Beste lezer,

Dit is het nieuwe nummer van onze digitale nieuwsbrief Fiscale Zaken voor Ondernemers. Hierin laten wij in begrijpelijke taal een aantal fiscale zaken de revue passeren die van belang zijn voor in Nederland opererende ondernemers. Daarbij zullen wij aandacht schenken aan een zo breed mogelijke waaier van belastingen, zodat de meeste ondernemers in deze nieuwsbrief iets terug zullen vinden dat voor hen van belang is. Mocht u vragen, opmerkingen of verzoeken hebben, dan kunt u die richten aan een van de adviseurs die aan het slot van de nieuwsbrief zijn vermeld. Wij wensen u veel leesplezier!

Naar boven


Inhoud

Naar boven


1. Column: Prinsjesdag

Als belastingadviseurs kijken wij toch met een iets andere blik naar Prinsjesdag dan de rest van de Nederlanders. De gouden koets, de hoedjes en de t(r)oon van de Koning gaan allemaal aan ons voorbij als wij ons storten op het Belastingplan, waarin veel van de voorstellen in wet worden vertaald. De politiek behandelt die voorstellen ook, maar dan gaat het vooral om koopkrachtplaatjes en dergelijke, terwijl wij als belastingadviseurs juist meer naar de fiscale techniek kijken.

Wat zit er dan nog voor nieuws in dit jaar? Niet zo heel veel om eerlijk te zijn. Wat opvalt, is een aanpassing van de gebruikelijkloonregeling voor directeuren-grootaandeelhouders. Zoals zo vaak de laatste jaren toont de overheid zich een slecht verliezer en volgt op een aantal verloren rechtszaken nu een aanpassing van de wet. Niet dat de wet fout was, maar omdat de soms vergaande uitleg die inspecteurs aan de wet gaven niet in alle gevallen door de rechter is gevolgd. Aanpassen dus. Een dergelijke aanpassing is dan vaak bedoeld om vermeend misbruik te voorkomen, maar de vergelijking met de mug en de olifant is weer dichtbij. Zo wordt nu de term ‘verbonden lichaam’, die op veel plaatsen in de belastingwet voorkomt, specifiek voor de gebruikelijkloonregeling zwaar aangescherpt. In de rest van het woud van fiscale wetgeving is sprake van verbondenheid bij een belang van ten minste 33,33%. Voor de gebruikelijkloonregeling zal voortaan sprake zijn van verbondenheid als de deelnemingsvrijstelling van toepassing zou kunnen zijn (5% en in sommige gevallen nog minder). De Belastingdienst vindt het ongewenst dat mensen die via een bv participeren in een bedrijf maar die daarin minder dan 33,33% houden, zichzelf een lager salaris kunnen toekennen dan de meestverdienende werknemer in het bedrijf waarin wordt geparticipeerd. Daarom dus een wetswijziging die niet goed doordacht lijkt te zijn.

Stel, u hebt een klein vermogen vergaard en u bent supporter van de lokale voetbalclub. U zit ook in het bestuur daarvan en om de club te steunen koopt u er via uw eigen bv aandelen in, laten we zeggen 5%. De voetbalclub doet het goed en de duurst betaalde speler krijgt/verdient € 500.000. Voelt u hem al aankomen? Dat salaris is nu het startpunt geworden voor het salaris dat u uit uw eigen bv moet gaan opnemen. Vervolgens zult u in de slag moeten met de inspecteur om aan te tonen dat uw eigen voetbalkwaliteiten toch echt minder zijn. Ik heb er vertrouwen in dat de Belastingdienst in mijn – wat extremere – voorbeeld dan mee zal bewegen. Als het echter iets minder zwart-wit is, wordt het toch een lastige discussie.

In de praktijk was er eigenlijk geen groot probleem. De vermeende problematiek speelt vooral bij grote maatschappen van vrije beroepsbeoefenaren en die hebben veelal afspraken gemaakt met de Belastingdienst over het gebruikelijk loon. Voor de enkeling die een dergelijke discussie hoog opvoerde, heeft de Belastingdienst voldoende middelen zonder dat daar ‘olifantswetgeving’ voor nodig is. Nu wordt er weer een nieuw begrip in de fiscale wetgeving opgenomen, wat de regeldruk dus ook weer doet toenemen. Wellicht dat de Eerste Kamer hier nog corrigerend kan optreden.

Olaf Leurs (leurs.olaf@kpmg.nl)

Naar boven


2. Wijzigingen in 2015 voor dga’s en ondernemers

Inmiddels is bekend wat er fiscaal gezien in 2015 allemaal verandert. Het Belastingplan 2015 is op Prinsjesdag bij de Tweede Kamer ingediend. Naast de daarin opgenomen maatregelen staat nog een aantal andere belangrijke (fiscale) ontwikkelingen op stapel. Hierna zijn de veranderingen die vooral voor dga’s en ondernemers van belang zijn nog eens op een rij gezet.

Gebruikelijkloonregeling

De gebruikelijkloonregeling verandert in 2015. Op basis van de nieuwe gebruikelijkloonregeling wordt niet meer gekeken naar een ‘soortgelijke dienstbetrekking’ maar naar ‘de meest vergelijkbare dienstbetrekking’. Tevens wordt de doelmatigheidsmarge verlaagd van 30% naar 25%. Dit bekent dat de hoogte van het loon dat in aanmerking moet worden genomen vanaf 2015 ten minste wordt gesteld op het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • het hoogste loon van de werknemers bij verbonden lichamen (zoals de werkmaatschappijen) en lichamen waaruit de vennootschap met toepassing van de deelnemingsvrijstelling voordelen kan genieten;
  • € 44.000.

Als uitzondering op deze hoofdregel zal de mogelijkheid van tegenbewijs bestaan. Wanneer de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het uit de hoofdregel voortvloeiende bedrag hoger is dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, mag het gebruikelijk loon worden gesteld op 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, maar ten minste op € 44.000. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan € 44.000, dan mag van dat lagere bedrag worden uitgegaan.

Overgangsrecht gebruikelijkloonregeling

In veel gevallen zijn afspraken gemaakt met de Belastingdienst over het gebruikelijk loon van een dga. Omdat de Belastingdienst tijd nodig heeft om nieuwe afspraken te maken, is voor het jaar 2015 overgangsrecht van toepassing. In 2015 wordt het loon van de dga gesteld op 75/70 van het loon in 2013 als dit loon in 2013 hoger was dan € 43.000, tenzij aannemelijk is dat het loon in 2015 op grond van de gebruikelijkloonregeling op een hoger of lager bedrag moet worden gesteld.

Aanpassingen in werkkostenregeling en einde keuzeregime

De werkkostenregeling (WKR) wordt aangepast om de uitvoerbaarheid te verbeteren. Het betreft de volgende maatregelen:

  • beperkte introductie van het noodzakelijkheidscriterium;
  • jaarlijkse afrekensystematiek;
  • concernregeling;
  • vrijstelling voor branche-eigen producten;
  • wegnemen van onderscheid tussen vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen.

