken. Rechtbank Noord-Holland oordeelde kort gezegd dat de crisisheffing voor 25 april 2012 niet voorzienbaar was en dat over incidentele betalingen van meer dan € 150.000 die voor 25 april 2012 zijn gedaan de crisisheffing in strijd was met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM. De andere rechters oordeelden juist dat de wetgever met de crisisheffing niet buiten zijn ruime beoordelingsmarge is getreden en dat de heffing niet in strijd is met artikel 1 EP, bepalingen in de Wet op de loonbelasting 1964 en het gelijkheidsbeginsel.

A-G: terugwerkende kracht niet gerechtvaardigd

In een procedure voor de Hoge Raad concludeert de A-G dat sprake is van terugwerkende kracht en dat die terugwerkende kracht om diverse redenen niet kan worden gerechtvaardigd. De crisisheffing is daarom wel een schending van artikel 1 EP, aldus de A-G. De werking van de crisisheffing mag niet verder teruggaan dan tot 25 mei 2012. Op die datum is naar de mening van de A-G de crisisheffing pas voldoende aangekondigd. De A-G is daarbij van oordeel dat de crisisheffing niet kan plaatsvinden over het loon vóór 25 mei 2012 voor zover dat meer is dan € 150.000. De A-G maakt geen onderscheid tussen incidenteel loon en regulier loon.

Gevolg voor de praktijk

De conclusie van de A-G is goed nieuws voor de vele belastingplichtigen die bezwaar hebben gemaakt tegen de crisisheffing. Uiteraard moet nog wel het definitieve oordeel van de Hoge Raad worden afgewacht.

Jeannette van der Vegt (vandervegt.jeannette@kpmg.com)

Naar boven


5. Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties

Op 18 mei 2015 heeft de staatssecretaris van Financiën een nota van wijziging ingediend bij het wetsvoorstel Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties. Dit wetsvoorstel ging eerder door het leven als Wet invoering Beschikking geen loonheffingen. Op 2 juli 2015 is het wetsvoorstel aangenomen door de Tweede Kamer.

Beschikking geen loonheffingen

De Beschikking geen loonheffingen (BGL) had als doel de schijnzekerheid over de fiscale kwalificatie van inkomsten die de Verklaring arbeidsrelatie (VAR) biedt weg te nemen door opdrachtgever en opdrachtnemer medeverantwoordelijk te maken voor de controle op de juistheid van de (fiscale) kwalificatie van de arbeidsrelatie. Als gevolg van kritiek op de BGL is vervolgens een alternatief geformuleerd. Op grond daarvan kunnen (belangenorganisaties van) opdrachtgevers en/of opdrachtnemers overeenkomsten voorleggen aan de Belastingdienst om zo zekerheid te verkrijgen over de inhouding en afdrachtplicht voor de loonheffingen.

Nota van wijziging

In deze nota van wijziging wordt het voorstel om de VAR af te schaffen gehandhaafd. De titel van het wetsvoorstel wordt verder aangepast in ‘Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties’. Hiermee komt volgens de staatssecretaris tot uitdrukking dat de beoordeling van de desbetreffende arbeidsrelaties wordt gedereguleerd.

In zijn brief over het alternatief voor de BGL had de staatssecretaris al laten weten dat voor het invoeren daarvan een aanpassing van de gelijkgesteldenregeling en de thuiswerkersregeling noodzakelijk is. Voor deze fictieve dienstbetrekkingen geldt namelijk dat niet zonder meer aan de hand van (voorbeeld)overeenkomsten kan worden beoordeeld of er een verplichting bestaat tot het inhouden en afdragen van loonheffingen. Voor het invoeren van het alternatief voor de BGL is daarom een aanpassing van het toepassingsbereik van deze fictieve dienstbetrekkingen noodzakelijk. De aanpassing houdt in dat de fictieve dienstbetrekkingen van de gelijkgestelden en de thuiswerkers niet van toepassing zijn indien partijen een door de Belastingdienst goedgekeurde (voorbeeld)overeenkomst ondertekenen en ook daadwerkelijk volgens die overeenkomst werken.

Daarnaast is in de nota van wijziging een aanpassing opgenomen voor de artiestenregeling, omdat ook voor deze groep de VAR zal vervallen. Aangezien het toepassingsbereik van de artiestenregeling met het vervallen van de VAR aanzienlijk wordt uitgebreid, wordt in lagere regelgeving een bepaling opgenomen op grond waarvan bepaalde groepen artiesten buiten het bereik van de artiestenregeling kunnen worden gebracht. In overleg met belangenorganisaties voor artiesten zal worden bekeken op welke wijze dit precies zal worden vormgegeven.

Verwachte ingangsdatum

Naar verwachting zal het wetsvoorstel per 1 januari 2016 worden ingevoerd. Tot die tijd blijft de huidige VAR-systematiek van toepassing.

Ester Hoppenbrouwers (hoppenbrouwers.esther@kpmg.com)

Naar boven


6. Europees Parlement neemt voorstel invoering UBO-register aan

Op 20 mei 2015 heeft het Europees Parlement het voorstel voor de Vierde Antiwitwasrichtlijn aangenomen. Deze richtlijn dient ter vervanging van de Derde Antiwitwasrichtlijn. De Antiwitwasrichtlijnen hebben tot doel het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te bestrijden. Zij doen dit onder andere door banken, andere financiële instellingen en de beoefenaren van bepaalde beroepen te verplichten om hun cliënten en de uiteindelijke begunstigden daarvan te identificeren. Een belangrijk nieuw onderdeel van de Vierde Antiwitwasrichtlijn is de verplichting voor alle EU-lidstaten om een register in te stellen dat informatie bevat over de uiteindelijke belanghebbenden (‘ultimate beneficial owners’; UBO’s) van rechtspersonen die zijn opgericht naar het recht van de desbetreffende lidstaat.