Om dit budgetneutraal te kunnen doorvoeren, wordt voorgesteld de vrije ruimte te verlagen van 1,5% naar 1,2%. Het overgangsrecht op grond waarvan werkgevers kunnen kiezen tussen de WKR of de oude regeling eindigt met ingang van 2015. Hierdoor is iedere werkgever vanaf 2015 verplicht de WKR toe te passen. Lees dit bericht voor de wijzigingen in de werkkostenregeling in meer detail.

Terugdraaien tijdelijke verlaging tarief box 2

In 2014 is het tarief voor de eerste € 250.000 aan inkomen uit aanmerkelijk belang tijdelijk verlaagd van 25% naar 22%. Met ingang van 2015 gaat voor al het inkomen uit aanmerkelijk belang weer het reguliere 25%-tarief gelden.

Vervallen tijdelijke verlenging doorverkooptermijn overdrachtsbelasting

In het Belastingplan 2013 werd als stimuleringsmaatregel de doorverkooptermijn in de overdrachtsbelasting van zes maanden voor zowel woningen als niet-woningen tijdelijk verlengd tot 36 maanden. Als een onroerende zaak in de periode van 1 september 2012 tot 1 januari 2015 wordt verkregen, is bij een opvolgende verkrijging van deze onroerende zaak door een ander binnen 36 maanden slechts over de meerwaarde overdrachtsbelasting verschuldigd. De verlengde doorverkooptermijn is dus niet meer van toepassing op verkrijgingen na 2014, dan geldt weer de gebruikelijke zesmaandstermijn.

Pensioenaanpassing 2015

De fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw van het werknemerspensioen (ook bekend als tweedepijlerpensioen of aanvullend pensioen) zal per 1 januari 2015 verder worden versoberd. Uitgaande van een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar wordt het maximale opbouwpercentage voor een eindloonregeling 1,657% per dienstjaar en voor een middelloonregeling 1,875% per dienstjaar. De toegestane opbouwpercentages voor beschikbarepremieregelingen worden eveneens verlaagd. Tevens gaan er waarschijnlijk verschillende AOW-franchises gelden voor eindloonregelingen en middelloonregelingen. Daarnaast wordt vanaf 1 januari 2015 het maximale pensioengevend loon voor het werknemerspensioen begrensd op € 100.000 (nog te verminderen met de AOW-franchise). Het is van groot belang dat u als werkgever de pensioenregeling tijdig aanpast (voor 1 januari 2015). Niet-tijdige aanpassing heeft grote fiscale gevolgen. De pensioenpremies worden vanaf dat moment volledig belast (werknemerspremie niet aftrekbaar, werkgeverspremie belast). Bovendien worden de opgebouwde pensioenaanspraken ‘onzuiver’, wat kan leiden tot heffingen van 72% (inclusief 20% revisierente) over de marktwaarde van het pensioen.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.nl)

Naar boven


3. Monitoring op werknemersgerelateerde kosten

Elke organisatie vergoedt kosten van en doet verstrekkingen aan haar medewerkers. Onder de werkkostenregeling (WKR) is het voor de loonheffingen van belang inzicht te krijgen in deze aan de medewerker gerelateerde kosten. Dit is ook relevant voor de btw, zie het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting (BUA). Een integrale controle op het juist verwerken van dergelijke kosten vormt doorgaans een grote administratieve last voor uw organisatie. Als oplossing bieden wij hiervoor een combinatie van een gerichte data-analyse met een op maat gesneden steekproef aan.

De aanpak van KPMG Meijburg & Co

De data-analyse bestaat uit het analyseren van soorten kosten op hun relevantie voor de WKR. Op het bestand uit deze analyse wordt een geïntegreerde steekproef uitgevoerd. Het voordeel van deze wijze van analyseren is dat wij een nauwkeurige schatting kunnen maken van uw WKR-positie, waarbij eventueel geconstateerde fouten niet direct tot een flinke naheffing hoeven te leiden. Daarnaast geven de data-analyse en de resultaten uit de steekproef handvatten om uw administratie te verbeteren en deze beter in lijn te brengen met de WKR- en BUA-regeling.

Resultaat

Door middel van deze analyse en steekproef toont u aan dat u ‘in control’ bent voor de WKR en is vastgesteld dat er een aanvaardbare aangifte is gedaan voor de loonheffingen. De Belastingdienst is bekend met de opzet van onze aanpak. In de Controleaanpak Belastingdienst (CAB) staat geschreven dat de Belastingdienst gebruik dient te maken van het werk dat reeds door u of door derden is verricht. In dit geval betekent dit dat de Belastingdienst slechts het door ons verrichte werk zal controleren, waarbij een gegevensgericht onderzoek zich tot een minimum zal beperken.

Contact

KPMG Meijburg & Co beschikt over de kennis en ervaring om de fiscale processen in uw organisatie met statistische steekproeven te ondersteunen en een door de Belastingdienst uitgevoerde steekproef kritisch te volgen en te beoordelen. Voor verdere informatie kunt u contact opnemen met uw vaste aanspreekpunt binnen KPMG Meijburg & Co of met de adviseur bij dit bericht.

Willem Veldhuizen (veldhuizen.willem@kpmg.nl)

Naar boven


4. Ruilarresten alleen van toepassing wanneer geen herinvesteringsreserve kan worden gevormd

Onlangs is gebleken dat er geen vrije keuze bestaat tussen de toepassing van de herinvesteringsreserve en de ruilarresten. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat toepassing van de ruilarresten alleen mogelijk is in gevallen die niet kwalificeren voor het vormen van een herinvesteringsreserve. Aangezien de regeling van de herinvesteringsreserve op bedrijfsmiddelen ziet, zijn de ruilarresten door de uitspraak van de Hoge Raad alleen nog toe te passen bij activa die niet als bedrijfsmiddel kwalificeren, zoals voorraden.

Toepassing van de ruilarresten

De zogenoemde ruilarresten kunnen worden toegepast wanneer er concrete plannen zijn om een activum dat wordt vervreemd te vervangen door een ander activum. Dit activum dient binnen de onderneming eenzelfde functie te hebben en economisch bezien eenzelfde plaats in te nemen in het vermogen van de onderneming. Het toepassen van de ruilarresten leidt ertoe dat op het moment van de vervreemding geen winst in aanmerking hoeft te worden genomen. De boekwinst op de verkoop wordt vervolgens in mindering gebracht op de kostprijs van het nieuwe activum.

De herinvesteringsreserve

De wettelijke mogelijkheid tot het vormen van een herinvesteringsreserve borduurt voort op de gedachte van de ruilarresten. Wanneer een ondernemer een bedrijfsmiddel vervreemdt en er is een voornemen om in hetzelfde kalenderjaar of in een van de drie daaropvolgende jaren een ander bedrijfsmiddel aan te schaffen dan wel voort te brengen, kan de behaalde boekwinst worden gereserveerd en later worden afgeboekt van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het nieuwe bedrijfsmiddel. De eis dat het moet gaan om bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie gaat voor toepassing van de herinvesteringsreserve slechts op voor bedrijfsmiddelen waarop niet of in meer dan tien jaar wordt afgeschreven.

Handel in herinvesteringslichamen

In de wet zijn maatregelen opgenomen om de handel in herinvesteringslichamen te voorkomen. Ter illustratie – en vergelijkbaar met de casus in de uitspraak van de Hoge Raad – het volgende. De aandelen in entiteit X worden door haar aandeelhouder verkocht aan een derde partij. Het onroerend goed dat X houdt, verkoopt zij direct na de transactie aan haar voormalige aandeelhouder. Uitgaande van een herinvesteringsvoornemen kan X in beginsel een herinvesteringsreserve vormen voor de boekwinst die wordt behaald met de verkoop van het onroerend goed. Een herinvesteringsreserve kan echter alleen worden gevormd indien het besluit tot verkoop van het onroerend goed is genomen na de verkoop van de aandelen. In de casus die voorlag bij de Hoge Raad wilde X voorkomen dat een herinvesteringsreserve niet kon worden gevormd door deze wettelijke bepalingen en deed daarom een beroep op toepassing van de ruilarresten. De Hoge Raad oordeelde dat als sprake is van een bedrijfsmiddel, de regeling van de herinvesteringsreserve verplicht van toepassing is. De ruilarresten kunnen dan niet meer worden toegepast.

Daphne Oudshoorn (oudshoorn.daphne@kpmg.nl)

Naar boven


5. Versoepeling voor toepassing van de verruimde carry-back voor verliezen

De staatssecretaris van Financiën heeft in een beleidsbesluit op 16 juli 2014 bekendgemaakt dat er een (verdere) versoepeling komt voor de verruimde carry-backregeling in de vennootschapsbelasting voor verliezen, die gold voor de jaren 2009, 2010 en 2011. Deze regeling was ingevoerd om bedrijven in de crisistijd een steuntje in de rug te bieden door verruimde mogelijkheden om verliezen te verrekenen met winsten uit het verleden (carry-back). Verliezen konden met winsten tot drie jaar terug worden verrekend in plaats van tot een jaar terug. De keerzijde van deze regeling is echter dat wanneer gebruikgemaakt is van deze verruimde carry-back, de termijn voor voorwaartse verliesverrekening van negen jaar wordt beperkt tot zes jaar.

Goedkeuring

De goedkeuring in dit beleidsbesluit ziet op het moment waarop alsnog kan worden gekozen voor toepassing van de carry-backregeling of voor het alsnog achterwege laten ervan.

Toepassing carry-backregeling heeft niet geleid tot een teruggaaf

Een eerste goedkeuring geldt voor situaties waarin weliswaar is gekozen voor de verlengde carry-back, maar waarin dit niet heeft geleid tot een teruggaaf omdat in die jaren geen winsten beschikbaar waren waarmee de verliezen achterwaarts konden worden verrekend. Deze ‘kennelijk per abuis gemaakte keuze’ voor toepassing van de verruimde carry-back kan door de beperking van de termijn voor voorwaartse verliesverrekening (achteraf) nadelige gevolgen hebben. De staatssecretaris keurt goed dat de beperking van de voorwaartse verliesverrekeningstermijn naar zes jaar niet geldt wanneer sprake is een dergelijke per abuis gemaakte keuze. Deze goedkeuring zal automatisch worden toegepast voor belastingplichtigen die hiervoor in aanmerking komen en er hoeft dus geen verzoek te worden ingediend.

Alsnog keuze voor toepassing carry-backregeling

Daarnaast wordt een verdere verruiming van een eerder (bij besluit van 16 februari 2012) afgegeven goedkeuring gegeven. Op basis daarvan kon tot uiterlijk 31 december 2012 worden gekozen voor de verruimde carry-back, ook indien de aanslag al onherroepelijk vaststond. Dit nieuwe besluit regelt dat het verzoek ook na die datum nog kan worden ingediend, mits de belastingplichtige te goeder trouw pas na deze datum weet dat over een jaar winst ontstaat (bijvoorbeeld door navordering of de uitkomst van een procedure) waarnaar alsnog verliezen uit de jaren 2009, 2010 of 2011 ‘verruimd’ kunnen worden teruggewenteld. Het verzoek moet uiterlijk drie maanden na het onherroepelijk worden van de aanslag over het winstjaar worden gedaan. Wanneer die aanslag onherroepelijk is geworden in de periode 18 november 2012 tot en met 16 juli 2014, dan gaat de driemaandstermijn lopen vanaf 17 juli 2014.

Laura Cats (cats.laura@kpmg.nl)

Naar boven


6. Geen verplichte herwaardering meer bij inbreng in transparante personenvennootschap

Op 11 juli 2014 is de Hoge Raad teruggekomen op een oud arrest uit 1959. Daarin oordeelde de Hoge Raad, kort gezegd, dat bij de inbreng van een onderneming in een transparante personenvennootschap (zoals de vof) fiscaal moest worden afgerekend over alle meerwaarden die in de onderneming aanwezig waren – dus ook over meerwaarden in het deel van de onderneming dat niet was overgedragen. Nu, 55 jaar later, is de Hoge Raad hierop teruggekomen, waardoor in beginsel niet meer hoeft te worden afgerekend over meerwaarden in het deel van de onderneming dat de inbrenger behoudt.

Wel verplichte herwaardering onder het oude arrest

Onder het oude arrest gingen twee ondernemers een vof aan, waarbij een van hen zijn bestaande onderneming inbracht in de vof voor de werkelijke waarde. De inbrenger wilde hierbij het niet-overgedragen deel van de onderneming voor de boekwaarde op zijn persoonlijke fiscale balans voortzetten. Omdat de gehele onderneming voor de werkelijke waarde op de commerciële balans stond, oordeelde de Hoge Raad echter dat de inbrenger ook het niet-overgedragen deel fiscaal moest herwaarderen naar de werkelijke waarde.

Dit arrest leidde tot veel kritiek. De ondernemer zou namelijk op basis van de commerciële waardering fiscaal moeten herwaarderen en daarbij mogelijk belasting betalen over de meerwaarden die hij in feite nog niet had gerealiseerd. De Hoge Raad reikte in het arrest een aantal methoden aan waarmee een herwaardering achterwege kon blijven, zoals de inbreng onder voorbehoud van stille reserves, maar deze vormden omslachtige oplossingen om niet tegen de herwaardering aan te lopen. De praktijk redde zich hiermee, maar niet van ganser harte.

Hoewel dit arrest werd gewezen onder de inkomstenbelasting en ten aanzien van de inbreng in een vof, speelt deze problematiek ook in de vennootschapsbelasting, bijvoorbeeld als twee bv’s een besloten (fiscaaltransparante) commanditaire vennootschap aangaan (dus ook bij inbreng in andere fiscaaltransparante vennootschappen).

Geen verplichte herwaardering onder het nieuwe arrest

In het nieuwe arrest heeft de Hoge Raad de verplichte fiscale herwaardering van het oude arrest losgelaten. Hierdoor kan de ingebrachte onderneming voor de werkelijke waarde op de commerciële balans van de vof worden opgenomen, maar leidt dit niet tot een verplichte herwaardering bij de inbrenger. Daarbij lijkt de Hoge Raad in het nieuwe arrest wel de mogelijkheid open te laten om toch de herwaardering uit te voeren, wat gunstig kan zijn als er bijvoorbeeld nog verliezen zijn die ingehaald kunnen worden.

Tot slot kunnen de methoden van inbreng die onder het oude arrest werden gebruikt, zoals voorbehoud van stille reserves, ook na het nieuwe arrest nog fiscaal voordelig zijn. Per individueel geval zal dus moeten worden bekeken welke methode van inbreng de beste is.