UBO-register

De nieuwe bepalingen verplichten rechtspersonen om adequate, accurate en actuele informatie over hun UBO’s bij te houden. Deze informatie zal worden opgenomen in een centraal register in de lidstaat waar zij zijn opgericht. Een UBO is een persoon die het uiteindelijke belang in of de uiteindelijke zeggenschap over een rechtspersoon heeft. In het algemeen kwalificeert als UBO een persoon met een (uiteindelijk) belang van meer dan 25% in een rechtspersoon. Met betrekking tot de UBO worden ten minste de volgende gegevens in het register opgenomen:

  • naam;
  • maand en jaar van geboorte;
  • nationaliteit;
  • woonland;
  • aard en omvang van het belang.

Toegang tot het UBO-register

De informatie over UBO’s is toegankelijk voor bepaalde overheidsinstanties en voor bedrijven die verplicht de UBO’s van hun cliënten moeten identificeren, zoals banken, verzekeraars, accountants- en belastingadvieskantoren en makelaars. Andere belangstellenden, onder wie burgers en journalisten, moeten aantonen dat ze een legitiem belang bij inzage in het register hebben. Het is nog niet duidelijk wanneer sprake is van een legitiem belang.

In uitzonderlijke, individuele gevallen kunnen lidstaten de toegang tot het register beperken indien een risico van fraude, ontvoering, geweld, intimidatie of afpersing aanwezig is, dan wel wanneer de UBO minderjarig of wilsonbekwaam is. De bewijslast ligt bij degene die deze uitzondering wil inroepen.

Vervolg

Nederland dient binnen twee jaar na publicatie in het Europees Publicatieblad een nationale regeling voor implementatie van het UBO-register in te voeren. Minister Dijsselbloem heeft aan de Tweede Kamer laten weten dat hij deze termijn zal aanhouden en dat hij verwacht dat het UBO-register in de zomer van 2017 zal worden ingevoerd.

Commentaar van Meijburg & Co

Meijburg & Co onderschrijft uiteraard het belang van de bestrijding van witwassen en van de financiering van terrorisme. Transparantie van financiële gegevens is hiervoor een noodzakelijk instrument. Het is echter ook duidelijk dat het UBO-register een grote impact kan hebben op de privacy van (groot)aandeelhouders in (familie)bedrijven. Het is van groot belang dat de Nederlandse implementatie van de richtlijn zo veel mogelijk rekening houdt met deze privacy, bijvoorbeeld door een scherpe inkadering van het begrip ‘legitiem belang’. Wij houden de verdere ontwikkelingen uiteraard nauwlettend in de gaten en adviseren u graag over de mogelijkheden om gegevens die privacygevoelig zijn te beschermen.

Maarten Merkus (merkus.maarten@kpmg.com)

Xavier Auerbach (auerbach.xavier@kpmg.com)

Naar boven


7. Afschaffing nihilwaardering rentekorting personeelslening eigen woning per 1 januari 2016

De door een werkgever aan zijn werknemer verleende rentekorting op een personeelslening voor de aankoop of verbouwing van een eigen woning wordt met ingang van 1 januari 2016 belast. Dit volgt uit de recent gepubliceerde Fiscale verzamelwet 2015, waarin de staatssecretaris van Financiën voorstelt de momenteel bestaande nihilwaardering voor de rentekorting af te schaffen. Voor werkgevers betekent dit dat zij verplicht worden het toegekende rentevoordeel via de salarisadministratie te belasten.

De staatssecretaris heeft in 2014 al aangekondigd dat de nihilwaardering voor de rentekorting op een personeelslening voor de aankoop of verbouwing van de eigen woning zal worden aangepast. De reden dat het voordeel van de rentekorting niet wordt belast was gelegen in het feit dat het belasten van dit voordeel per saldo geen invloed had op de te betalen belastingen. Als de verleende rentekorting werd belast als loon, stond daar een even grote aftrek voor de heffing van inkomstenbelasting tegenover. Met ingang van 1 januari 2014 wordt het belastingtarief waartegen de renteaftrek met betrekking tot een eigenwoningschuld plaatsvindt echter verlaagd. Jaarlijks wordt de renteaftrek in de hoogste tariefschijf van 52% met 0,5% in 28 stappen verlaagd naar 38%. Als gevolg van deze beperking kan de renteaftrek in de inkomstenbelasting in veel gevallen niet meer plaatsvinden tegen hetzelfde tarief als waartegen het rentevoordeel in de loonbelasting zou zijn belast.

Voordeel rentekorting ook niet aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel

De staatssecretaris acht dit gevolg onwenselijk. Recent is de Fiscale verzamelwet 2015 gepubliceerd, waarin is voorgesteld om de nihilwaardering voor de rentekorting af te schaffen. Tevens wordt hierin geregeld dat het rentevoordeel niet als eindheffingsbestanddeel door de werkgever kan worden aangewezen en dus niet ten laste van de vrije ruimte kan worden gebracht. Het rentevoordeel – het verschil tussen de afgesproken rente en de waarde in het economische verkeer (de rente voor een vergelijkbare lening in de markt) – zal derhalve moeten worden bepaald en verplicht in de salarisadministratie moeten worden verloond. Ter vergemakkelijking van de uitvoering zal daarbij worden toegestaan om het in aanmerking te nemen rentevoordeel gelijkmatig over het jaar te verdelen. Deze tegemoetkoming zal in lagere wetgeving nader worden uitgewerkt. Uiteraard is het te verlonen rentevoordeel wel aftrekbaar in de inkomstenbelasting als eigenwoningrente met inachtneming van de genoemde aftrekbeperkingen.

Het wetsvoorstel moet nog worden goedgekeurd door de Tweede Kamer en Eerste Kamer. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2016.