Kasper Klein (klein.kasper@kpmg.nl)

Naar boven


7. iPad is geen computer maar communicatiemiddel – kan onbelast worden vergoed of verstrekt bij meer dan 10% zakelijk gebruik

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 25 september 2014 een uitspraak gedaan waarin een iPad niet als computer maar als communicatiemiddel moet worden aangemerkt. Voor de inhouding en afdracht van loonheffingen is het verschil tussen een communicatiemiddel en een computer relevant, omdat bij een communicatiemiddel het zogenoemde lage zakelijkheidscriterium (10%) wordt gehanteerd, terwijl bij een computer het ‘hoge zakelijkheidscriterium’ (90%) wordt gehanteerd.De uitspraak heeft tot gevolg dat een iPad onder het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen (sinds 2011 is dit overgangsrecht) zonder inhouding van loonheffingen kan worden vergoed of verstrekt aan medewerkers voor wie het zakelijk gebruik van de iPad van meer dan bijkomstig belang is (meer dan 10%).

De overwegingen van Gerechtshof Amsterdam

iPads hebben naar hun gebruiksmogelijkheden zowel elementen van een communicatiemiddel als van een computer. Op basis van de wet moet echter een keuze worden gemaakt tussen de kwalificatie als communicatiemiddel of als computer. Het hof komt tot de conclusie dat het beeldscherm en de invoermogelijkheden van een iPad door het touchscreen te beperkt zijn voor langdurig gebruik als computer. Deze beperkingen spelen niet of nauwelijks bij het gebruik ten behoeve van communicatie. Daarom wordt een iPad aangemerkt als een communicatiemiddel.

Gevolgen voor overgangsrecht

De uitspraak van Gerechtshof Amsterdam heeft betrekking op de wettekst zoals deze gold in het jaar 2010. Die wettekst is op dit moment opgenomen in het overgangsrecht voor inhoudingsplichtigen die de werkkostenregeling niet toepassen. De uitspraak is dus van belang als het overgangsrecht wordt toegepast.

Gevolgen voor werkkostenregeling van 2011 tot en met 2014

Omdat op basis van de huidige werkkostenregeling (zoals deze heeft gegolden tussen 2011 tot en met 2014) tevens onderscheid wordt gemaakt tussen communicatiemiddelen en computers zijn wij van mening dat deze uitspraak ook van invloed is op situaties waarin de werkkostenregeling wordt toegepast. Kort gezegd is het niet nodig om iPads ten laste van de vrije ruimte te brengen of te belasten indien het zakelijk gebruik van de iPad van meer dan bijkomstig belang is (meer dan 10%).

Gevolgen voor werkkostenregeling vanaf 2015

Op basis van het Belastingplan 2015 verdwijnt het fiscale onderscheid tussen computers en communicatiemiddelen per 1 januari 2015. Voor computers en mobiele communicatiemiddelen geldt dan het noodzakelijkheidscriterium.Het is niet langer nodig dat de iPad of tablet meer dan 10% zakelijk moet worden gebruikt. Relevant wordt dat de werkgever het zonder meer nodig vindt dat een werknemer over een iPad of tablet beschikt in het kader van de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.

Mogelijkheid tot teruggaaf ingehouden en afgedragen loonheffingen uit het verleden

Indien en voor zover de mogelijkheid tot het aantekenen van bezwaar op de aangifte loonheffingen nog openstaat, kunt u de te veel ingehouden en afgedragen loonheffingen terugvorderen bij de Belastingdienst. Indien u gedurende 2014 terbeschikkinggestelde iPads ten laste van de vrije ruimte hebt gebracht, kunt u op basis van deze uitspraak de gewijzigde fiscale beoordeling van de iPads uit de vrije ruimte van de werkkostenregeling halen.Dat geldt helaas niet voor vergoede of verstrekte iPads.

Tot slot vermelden wij dat nog niet bekend is of cassatie zal worden aangetekend tegen deze uitspraak. Het is een goed gemotiveerd oordeel van het hof dat naar onze inschatting moeilijk aanvechtbaar is in cassatie.

Yvette Timmermans (timmermans.yvette@kpmg.nl)

Naar boven


8. Administratieve dienstverlener is geen uitzendbureau: geen loonheffingsverplichting

Een detacheerder die adviseert, ondersteunt en faciliteert bij de detachering van zzp’ers fungeert als administratieve dienstverlener en niet als (uitzend)werkgever. Het gaat dan om een variant van ‘payrolling’, die niet leidt tot een loonheffingsverplichting bij de detacheerder.

Detacheerder slechts administratieve dienstverlener

Dit is onlangs door het gerechtshof beslist in een zaak waarin een buitenlands ICT-bedrijf een aparte bv had opgericht voor het ondersteunen van zelfstandige consultants in Nederland. Het ICT-bedrijf selecteerde zelf de geschikte kandidaten voor zijn cliënten (de inleners) en sprak met de consultants het aantal te werken uren en het uurtarief af. De detacheerder verzorgde vervolgens de administratieve afwikkeling, zoals hulp bij de aanvraag voor een Verklaring arbeidsrelatie, een g-rekening of bij het afsluiten van bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeringen. Deze diensten werden overeengekomen met de zelfstandige in een overeenkomst van opdracht. De detacheerder betaalde de facturen aan de zelfstandigen, maar niet eerder dan het ICT-bedrijf de rekening had voldaan aan de detacheerder. Deze laatste ontving een vaste vergoeding van het ICT-bedrijf per gewerkt uur van een zelfstandige.

Geen sprake van uitzendovereenkomst

Volgens het hof was deze detacheerder niet te kwalificeren als een uitzendwerkgever, omdat hij materieel geen economische relatie had met de zelfstandigen. Feitelijk fungeerde de detacheerder alleen als administratieve dienstverlener en niet als uitzendbureau, hoe anders de overeenkomsten van opdracht met de zelfstandigen ook deden vermoeden. De detacheerder had de consultants niet geworven, geen afspraken met hen gemaakt over de inhoud en omvang van de werkzaamheden en was geen betalingsverplichting aangegaan. Het niet ontvangen van de vaste vergoeding was het enige risico dat de detacheerder liep, alle verdere risico’s lagen bij de zelfstandigen.

Geen sprake van arbeidsovereenkomst

Ook is er in een dergelijk geval volgens het hof geen sprake van een arbeidsovereenkomst, omdat de noodzakelijke gezagsverhouding ontbreekt tussen de detacheerder en de zelfstandige consultants. De opdrachtnemers dienden immers de aanwijzingen van het ICT-bedrijf en/of zijn cliënten te volgen, waren aan hen verantwoording verschuldigd en ontvingen van hen de arbeidsvergoeding.

Het risico blijft dat in dergelijke situaties het ICT-bedrijf of de inlener als werkgever wordt aangemerkt en alsnog loonheffingen wordt verschuldigd.