Bonny Mulder (mulder.bonny@kpmg.com)

Naar boven


8. Tax Scan WOZ (industrie)

Zowel in economische hoogtijdagen, maar zeker ook in economisch minder goede tijden is het van groot belang om de WOZ-waarde van uw vastgoed op juistheid te laten controleren. Deze waarde is immers de grondslag voor de onroerendezaakbelastingen. Daarnaast speelt de WOZ-waarde een grote rol bij:

  • de fiscale afschrijving binnen het vennootschapsbelastingregime;
  • de waterschapsbelastingen.

Wet WOZ

Op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) worden alle onroerende zaken in Nederland jaarlijks gewaardeerd. Voor het kalenderjaar 2015 wordt de WOZ-waarde vastgesteld naar de waardepeildatum 1 januari 2014. Met inachtneming van wettelijke uitgangspunten, jurisprudentie en recente ontwikkelingen onderzoeken en controleren wij de door de gemeente bepaalde WOZ-waarde.

Industrieel vastgoed vraagt – gezien de bijzondere waarderingsvoorschriften – om een kritische beoordeling van de WOZ-waarde. Een verminderde productie, een gebrekkige lay-out of verouderde installaties kunnen leiden tot een lagere WOZ-waarde. Een aspect dat bijzondere aandacht verdient, is de werktuigenvrijstelling. Installaties of delen van installaties die een rol spelen in het productieproces kunnen onder voorwaarden buiten de waardering blijven. Een correcte toepassing hiervan kan leiden tot een aanzienlijke verlaging van de WOZ-waarde.

Onze dienstverlening

Onze ervaring leert dat een verlaging van de WOZ-waarde in veel gevallen mogelijk is. Dit levert u dan direct een besparing op aan onroerendezaakbelastingen. Wij zijn u graag van dienst bij het controleren van de WOZ-waarde.

Voorbeeld: stel dat de WOZ-waarde van uw object € 25.000.000 is. Als de WOZ-waarde na een bezwaarprocedure wordt verlaagd tot € 20.000.000, dan bedraagt de besparing aan onroerendezaakbelastingen circa € 20.000 tot € 30.000 (afhankelijk van de gemeentelijke tarieven). Voorts kan de verlaging van de WOZ-waarde positieve gevolgen hebben voor de afschrijvingsruimte binnen de vennootschapsbelasting.

Quick scan

Om de waarde van uw vastgoed op juistheid te controleren, kunnen wij allereerst een quick scan uitvoeren. Bij deze scan zullen wij de waardering van de gemeente globaal beoordelen en op basis daarvan een inschatting maken van de mogelijkheden voor een vervolgtraject. De resultaten van de quick scan zullen met u worden doorgenomen om te bereiken dat partijen zich over en weer kunnen vinden in de output.

Werkwijze quick scan:

  • Wij controleren de beschikking/aanslag (eventueel van een voorafgaand belastingjaar).
  • Wij vragen het taxatieverslag bij de gemeente op.
  • Wij beoordelen de WOZ-waarde.
  • Het resultaat van de quick scan wordt aan u teruggekoppeld.

Vooroverleg en/of reguliere bezwaarprocedure

Indien uit de quick scan volgt dat de WOZ-waarde naar een te hoog bedrag is vastgesteld, kan er in overleg voor worden gekozen om bezwaar te maken tegen de WOZ-beschikking. Na het indienen van een gemotiveerd bezwaar volgt een hoorzitting met de gemeente, waarna uitspraak op het bezwaar zal worden gedaan.

Overigens maken wij ook gebruik van de mogelijkheid om in vooroverleg met de gemeente te treden, waardoor de afhandeling efficiënt en meestal zonder procedures verloopt. Dit geldt echter voor een beperkt aantal gemeenten.

Contact

Mocht u nadere informatie wensen, neemt u dan contact op met uw vaste adviseur bij Meijburg & Co of met de onderstaande WOZ-specialist.

Chris Oude Lohuis (oudelohuis.chris@kpmg.com)

Naar boven


9. Achterwaartse verliesverrekening beperkt door voeging in fiscale eenheid gedurende het boekjaar

Het komt regelmatig voor dat een vennootschap tijdens een boekjaar deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een acquisitie gedurende het jaar, waarbij de overgenomen vennootschap wordt opgenomen in een fiscale eenheid van de overnemende vennootschap. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is de mogelijkheid tot achterwaartse verliesverrekening in dat geval beperkt.

Casus: oude fiscale eenheid opgenomen in nieuwe fiscale eenheid gedurende boekjaar

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 mei 2015 geoordeeld in een zaak waarbij een bestaande fiscale eenheid binnen een boekjaar wordt aangekocht door een nieuw opgerichte vennootschap. Na de acquisitie wordt de bestaande fiscale eenheid opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid, met de nieuw opgerichte vennootschap als moedervennootschap. Als gevolg hiervan is er volgens de wet bij de oude fiscale eenheid in 2008 sprake van twee afzonderlijke jaren; de periode in 2008 voor voeging en de periode in 2008 na voeging. De nieuwe fiscale eenheid heeft vervolgens in 2010 een verlies geleden.

Volgens de wet is het mogelijk om een verlies van een uitgebreide fiscale eenheid achterwaarts te verrekenen voor zover het verlies is toe te rekenen aan de oude fiscale eenheid. In 2010 was het mogelijk om verliezen te verrekenen met winsten uit drie jaren ervoor. Op dit moment is dit niet meer mogelijk, maar kan slechts één jaar achterwaarts worden verrekend.

De nieuwe fiscale eenheid rekende een deel van het verlies uit 2010 toe aan de oude fiscale eenheid en wilde dit verrekenen met een winst van de oude fiscale eenheid uit 2007. De inspecteur stond dit niet toe. Volgens hem is het eerste gedeelte van 2008 bij de oude fiscale eenheid een apart jaar voor de verliesverrekening, waardoor dit het uiterlijke jaar is waarmee een verlies uit 2010 kan worden verrekend.

Uitspraak: achterwaartse verliesverrekening beperkt door voeging gedurende boekjaar

De rechtbank heeft in het nadeel van belanghebbende beslist en is van mening dat het verlies uit 2010 niet kan worden verrekend met de winst uit 2007, omdat er geen specifieke regeling is getroffen waaruit blijkt dat een jaar voor het verrekenen van verliezen anders moet worden opgevat, bijvoorbeeld volgens ‘kalenderjaar’ of ‘boekjaar’.

Casus staat niet op zichzelf

Op 2 juni 2015 heeft advocaat-generaal (A-G) Wattel geoordeeld in een vergelijkbare casus. In deze zaak, waarbij het gaat om drie opvolgende fiscale eenheden binnen één kalenderjaar, oordeelt de A-G ook in het nadeel van belanghebbende. De Hoge Raad zal binnenkort uitspraak doen in deze zaak.

Aarke Wander (wander.aarke@kpmg.com)

Naar boven


10. Wanneer heb je een herinvesteringsvoornemen?

Indien een ondernemer het voornemen heeft om opnieuw te investeren (herinvesteringsvoornemen), mag hij bij verkoop van een bedrijfsmiddel een herinvesteringsreserve (HIR) vormen voor de boekwinst die hij realiseert. De gereserveerde boekwinst wordt vervolgens binnen drie jaar afgeboekt op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel waarin wordt geherinvesteerd. De gerealiseerde boekwinst wordt op deze manier doorgeschoven naar de toekomst. Door lagere toekomstige afschrijving wordt pas in een later jaar belasting betaald over deze winst.

Recente rechtbankuitspraak

Voor een ondernemer die een HIR wil vormen, is het van belang dat hij kan aantonen dat in het jaar van verkoop een voornemen tot herinvestering bestaat. Maar wanneer is sprake van een herinvesteringsvoornemen? Een recent gepubliceerde uitspraak van Rechtbank Noord-Holland biedt handvatten voor de praktijk voor de uitleg van het begrip herinvesteringsvoornemen.

Feiten rechtszaak

Een ondernemer kocht in 1984 een pand dat hij gebruikte voor zijn ondernemingsactiviteiten, het digitaliseren van museumcollecties en het geven van trainingen. In 2008 heeft hij dit pand verkocht met een boekwinst van € 1,1 miljoen. De ondernemer heeft een HIR gevormd voor deze boekwinst.

Sinds 1999 is de ondernemer zich meer gaan richten op internationale projecten. Al voor de verkoop van het pand had de ondernemer plannen gemaakt voor het opzetten van een buitenlands trainingscentrum. In 2011 is de ondernemer gestart met de ontwikkeling van een trainingscentrum in Costa Rica. Hiervoor werden in de jaren 2011-2014 betalingen gedaan van in totaal € 190.000.

Geen staking onderneming

De inspecteur weigerde de vorming van een HIR. Hij vond dat de onderneming was gestaakt op het moment dat de ondernemer zijn pand verkocht, omdat de identiteit van de onderneming wijzigde. Hier is de rechtbank het niet mee eens. De ondernemer blijft zich ook in de toekomst richten op dezelfde werkzaamheden. Het internationaler worden van de klantenkring leidt niet tot staking van de onderneming.

Geen herinvesteringsvoornemen

Toch mocht de ondernemer geen HIR vormen. De rechtbank concludeert dat eind 2008 geen sprake was van een herinvesteringsvoornemen, omdat het investeringsplan pas een aantal jaren na de verkoop van het pand werd ingevuld. Pas in 2011 werd gestart met de ontwikkeling van het buitenlandse trainingscentrum en pas vanaf 2011 vonden voor een beperkt bedrag betalingen plaats. Volgens de rechtbank is verder nog geen herinvesteringsvoornemen aanwezig door het enkele feit dat men zich voorafgaand aan de verkoop van het bedrijfsmiddel oriënteert op nieuwe investeringen.

Rianne Vis (vis.rianne@kpmg.com)

Naar boven


11. Bij geruisloze omzetting behaald tariefvoordeel is geen incidenteel fiscaal voordeel

Belastingplichtigen hebben de vrije keuze om een onderneming uit te oefenen in privé (bijvoorbeeld een eenmanszaak) of in een bv. Indien een onderneming wordt uitgeoefend in privé, is het resultaat onderworpen aan inkomstenbelasting in box 1 (effectief tarief door mkb-winstvrijstelling maximaal 44,72%). Indien een onderneming wordt uitgeoefend in een bv, is het resultaat belast met vennootschapsbelasting en, bij uitkering van de nettowinst, met inkomstenbelasting in box 2 (totaal gecombineerd tarief maximaal 43,75%).

Tariefsmatig is het dus iets voordeliger om een onderneming in een bv uit te oefenen. Naast het tarief spelen echter ook andere fiscale overwegingen een rol bij de keuze. Het belangrijkste is de ondernemersaftrek. Die is opgebouwd uit verschillende elementen, zoals de zelfstandigen- en startersaftrek. Deze gelden alleen voor ondernemers die een onderneming in privé uitoefenen.

De vraag bij welke winst het fiscaal voordeliger is om de onderneming in een bv uit te oefenen, is niet eenduidig te beantwoorden. Hiervoor spelen te veel factoren een rol. In het algemeen geldt wel: hoe hoger de winst, hoe voordeliger de bv-optie fiscaal uitpakt.

Inbreng van onderneming in een bv

De vorm waarin de onderneming wordt uitgeoefend is, als gezegd, een vrije keuze. Het is ook mogelijk om te switchen van een privéonderneming naar een bv en andersom. In deze bijdrage wordt alleen de inbreng van een privéonderneming in een bv behandeld. Indien een privéonderneming wordt ingebracht in een bv, is er in beginsel sprake van staking en moet er worden afgerekend over de meerwaarden in deze onderneming. De wet biedt echter, onder voorwaarden, de mogelijkheid om de onderneming geruisloos (zonder afrekening) in te brengen in een bv.