Esther Hoppenbrouwers (hoppenbrouwers.esther@kpmg.nl)

Naar boven


9. Herzienings-btw bij overdracht onderneming door koper verschuldigd over gehele boekjaar

De aftrek van btw ter zake van de aankoop van onroerend goed wordt gedurende het jaar van ingebruikname en de negen daaropvolgende boekjaren gevolgd (de btw-herzieningsperiode). Een wijziging in het btw-gebruik – van btw-belast naar btw-vrijgesteld of vice versa – kan tot verschuldigde btw of een aanvullend recht op aftrek leiden. De Hoge Raad heeft zich op 8 augustus 2014 gebogen over de gevolgen van de overdracht van een onderneming (een verhuurd onroerend goed) voor de lopende btw-herzieningsperiode. De vraag was op welk moment de verschuldigdheid van eventuele herzienings-btw ontstaat en wie bij de overdracht van een onderneming deze herzienings-btw verschuldigd is. De Hoge Raad oordeelt dat de herzienings-btw bij de overdracht van een onderneming in één keer verschuldigd is aan het einde van het boekjaar door de koper. Wij raden kopers daarom aan hierover afspraken te maken tijdens de contractonderhandelingen, wat wij hierna zullen toelichten.

Aanleiding van het arrest

Koper heeft eind 2007 een verhuurd pand verkregen. Voor de btw is deze overdracht aangemerkt als de overdracht van een onderneming, die voor de btw geen levering vormt. Daarnaast treedt de koper voor de berekening van de verschuldigde btw in de plaats van de verkoper. Het gebouw is in 2003 geleverd aan de verkoper, de btw-herzieningsperiode is in 2007 derhalve nog niet verstreken. De verkoper heeft de btw in 2003 volledig in aftrek gebracht. In januari 2007 is het btw-gebruik van het pand veranderd, vanaf dan wordt een deel van het pand btw-vrij verhuurd. Hierdoor dient er in 2007 gedeeltelijke herziening van de in 2003 door de verkoper in aftrek gebrachte btw te worden aangegeven. Koper is van mening dat hij herzienings-btw verschuldigd is vanaf de datum van de verkrijging van het pand en dat de verkoper herzienings-btw is verschuldigd over de periode daarvoor. De inspecteur is van mening dat de koper herzienings-btw is verschuldigd over het gehele boekjaar 2007.

Verschuldigdheid herzienings-btw ontstaat eind van het boekjaar

De Hoge Raad concludeert dat de wegens herziening over een boekjaar verschuldigde btw in één keer aan het einde van dat boekjaar verschuldigd wordt. De verschuldigdheid ontstaat derhalve niet gedurende het boekjaar.

Koper herzienings-btw verschuldigd door indeplaatstreding

Bij de overdracht van een onderneming treedt de koper voor de berekening van de verschuldigde btw in de plaats van de verkoper. De verschuldigdheid van de herzienings-btw ontstaat volgens de Hoge Raad aan het eind van het boekjaar. Omdat de koper in de plaats is getreden van de verkoper, is de koper de volledige herzienings-btw verschuldigd over het boekjaar waarin de overdracht plaatsvindt. Het is daarom raadzaam bij de aankoop van de onderneming afspraken te maken met betrekking tot de verschuldigdheid van herzienings-btw.

Han Leijten (leijten.han@kpmg.nl)

Laura Jehee (jehee.laura@kpmg.nl)

Naar boven


10. Hoge Raad: btw-aftrek mogelijk bij tussentijdse leegstand

Op 13 juni 2014 besliste de Hoge Raad dat leegstand van een onroerende zaak kan leiden tot teruggaaf van btw. Dit arrest is van belang bij leegstand die optreedt binnen negen jaar na het jaar van ingebruikname en wanneer de onroerende zaak in eerdere jaren voor btw-vrijgestelde prestaties werd gebruikt.

In het betreffende arrest ging het om een belegger die een nieuw pand de eerste vijf jaar na ingebruikname btw-vrijgesteld verhuurde. Als gevolg daarvan kon de belegger de btw op de bouwkosten van het pand niet in aftrek brengen. Vanaf jaar zes kwam het pand leeg te staan. De belegger stelde zich op het standpunt dat hij vanaf jaar zes recht had op gedeeltelijke aftrek van btw op de bouwkosten, omdat hij vanaf dat moment voornemens was het pand btw-belast te verhuren. De Belastingdienst weigerde deze aftrek.

De Hoge Raad stelde de belegger in het gelijk. Volgens hem is bij het bepalen van het recht op aftrek van btw op de aankoop- of bouwkosten bij tussentijdse leegstand het voorgenomen gebruik bepalend. Heeft de ondernemer na een periode van btw-vrijgestelde verhuur het aantoonbare voornemen om het pand btw-belast te gaan verhuren, dan heeft hij in het jaar van leegstand recht op gedeeltelijke aftrek van btw op de aankoop- of bouwkosten. Het oordeel van de Hoge Raad wijkt op dit punt af van de visie van de Belastingdienst zoals gepubliceerd in een besluit. Tot op heden was de Belastingdienst namelijk van mening dat leegstand als zodanig geen aanleiding gaf tot herziening van btw, aangezien leegstand niet was aan te merken als (vrijgesteld of belast) gebruik. Wij verwachten daarom een aanpassing van het besluit op dit punt.

Hoewel de Hoge Raad zich in het arrest alleen uitlaat over de aftrek van btw die drukt op de aankoop/bouw van een pand, kan naar onze mening voor het bepalen van de mate van aftrek van btw die drukt op andere aan het pand toerekenbare kosten die worden gemaakt tijdens een periode van leegstand (exploitatiekosten) ook worden aangesloten bij het voorgenomen gebruik.

Han Leijten (Leijten.han@kpmg.nl)

Naar boven


11. Vergoeding van rente over het heffingsrentegat

In de vorige aflevering van Fiscale Zaken hebben wij aandacht besteed aan de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad over de vraag of de Belastingdienst rente moet betalen over het zogenoemde heffingsrentegat. Voor jaren tot en met 2009 kon voor de inkomsten- en de vennootschapsbelasting dit heffingsrentegat ontstaan. Dit speelde in jaren waarin het tijdvak voor de berekening van de heffingsrente halverwege het belastingjaar begon. Wanneer de inspecteur – en dat was destijds vaste praktijk – een gedurende het jaar opgelegde voorlopige aanslag ambtshalve verminderde en hij deze niet verminderde door het opleggen van een nadere negatieve voorlopige aanslag, liep de belastingplichtige maximaal een halfjaar rente mis. Dit werd het heffingsrentegat genoemd. In 2011 oordeelde de Hoge Raad dat de inspecteur was gehouden die gemiste heffingsrente te vergoeden. Belastingplichtigen die het betrof en die hadden verzocht om vergoeding van de rente kregen in 2011 alsnog het heffingsrentegat vergoed.

Naast vergoeding heffingsrentegat ook vergoeding van wettelijke rente

Een van de belastingplichtigen heeft ter zake van de vergoeding van het heffingsrentegat ook nog vergoeding van wettelijke rente gevraagd, omdat de inspecteur op grond van de regels van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de ambtshalve vermindering al rente had moeten vergoeden. De rechtbank Gelderland had deze belastingplichtige gelijk gegeven. Vervolgens tekende de staatssecretaris tegen deze uitspraak rechtstreeks beroep in cassatie bij de Hoge Raad aan. De advocaat-generaal was ook van mening dat de staat vanaf zes weken na de ambtshalve vermindering wettelijke rente is verschuldigd over het heffingsrentegat.