Er is ook een mogelijkheid tot geruisloze inbreng met terugwerkende kracht. Voor een geruisloze inbreng met terugwerkende kracht is een belangrijke voorwaarde dat met de inbreng geen ‘incidenteel fiscaal voordeel’ wordt behaald. Er is geen duidelijke definitie van een ‘incidenteel fiscaal voordeel’. Dit leidt in de praktijk daarom nogal eens tot discussies, zo ook in de volgende zaak waarin de Hoge Raad onlangs arrest heeft gewezen.

Hoge Raad 22 mei 2015: voordeel permanent, niet incidenteel

Belanghebbende verrichtte zijn werkzaamheden als journalist in de vorm van een eenmanszaak. In april 2007 ontving hij een eenmalige bate van € 700.000. Op 18 september 2007 is een intentieverklaring opgesteld tot het oprichten van een bv waarin de eenmanszaak per 1 januari 2007 werd ingebracht. Belanghebbende deed een verzoek tot geruisloze inbreng van zijn eenmanszaak in de bv met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007. De inspecteur heeft dit verzoek geweigerd, omdat hij van mening was dat het tariefvoordeel kwalificeerde als incidenteel fiscaal voordeel. Hof Arnhem-Leeuwarden stelde de inspecteur in het gelijk. De Hoge Raad overwoog echter dat er weliswaar sprake is van een fiscaal tariefvoordeel, maar dat dit voordeel niet kwalificeert als een incidenteel fiscaal voordeel. Er is, aldus de Hoge Raad, sprake van een permanent fiscaal voordeel. Belanghebbende werd derhalve in het gelijk gesteld.

De belastingplichtige maakte de keuze om zijn onderneming in te brengen in een bv (waarschijnlijk) vanwege het tariefvoordeel. Uitgaande van de maximale tarieven bedroeg het belastingvoordeel in 2007 € 18.725. De inspecteur zag dit als een incidenteel fiscaal voordeel. De Hoge Raad legt dit begrip echter zeer grammaticaal uit. Gezien de keuzevrijheid van de ondernemingsvorm (en de daarbij behorende verschillende tarieven), is het begrijpelijk dat de Hoge Raad hier de belanghebbende in het gelijk stelt. Mogelijk heeft ook een rol gespeeld dat er geen claim verloren gaat; er wordt immers over de volledige bate gewoon belasting geheven. In gevallen waarin wel een claim verloren gaat, zal mijns inziens veel eerder een incidenteel fiscaal voordeel worden geconstateerd.

Conclusie

Een ondernemer is vrij in de keuze of hij zijn onderneming uitoefent in privé dan wel in een bv. Bij deze keuze spelen verschillende fiscale overwegingen een rol. Een daarvan is het tariefverschil. Bij een relatief grote winst kan dit voordeel behoorlijk oplopen. Bij een grote eenmalige bate kan daarom worden overwogen om een privéonderneming (eventueel met terugwerkende kracht) in te brengen in een bv. Voor een geruisloze inbreng moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Een van de voorwaarden is dat geen sprake is van een incidenteel fiscaal voordeel. Uit een recent arrest van de Hoge Raad blijkt dat een behaald tariefvoordeel niet automatisch kwalificeert als incidenteel fiscaal voordeel.

Sander Kolthoff (kolthoff.sander@kpmg.com)

Naar boven


12. Aandelenfusiefaciliteit niet van toepassing buiten EU/EER

Om groepsvorming en samenwerking tussen bedrijven zo min mogelijk te beperken is al geruime tijd geleden de Fusierichtlijn ingevoerd. Het doel van deze richtlijn is om fusies en splitsingen van bedrijven zo veel mogelijk te vereenvoudigen en waar nodig fiscaal te faciliteren. Om voor de fiscale faciliteit in aanmerking te komen moet echter wel aan bepaalde voorwaarden worden voldaan.

Onlangs heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aandelenfusiefaciliteit niet van toepassing is op een aandelenfusie in een driehoekssituatie waarbij aandelen worden verkregen in een niet-EU-vennootschap.

Aandelenfusie

Bij een aandelenfusie draagt een vennootschap of natuurlijk persoon zijn aandelen in vennootschap A over aan vennootschap B in ruil voor aandelen in vennootschap B. De overgang in het kader van deze aandelenruil zou zonder faciliteit tot een fiscaal afrekeningsmoment leiden. De aandelenfusiefaciliteit zorgt er echter voor dat de belastingclaim kan worden uitgesteld, doordat de claim op de aandelen van vennootschap A wordt doorgeschoven naar de aandelen in vennootschap B.

Bij groepen van ondernemingen komen we echter ook wel een andere variant tegen, namelijk die van de driehoeksfusie. Bij deze variant verkrijgen de aandeelhouders van vennootschap A geen aandelen in vennootschap B, maar in bijvoorbeeld vennootschap C, de moedermaatschappij van vennootschap B. De driehoeksfusie wordt niet rechtstreeks gefaciliteerd op grond van de wet, omdat er geen sprake is van een directe ruil van aandelen. In de praktijk kan dit echter worden bereikt door twee achtereenvolgende aandelenfusies met een directe aandelenruil.

Hoge Raad: aandelenfusiefaciliteit alleen binnen EU/EER

Onlangs heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de driehoeksfusie. In deze zaak had belanghebbende een aanmerkelijk belang in C BV. Een Amerikaanse beursvennootschap wilde C BV overnemen. Dit werd vormgegeven door een aandelenfusie waarbij de aandeelhouders van C BV hun aandelen vervreemdden aan een dochtervennootschap (E BV) van de Amerikaanse beursvennootschap en in ruil daarvoor aandelen in de Amerikaanse vennootschap kregen.

Dit laatste was dan ook gelijk het probleem. Er kon in dit geval geen beroep worden gedaan op de faciliteit, omdat dat alleen kan als de bij de fusie betrokken vennootschappen in de EU/EER zijn gevestigd.

EU-vrijheden: wie heeft beslissende invloed?

In deze zaak beriep belanghebbende zich op de vrijheid van kapitaalverkeer, een van de fundamentele EU-vrijheden die, anders dan de andere verdragsvrijheden, ook van toepassing is op derde landen (niet-EU/EER). Op basis hiervan zou de faciliteit niet moeten worden beperkt tot EU-vennootschappen, maar zou deze ook moeten worden toegepast op de aandelen in de Amerikaanse moedermaatschappij. De Hoge Raad oordeelde echter dat niet de vrijheid van kapitaalverkeer, maar de vrijheid van vestiging van toepassing is, omdat de Amerikaanse vennootschap beslissende invloed kan uitoefenen. Dit laatste is volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie het doorslaggevende criterium om te bepalen onder welke verdragsvrijheid een situatie valt. Men kan zich niet beroepen op de vrijheid van vestiging als daar derde landen bij zijn betrokken, dus ook niet als het gaat om toepassing van de aandelenfusiefaciliteit.

Han Verhagen (verhagen.han@kpmg.com)

Naar boven


13. Besluit van de staatssecretaris van Financiën over internationale ontslagvergoedingen

Op 1 mei 2015 heeft de staatssecretaris van Financiën een besluit gepubliceerd over ontslagvergoedingen onder toepassing van belastingverdragen. Hierin legt hij uit op welke wijze rekening moet worden gehouden met het gewijzigde OESO-Commentaar in verhouding tot de rechtspraak van de Hoge Raad. Daarbij geeft de staatssecretaris aan dat:

  • de arresten van de Hoge Raad van toepassing blijven op ontslagvergoedingen die voor 15 juli 2014 zijn genoten;
  • het gewijzigde OESO-Commentaar van toepassing zal zijn op ontslagvergoedingen die met ingang van 15 juli 2014 zijn genoten;
  • het besluit op dit moment niet van toepassing is in de verhouding met Duitsland (aangezien Nederland en Duitsland een nadere bilaterale overeenkomst hebben over de verdeling van de heffingsbevoegdheid over een ontslagvergoeding in grensoverschrijdende situaties).

Verdeling heffingsrecht over ontslagvergoedingen

Het OESO-Commentaar is voor Nederland van grote betekenis voor de uitleg van belastingverdragen die op het OESO-Modelverdrag zijn gebaseerd. Voorheen bevatte het OESO-Commentaar geen passage over ontslagvergoedingen. In de praktijk betekende dit dat veel landen eigen richtlijnen kenden. Dit kon tot dubbele belastingheffing of tot geen belastingheffing leiden. De Hoge Raad heeft daarom in het verleden een richtlijn gegeven voor ontslagvergoedingen in internationaal verband. Deze hield in dat het heffingsrecht in principe toekomt aan het land waar de werknemer heeft gewerkt in het jaar van ontslag en de vier daaraan voorafgaande jaren, tenzij bijzondere omstandigheden een andere verdeling rechtvaardigen.

Gewijzigd OESO-Commentaar sinds 15 juli 2014

Op 15 juli 2014 zijn de voorgestelde wijzigingen in het OESO-Commentaar in verband met de fiscale behandeling van ontslagvergoedingen in werking getreden. De hoofdregel op basis van het gewijzigde OESO-Commentaar is dat het land waar de werknemer in de laatste twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van de dienstbetrekking zijn werkzaamheden heeft verricht, belasting mag heffen over de ontslagvergoeding. Anders dan in de arresten van de Hoge Raad is de doorbelasting van de ontslagvergoeding in het OESO-Commentaar niet van belang. Voor andere betalingen in het kader van ontslag, zoals die voor ‘garden leave’ of non-concurrentie, gelden aparte richtlijnen bij de verdeling van de heffingsbevoegdheid.

Besluit 1 mei 2015

Het gewijzigde OESO-Commentaar en de Nederlandse rechtspraak zijn niet in lijn met elkaar. Het was na 15 juli 2014 onduidelijk hoe Nederland met dit verschil om zou gaan. Nu heeft de staatssecretaris van Financiën een besluit gepubliceerd waarin hij aangeeft dat de arresten van de Hoge Raad van toepassing blijven op ontslagvergoedingen die voor 15 juli 2014 zijn genoten en dat het OESO-Commentaar van toepassing is op ontslagvergoedingen die met ingang van 15 juli 2014 zijn of worden genoten. De staatssecretaris zegt dat in zijn visie het wel of niet doorbelasten van de ontslagvergoeding niet relevant is voor de toerekeningsvraag. Het is volgens hem wél doorslaggevend in hoeverre de landen waaraan de ontslagvergoeding ter heffing zou moeten worden toegerekend daadwerkelijk heffingsrechten hadden over het reguliere loon in de twaalf voorafgaande maanden.

Praktijk ontslagvergoedingen

In het geval van een ontslagvergoeding die ziet op een grensoverschrijdende tewerkstelling is het allereerst van belang om vast te stellen of sprake is van een OESO-conform belastingverdrag. Als dit zo is, dient volgens de staatssecretaris van Financiën het gewijzigde OESO-Commentaar te worden gevolgd, tenzij de ontslagvergoeding voor 15 juli 2014 is genoten. Wij raden u aan om ook in het andere land de fiscale kwalificatie van de ontslagvergoeding te laten nagaan; dit om eventuele dubbele belastingheffing te voorkomen. Wij zijn vanzelfsprekend graag bereid u hierbij van dienst te zijn.