Hoge Raad: ook wettelijke rente verschuldigd

De Hoge Raad heeft in deze zaak in juni 2014 arrest gewezen en is het eens met de rechtbank en de advocaat-generaal. Volgens de Hoge Raad had de Belastingdienst op grond van de algemene regels bij het vergoeden van de heffingsrente ook een bedrag aan verschuldigde wettelijke rente moeten vaststellen. Bij de betaling in december 2011 was dus ook wettelijke rente verschuldigd, die wordt berekend vanaf zes weken na de ambtshalve vermindering tot en met het moment van uitbetalen van het heffingsrentegat. De Hoge Raad oordeelt verder dat de Belastingdienst per (deel)betaling het te vergoeden bedrag aan wettelijke rente moet vaststellen. Een deel van de hoofdsom is namelijk nog niet betaald, want bij een betaling wordt eerst de wettelijke rente betaald en daarna pas de hoofdsom (hier de heffingsrente). De Belastingdienst moet dus alsnog het ontbrekende deel betalen, inclusief de wettelijke rente over dat bedrag. De rente loopt tot en met de dag van betalen. Verder is het tarief van de wettelijke rente voor niet-handelstransacties van toepassing. Voor belastingplichtigen die ook in 2011 de vergoeding van heffingsrente hebben ontvangen is het dus zaak om tevens om vergoeding van de wettelijke rente te vragen.

Jeannette van der Vegt (vandervegt.jeannette@kpmg.nl)

Naar boven


12. Kan een te late aanslag worden gerepareerd?

Wanneer de inspecteur een fout in een aanslag maakt, mag hij dat onder meer repareren met toepassing van een bepaling die in 2010 is ingevoerd. De inspecteur kan dan een navorderingsaanslag opleggen zonder dat daarvoor de andere voorwaarden voor navordering gelden, die inhouden dat sprake moet zijn van een ‘nieuw feit’ of kwade trouw. De fout moet de belastingplichtige wel kenbaar zijn. Deze moet in één oogopslag kunnen zien dat de aanslag een fout bevat. De wet schrijft verder voor dat sprake is van een kenbare fout als het bedrag van de belasting met meer dan 30% afwijkt van de uiteindelijk verschuldigde belasting. De vraag was of sprake is van een kenbare fout als de inspecteur een aanslag te laat oplegt. Een te laat opgelegde aanslag kan namelijk worden omgezet in een navorderingsaanslag mits de aanslag aan de voorwaarden voor navordering voldoet. Dat zou het geval kunnen zijn als het te laat opleggen als een kenbare fout geldt. In een recente zaak bij Hof Arnhem speelde deze vraag.

Hof: te laat opleggen geldt niet als kenbare fout

In het berechte geval ging het om de aanslag inkomstenbelasting over 2006. De inspecteur was een boekenonderzoek begonnen en met de belastingplichtige overeengekomen dat de aanslagtermijn van 31 december 2010 werd verlengd tot 1 juli 2011. In januari 2011 was afgesproken hoe de aanslag zou gaan luiden. Toch werd de aanslag uiteindelijk pas in januari 2012 opgelegd. Zowel de rechtbank als het hof oordeelde dat deze aanslag, die duidelijk te laat was opgelegd, niet kon worden omgezet in een navorderingsaanslag. De betreffende te late aanslag voldeed niet aan de eisen voor navordering. Van belang is dat het hof daarbij uitdrukkelijk oordeelt dat het te laat opleggen van een aanslag niet geldt als een kenbare fout, omdat de belanghebbende geen aanslag of beschikking heeft ontvangen waarvan in een oogopslag duidelijk was dat die fout was. Hij heeft namelijk niets ontvangen. De bepaling dat ook sprake is van een kenbare fout als het bedrag van de belasting met meer dan 30% afwijkt van de uiteindelijk verschuldigde belasting is dan niet van toepassing. De inspecteur kreeg dus ongelijk.

Staatssecretaris eens met hofuitspraak

In een mededeling heeft de staatssecretaris van Financiën laten weten dat hij het eens is met de hofuitspraak. Hij vindt ook dat een te late aanslag niet met de toepassing van de kenbare fout kan worden gerepareerd. Dit geeft in de praktijk duidelijkheid voor dergelijke gevallen.

Jeannette van der Vegt (vandervegt.jeannette@kpmg.nl)

Naar boven


13. Pensioen in eigen beheer: een terrein vol voetangels en klemmen

Met pensioen in eigen beheer blijft het oppassen geblazen. In de wet- en regelgeving zit een belangrijke overkill. Bij ‘irregulier handelen’ met pensioen gelden strenge sancties. De volledige pensioenaanspraak wordt belast tegen progressief tarief. Daarbij wordt niet aangesloten bij het bedrag op de balans, maar bij het bedrag dat op tafel moet worden gelegd om de verplichting onder te brengen bij een verzekeringsmaatschappij. Bovendien wordt 20% revisierente geheven en kunnen ook boetes worden opgelegd. Illustratief is de volgende casus.

Niet tijdig laten ingaan

Een dga bereikte rond medio 2008 de pensioengerechtigde leeftijd. Pensioenuitkeringen werden echter niet gedaan. Eind 2008 stond de pensioenverplichting niet meer op de fiscale balans. Het pensioen was niet ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij. In de aangiften vennootschapsbelasting 2008 en 2009 was ook geen vrijval van de pensioenverplichting opgenomen. De inspecteur legde een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2008 op aan de dga van € 964.777. De dga voerde aan dat de pensioenrechten niet meer voor verwezenlijking vatbaar waren (in die situatie gelden geen fiscale sancties) en dat het niet opnemen van de pensioenverplichting op de fiscale balans van 2008 berustte op een administratieve vergissing. Hof Amsterdam volgde de dga niet in het eerste standpunt, wel in het tweede. Helaas hielp dat hem maar weinig. De gehele pensioenaanspraak moest namelijk toch worden belast, omdat deze onzuiver was geworden doordat het pensioen niet tijdig was ingegaan. De inspecteur en de dga waren het erover eens dat in dat geval moest worden geheven over het bedrag dat fiscaal was gereserveerd (€ 668.505). De verzuimboete van 25% werd gehandhaafd. De dga is in cassatie gegaan, maar of dat hem zal baten is een uiterst onzekere zaak.

Niet tijdig aanpassen

Eind vorig jaar zagen we ook een inspecteur langskomen die de gehele pensioenaanspraak wilde belasten van de dga die zijn pensioentoezegging in 2004 niet tijdig had laten aanpassen aan het Witteveenkader. Ook deze inspecteur betrok de stelling dat de gehele pensioenaanspraak moest worden belast omdat die onzuiver was geworden, en ook hier werd een boete van 25% opgelegd. Rechtbank Gelderland echter streek de hand over het hart en oordeelde dat alleen het bovenmatige deel van de pensioenaanspraak belast was. De inspecteur is niet in hoger beroep gegaan. Je zou zeggen dat ‘alleen het bovenmatige deel belast’ dus geldend recht is geworden, maar de staatssecretaris heeft laten weten dat deze uitspraak niet tot richtsnoer mag worden genomen.