Sporters en artiesten gewijzigd OESO-Commentaar

Het OESO-Modelverdrag kent een specifieke bepaling voor sporters en artiesten die aangeeft welk land mag heffen over hun beloningen. Deze bepaling wordt toegepast als sprake is van een beloning voor ‘persoonlijke werkzaamheden als zodanig’. Onder persoonlijke werkzaamheden moet volgens rechtspraak het publiekgerichte optreden worden verstaan. In het gewijzigde OESO-Commentaar is bepaald dat ook beloningen voor de voorbereiding op de werkzaamheden, zoals repetities en trainingen, tot de persoonlijke werkzaamheden als zodanig behoren. Beloningen voor deelname aan een op het seizoen voorbereidend trainingskamp vallen bijvoorbeeld onder de toepassing van de sporters- en artiestenbepaling. Het gewijzigde OESO-Commentaar geeft daarmee een ruimere strekking aan het begrip ‘persoonlijke werkzaamheden als zodanig’ dan tot nu toe door de Belastingdienst is gehanteerd. De staatssecretaris geeft in het besluit aan dat dit beleid geldt voor belastingaanslagen die op 15 juli 2014 nog niet onherroepelijk vaststonden.

Esther Hoppenbrouwers (Hoppenbrouwers.esther@kpmg.com)

Naar boven


14. 500-kilometergrens privégebruik auto geldt per kalenderjaar en niet per auto

Als een werknemer opeenvolgend in het jaar gebruikmaakt van verschillende auto’s van de zaak, geldt voor de berekening van de fiscale bijtelling dat alle privékilometers per auto bij elkaar moeten worden opgeteld voor de toets aan de 500-kilometergrens.

Fiscale bijtelling over het gehele jaar bij overschrijding

In de praktijk wordt nogal eens over het hoofd gezien dat deze 500-kilometergrens op jaarbasis geldt en niet per auto. Als een werknemer bijvoorbeeld tot 1 april een verklaring geen privégebruik heeft en een rittenregistratie bijhoudt omdat hij geen of nauwelijks privékilometers rijdt, maar vanaf dan de verklaring intrekt omdat hij een nieuwe auto van de zaak krijgt waarmee hij wel privékilometers gaat rijden, geldt bij overschrijding van de 500-kilometergrens de bijtelling voor het volledige jaar. De bijtelling vindt plaats naargelang de periode waarin de desbetreffende auto’s aan de werknemer ter beschikking zijn gesteld. Dus ook over de periode tot 1 april over de cataloguswaarde van de auto waarmee geen of nauwelijks privékilometers zijn gereden.

Dit gevolg vloeit voort uit de wettelijke systematiek en is in de rechtspraak al meerdere malen aanvaard, onlangs nog door Hof Den Haag. Eerder was al door Rechtbank Noord-Holland een vergelijkbaar oordeel gegeven over een werknemer met een auto uit de 25%-bijtellingklasse waarvoor een rittenregistratie was bijgehouden en die was overgestapt naar een auto met een bijtelling van 0% waarvoor geen rittenregistratie was bijgehouden.

Intrekken Verklaring geen privégebruik

Tip: spreek met de werknemer af dat als hij zijn verklaring intrekt, hij u als werkgever daarover zo spoedig mogelijk informeert. De werkgever ontvangt normaliter ook van de Belastingdienst een brief waarin staat dat de verklaring is ingetrokken en welke gevolgen dat voor de werkgever heeft.

Als de 500-kilometergrens is overschreden gedurende het jaar, moet de werkgever de fiscale bijtelling voor de resterende periode in het kalenderjaar gaan toepassen. Als de werknemer een verklaring heeft, ontvangt de werknemer (en niet de werkgever) over de voorafgaande periode een naheffingsaanslag loonheffingen, inclusief inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet en premies werknemersverzekeringen. 

Esther Hoppenbrouwers (hoppenbrouwers.esther@kpmg.com)

Naar boven


15. Gebruik van foto’s van politiecamera’s voor controle privégebruik auto toegestaan

Hof Den Bosch heeft beslist dat de Belastingdienst voor de controle van het privégebruik van auto’s van de zaak gebruik mag maken van foto’s van politiecamera’s. Het berechte geval betrof een man die van zijn werkgever een auto ter beschikking had gekregen en die in het bezit was van een Verklaring geen privégebruik auto. Een bijtelling blijft dan achterwege als men desgevraagd, bijvoorbeeld aan de hand van een sluitende rittenregistratie, kan aantonen dat daadwerkelijk geen privékilometers zijn gereden (althans niet meer dan 500 privékilometers op jaarbasis).

Mismatch rittenregistratie en fotocamerabeelden

De inspecteur vroeg in het berechte geval de rittenregistratie op en vergeleek die met fotocamerabeelden afkomstig van de Landelijke Eenheid van de nationale politie die met behulp van ANPR-technologie (Automatic Number Plate Recognition) waren gemaakt. Daaruit bleek dat de auto van de man dertien keer is gesignaleerd op de A2 op dagen waarop hij volgens zijn rittenadministratie elders was of niet in de betreffende auto heeft gereden. De inspecteur heeft de man vervolgens naheffingsaanslagen loonheffing met vergrijpboeten opgelegd.

Gebruik foto’s inbreuk op privacy maar in dit kader geoorloofd

Hof Den Bosch heeft na Rechtbank Zeeland-West-Brabant geoordeeld dat dit terecht was. Het hof overwoog dat het gebruik van gegevens op basis van ANPR-technologie in beginsel een inbreuk is op de privacy, maar in dit kader geoorloofd. Van heel veel belastingplichtigen moet de rittenadministratie worden gecontroleerd. Een voor de Belastingdienst zo efficiënt mogelijke controle is dan gerechtvaardigd. Andere controletechnieken en inzet van menskracht zouden evenzoveel inbreuken op de privacy vormen en net zo belastend zijn voor de burger. Ook de bewaringstermijn van zeven jaar voor de met ANPR-technologie gemaakte foto’s leidt volgens het hof niet tot een ongeoorloofde inbreuk op het recht van privacy.