Tip

Wist u dat per 1 januari 2015 het Witteveenkader opnieuw wordt aangepast en alle pensioenregelingen op 1 januari 2015 aangepast moeten zijn? Tijdig actie ondernemen is nodig, want u zult hier niet om willen procederen.

Marlies Kastelein (kastelein.marlies@kpmg.nl)

Naar boven


14. Geen mkb-winstvrijstelling voor dga

Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat een directeur-grootaandeelhouder (dga) niet de mkb-winstvrijstelling kan toepassen op het loon dat hij ontvangt voor de werkzaamheden voor zijn bv. Zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod faalt.

De mkb-winstvrijstelling geldt voor de ondernemer in de inkomstenbelasting en bedraagt 14% van de winst uit onderneming na vermindering met de ondernemersaftrek. Het effectieve toptarief in box 1 voor de IB-ondernemer is daardoor niet 52%, zoals voor de dga met looninkomsten, maar slechts 44,7%. Een dga vond dat hij hierdoor werd benadeeld ten opzichte van de IB-ondernemer en wilde de mkb-winstvrijstelling ook toepassen op het loon dat hij uit zijn bv ontving. Hij beriep zich daarbij op het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod zoals dat onder meer is neergelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De inspecteur ging hier niet in mee en de zaak kwam voor Rechtbank Gelderland.

De rechtbank stelde de dga in het ongelijk. Het beroep van de dga op het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod faalde, omdat geen sprake was van gelijke gevallen. Een dga die loon ontvangt, verkeert volgens de rechtbank immers niet in dezelfde positie als een ondernemer voor wiens rekening en risico een onderneming wordt gedreven. Ook als wel sprake zou zijn van gelijke gevallen kon de dga de mkb-winstvrijstelling niet toepassen, zo vervolgde de rechtbank. Dan komt namelijk de vraag aan de orde of voor het door de wetgever gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De wetgever heeft daarbij een zeer ruime beoordelingsvrijheid, en de rechtbank oordeelde dat de keuze van de wetgever om de mkb-winstvrijstelling te beperken tot IB-ondernemers niet kennelijk onredelijk was.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.nl)

Naar boven


15. Geen (indirect) aanmerkelijk belang, toch gebruikmaken van de bedrijfsopvolgingsregeling?

De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de Successiewet en de Wet inkomstenbelasting voorziet in een ruime vrijstelling waardoor minder of geen belasting hoeft te worden betaald als ondernemingsvermogen vererft of wordt geschonken. De BOR kan alleen worden verkregen indien wordt voldaan aan strikte voorwaarden. Bij de vererving van aandelen is de BOR bijvoorbeeld alleen van toepassing als een belang van ten minste 5% of meer wordt verkregen in een vennootschap. Bovendien moet deze vennootschap geconsolideerd bezien een materiële onderneming drijven.

Eerst consolidatie …

In de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 22 april 2014 heeft belanghebbende een aanmerkelijk belang (≥ 5%) in een bv geërfd. De bv zelf verricht geen ondernemingsactiviteiten, maar houdt diverse deelnemingen waaronder aandelen in een buitenlandse vennootschap (Ltd). Voor de toepassing van de BOR moeten de bezittingen en schulden van de deelnemingen van de bv waarin belanghebbende een indirect aanmerkelijk belang heeft, worden toegerekend aan de bv. Het indirecte belang dat belanghebbende in de Ltd houdt, is echter kleiner dan 5% en vormt dus geen indirect aanmerkelijk belang. De bezittingen en schulden van de Ltd mogen daarom niet worden meegeconsolideerd op het niveau van de bv. Het belang in Ltd staat op de consolidatiebalans als ‘deelneming’. De bezittingen en schulden van de andere deelnemingen mogen wel worden toegerekend aan de bv en kwalificeren als ondernemingsvermogen. De vraag is of het houden van een deelneming op zichzelf kan kwalificeren als ondernemingsvermogen voor de toepassing van de BOR.

… dan kwalificatie

De rechtbank oordeelt dat de bezittingen en schulden van de deelnemingen die een indirect aanmerkelijk belang vormen eerst moeten worden geconsolideerd, waardoor de ondernemingsactiviteiten naar rato van het aandelenbelang naar het niveau van de bv worden ‘getrokken’. Vervolgens moet worden beoordeeld of het aanhouden van het belang in de Ltd door de bv in het verlengde ligt van haar ondernemingsactiviteiten en als zodanig ondernemingsvermogen vormt voor de bv. Ook het houden van deelnemingen kan in sommige situaties dus kwalificeren als ondernemingsvermogen voor de toepassing van de BOR.

De vennootschappelijke structuur is een belangrijk aandachtspunt bij het optimaal benutten van deze ruime vrijstelling. Door middel van de juiste structuur kunt u alvast voorsorteren op toepassing van deze regeling. Daarnaast gelden uiteraard nog andere belangrijke voorwaarden voor toepassing van de BOR. Indien u hierover vragen hebt, adviseren wij u om contact op te nemen met uw vaste adviseur binnen KPMG Meijburg & Co of met ondergetekenden.

Leoni Bergman (bergman.leoni@kpmg.nl)

Olivier Klessens (klessens.olivier@kpmg.nl)

Naar boven


16. Mogelijkheid onbelast uitkeren dividend van vererfde aanmerkelijkbelangaandelen met terugwerkende kracht verruimd

Per 1 januari 2010 is de doorschuifregeling bij vererving van aanmerkelijkbelangaandelen aangepast. De doorschuifregeling geldt niet meer voor zover in de vennootschap beleggingsvermogen aanwezig is. Dat moet ter zake van de overgang krachtens erfrecht als winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking worden genomen (fiscale afrekening). Indien kort na de verkrijging (een deel van) het beleggingsvermogen als dividend wordt uitgekeerd, bijvoorbeeld om de erfbelasting te betalen, zou zich dubbele heffing (kunnen) voordoen. Om dit te voorkomen geldt een fiscale faciliteit.

Dividenden die worden ontvangen binnen 24 maanden na het overlijden kunnen onbelast worden ontvangen. Hiertoe moet wel een verzoek worden gedaan. Het bedrag dat aan dividend wordt ontvangen moet worden afgeboekt van de verkrijgingsprijs van de aandelen. Het dividend mag niet uitgaan boven het bedrag waarover fiscaal werd afgerekend.

Deze faciliteit gold tot dusverre alleen voor de vererfde aandelen, maar wordt nu op twee punten uitgebreid:

  1. De faciliteit mag ook worden toegepast op de aandelen/winstbewijzen van dezelfde soort in dezelfde vennootschap die reeds in het bezit waren van de erfgenaam op het tijdstip van overlijden.
  2. Ook erfgenamen voor wie de 24-maandsperiode al is verstreken kunnen gebruikmaken van deze verruiming, zelfs als zij geen verzoek hebben ingediend om het dividend onbelast te ontvangen, als zij gedeeltelijk hebben moeten afrekenen en als hun aanslagen al onherroepelijk zijn komen vast te staan.


Dat laatste (openbreken van onherroepelijk vaststaande aanslagen) is heel bijzonder en daarvoor wordt maar kort de tijd gegeven: het verzoek moet uiterlijk op 31 december 2014 zijn ingediend bij de inspecteur. Verder geldt als voorwaarde dat het dividend uiterlijk op 31 december 2014 moet zijn genoten.