Leo van Elburg (vanelburg.leo@kpmg.com)

Naar boven


16. Belaste uitkering uit kapitaalverzekering met lijfrenteclausule niet uitgeleend aan eigen bv, geen aftrekbaar afwaarderingsverlies

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft beslist dat een directeur-enig aandeelhouder (dga) de belaste afkoopsom ter zake van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule niet ten titel van geldlening aan zijn bv ter beschikking had gesteld, maar dat hij daarmee zijn schuld in rekening-courant aan de bv had afgelost. Daardoor was bij de dga geen vordering op zijn bv onder de zogeheten terbeschikkingstellingsregeling (tbs-regeling) ontstaan en kon vervolgens ook geen sprake zijn van een aftrekbaar afwaarderingsverlies toen de bv failliet ging.

Afkoop is belast

Een dga had een schuld aan zijn eigen bv. Hij had ook een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. In plaats van een lijfrente te bedingen werd de verzekering afgekocht. Dat impliceert dat de afkoopsom van € 122.215 progressief wordt belast (revisierente is niet van toepassing). Daarover verschilden belanghebbende en de inspecteur in hoger beroep niet van mening. De dga heeft in het jaar van afkoop vier stortingen op de bankrekening van zijn bv gedaan voor in totaal € 122.000. Twee jaar later is de bv failliet gegaan. Wat de dga en de Belastingdienst nog verdeeld houdt, is de vraag hoe de stortingen in de bv moeten worden gekwalificeerd. Volgens de dga heeft hij het geld verstrekt ten titel van lening en aangezien de bv niet meer terug gaat betalen, wil hij zijn vordering op de bv van € 122.000 afwaarderen ten laste van zijn inkomen in box 1. De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van een lening.

Geen aftrekbaar afwaarderingsverlies

Wie stelt, bewijst. Het verdient aanbeveling om alle afspraken tussen de vennootschap en de dga altijd zorgvuldig schriftelijk vast te leggen. Niet schriftelijk vastgelegde rechtshandelingen kunnen namelijk ten behoeve van de bv worden vernietigd (artikel 2:247 BW). Idealiter worden in een overeenkomst het geleende bedrag, de overeengekomen rente, het aflossingsschema en eventuele zekerheden vastgelegd. Met een dergelijk stuk kan ook worden aangetoond dat zakelijk werd gehandeld. Hier was echter helemaal geen schriftelijke overeenkomst en ook geen ander bewijsstuk waaruit bleek dat er een lening was. Op bankafschriften die de stortingen vastlegden stond het woord ‘terugbetaling’ vermeld. Het hof concludeerde dat de dga kennelijk zijn schuld in rekening-courant aan de bv had afgelost. Aangezien er geen lening aan de bv was, kon die ook niet worden afgewaardeerd.

Wanneer is afwaardering wel mogelijk?

Onder omstandigheden is afwaardering ten laste van het inkomen in box 1 wel mogelijk. Waar de dga met zijn eigen bv handelt, vindt dat plaats in box 1 onder de tbs-regeling. Dit vormt resultaat uit overige werkzaamheden waarop het winstregime van toepassing is. De tbs-regeling is ook van toepassing als iemand een vordering in rekening-courant heeft op de vennootschap waarin hij of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, tenzij sprake is van een deelnemerschapslening (een lening waarmee de verstrekker als het ware deelneemt in het vermogen van de schuldenaar) of een bodemlozeputlening. Een schuld aan de bv in rekening-courant valt normaliter echter niet onder de tbs‑regeling. Een schuldvordering die daar wel onder valt, moet voor de waarde in het economische verkeer op de balans van de werkzaamheid worden gezet. Latere waardemutaties (zowel positief als negatief) behoren in beginsel tot het resultaat uit overige werkzaamheden. Maar een afwaarderingsverlies kan niet worden genomen als sprake is van onzakelijke lening waarbij de dga een debiteurenrisico is aangegaan dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.

Marlies Kastelein (kastelein.marlies@kpmg.com)

Naar boven


17. Verrekening schenkingen met op eigenwoningschuld bijgeschreven rente is geen kwijtschelding rente

De Hoge Raad heeft beslist dat het verrekenen van op een eigenwoningschuld bijgeschreven rente met schenkingen geen kwijtschelding inhoudt. Omdat geen sprake is van kwijtschelding, is de rente aftrekbaar.

Het berechte geval betrof een zoon die een eigenwoningschuld had bij zijn ouders. In eerste instantie werd de verschuldigde rente maandelijks betaald, maar op enig moment werd de rente wegens financiële problemen bijgeschreven op de schuld. Dit werd vervolgens verrekend met een schenking door de ouders. Het hof oordeelde onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van de Hoge Raad dat in casu geen sprake was van enige kwijtschelding door de ouders aan de zoon. De door de zoon verschuldigde rente werd zorgvuldig geadministreerd en de jaarlijkse schenking werd door de zoon aangewend om de op de geldlening bijgeboekte bedragen aan te zuiveren. Ook het gegeven dat geen kasrondje werd gemaakt, zorgde er niet voor dat sprake was van kwijtschelding. De Hoge Raad heeft zich bij het hofoordeel aangesloten, waardoor de rente aftrekbaar is.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.com)

Naar boven


18. Contact

Mocht u naar aanleiding van deze of andere onderwerpen vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met de adviseurs van Meijburg & Co die bij de onderwerpen in deze nieuwsbrief staan vermeld, of met een van de onderstaande adviseurs. Uiteraard kunt u ook contact opnemen met uw vaste aanspreekpunt binnen Meijburg & Co.

 

Olaf Leurs

T: 088 909 34 14

E: leurs.olaf@kpmg.com

 

Han Verhagen

T: 088 909 33 59

E: verhagen.han@kpmg.com

 

Richard Sour

T: 088 909 15 48

E: sour.richard@kpmg.com

Naar boven