Wie op of na 1 januari 2010 aandelen heeft geërfd die tot een aanmerkelijk belang behoren, daarover heeft afgerekend en belangstelling heeft om van deze nieuwe mogelijkheden gebruik te maken, kan het beste snel contact opnemen met zijn belastingadviseur!

Marlies Kastelein (kastelein.marlies@kpmg.nl)

Naar boven


17. Verlies op rekening-courantvordering op eigen vennootschap aftrekbaar

Wanneer een dga een lening verstrekt aan zijn eigen vennootschap, dan valt deze lening onder het resultaat uit overige werkzaamheden en zijn de (rente)opbrengsten belast tegen het progressieve tarief in de inkomstenbelasting. Daar staat tegenover dat een verlies op een dergelijke lening in beginsel ook aftrekbaar is.

In eerdere edities van Fiscale Zaken hebben wij al uitgebreid geschreven over het belang van het hanteren van zakelijke voorwaarden bij dergelijke leningen om discussie met de Belastingdienst over de aftrekbaarheid van een eventueel verlies te voorkomen. Een recente uitspraak van Hof Den Haag laat zien dat dit nog steeds onverminderd geldt, waarbij ook het belang van goede documentatie (lees: overeenkomsten) nogmaals wordt benadrukt.

Casus

De persoonlijke holding van de dga kocht begin 2007 de aandelen in een bv, waarna hij daarmee een rekening-courantovereenkomst sloot. Uit hoofde van deze rekening-courantovereenkomst stelde de dga verschillende bedragen ter beschikking van de bv. De activiteiten van de bv waren echter verlieslatend, waardoor een negatief eigen vermogen ontstond en de bv in de eerste helft van 2008 failliet ging. De dga wilde vervolgens het verlies op zijn rekening-courantvordering in aftrek brengen als negatief resultaat uit overige werkzaamheden.

De inspecteur accepteerde dit verlies echter niet en stelde in de eerste plaats dat het verlies niet aftrekbaar was, omdat de lening naar zijn mening fiscaal als eigen vermogen moest worden aangemerkt. Ter onderbouwing hiervan voerde de inspecteur aan dat, gelet op het negatieve eigen vermogen op het moment van het verstrekken van de lening, het duidelijk moet zijn geweest dat de bv niet in staat zou zijn om de bedragen terug te betalen. Daarnaast waren de stortingen in de administratie geboekt onder de titel van kapitaalstorting.

In de tweede plaats was de inspecteur van mening dat, zo al sprake was van een lening, deze dan toch ten minste als een onzakelijke lening moest worden aangemerkt. Naar zijn mening had de dga gelet op zijn onzekere positie namelijk zekerheden tot terugbetalen moeten eisen en een hogere rente moeten bedingen.

In beide gevallen zou het verlies niet in aanmerking mogen worden genomen.

Inspecteur onderbouwt zijn stellingen onvoldoende

Het hof ging hier echter niet in mee, omdat het vond dat de inspecteur er niet in was geslaagd om zijn stellingen voldoende te onderbouwen. Nu de dga namelijk een rekening-courantovereenkomst had gesloten met de bv, was het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat sprake was van eigen vermogen dan wel van een onzakelijke lening. Van de inspecteur werd meer verwacht dan het poneren van enkele niet-onderbouwde stellingen.

Han Verhagen (verhagen.han@kpmg.nl)

Naar boven


18. Aan beëindiging terbeschikkingstelling komt geen terugwerkende kracht toe

Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat er fiscaal geen betekenis toekwam aan de terugwerkende kracht van de verkoop van aandelen in een bv waarin belanghebbende een aanmerkelijk belang had. De terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel aan die bv eindigde daardoor ook niet eerder.

Verkoop aandelen met terugwerkende kracht

De zaak betrof een persoon die zijn tweederde aandeel in een onroerende zaak vanuit privé ter beschikking stelde aan een bv waarin hij een aanmerkelijk belang had. Bij overeenkomst van 3 juli 2007 verkocht hij zijn aandelen in de bv. Daarbij was afgesproken dat de aandelen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 voor rekening en risico van de kopers zouden komen. De aandelen werden uiteindelijk geleverd op 31 augustus 2007.

Belanghebbende stelde dat het economische belang bij de aandelen in de bv met ingang van 1 januari 2007 bij een ander lag, dat hij sinds dat moment geen aanmerkelijk belang meer had en dat de terbeschikkingstelling daardoor eind 2006 al was geëindigd. Volgens belanghebbende had de inspecteur de beëindiging van de terbeschikkingstelling dus al in 2006 moeten belasten en niet pas in 2007. De inspecteur stelde echter dat de terugwerkende kracht in de verkoopovereenkomst geen fiscale werking had. Nadat Rechtbank Zeeland-West-Brabant de inspecteur gelijk gaf, mocht Hof Den Bosch zich over de zaak uitlaten.

Terugwerkende kracht had fiscaal geen betekenis

Het hof overwoog dat voor het einde van een terbeschikkingstelling het tijdstip bepalend is waarop het aanmerkelijk belang in de vennootschap wordt vervreemd. Dit is het tijdstip waarop de obligatoire overeenkomst van koop en verkoop van het belang perfect is geworden, en dat was in casu op 3 juli 2007. De in de overeenkomst van 3 juli 2007 overeengekomen terugwerkende kracht komt fiscaal geen betekenis toe, maar vormde slechts een element van de prijsbepaling bij de verkoop van het aandelenpakket. Daarmee was de terbeschikkingstelling dus ook pas op 3 juli 2007 beëindigd en niet al eind 2006, zoals belanghebbende stelde.

Belanghebbende ging nog voor enkele andere ankers liggen, maar dat mocht hem niet baten. Zo achtte het hof de fiscale afrekening over de meerwaarde in de onroerende zaak bij de beëindiging van de terbeschikkingstelling niet in strijd met het voorzichtigheids- en realiteitsbeginsel en was er geen sprake van discriminatoire behandeling in de zin van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Ook was in deze zuiver binnenlandse aangelegenheid geen sprake van strijdigheid met het vrije vestigingsrecht en het vrije kapitaalverkeer zoals dat volgt uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Een afwaardering ten slotte van de in opdracht van partijen vastgestelde onderhandse verkoopwaarde van de onroerende zaak vanwege gedeelde eigendom of een aanbiedingsverplichting aan de andere deeleigenaar was volgens het hof ook niet aan de orde.

Richard Sour (sour.richard@kpmg.nl)

Naar boven


19. Contact

Mocht u naar aanleiding van deze of andere onderwerpen vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met de adviseurs van KPMG Meijburg & Co die bij de onderwerpen in deze nieuwsbrief staan vermeld, of met een van de onderstaande adviseurs. Uiteraard kunt u ook contact opnemen met uw vaste aanspreekpunt binnen KPMG Meijburg & Co.

 

Olaf Leurs

T: (076) 523 75 14

E: leurs.olaf@kpmg.nl

 

Han Verhagen

T: (040) 250 29 59

E: verhagen.han@kpmg.nl

 

Richard Sour

T: (020) 656 15 48

E: sour.richard@kpmg.nl

Naar boven