Op Prinsjesdag, 17 september 2013, heeft het kabinet het Belastingplan 2014 aangeboden aan de Tweede Kamer. Het Belastingplan 2014 bestaat uit de volgende wetsvoorstellen:

  • het Belastingplan zelf;
  • Overige fiscale maatregelen 2014;
  • Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit;
  • Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente.

Dit jaar staan de voorgestelde fiscale maatregelen in het teken van fraudebestendigheid en solide inkomsten. Veel van deze maatregelen treden in werking op 1 januari 2014. Hieronder hebben wij de hoofdlijnen van het Belastingplan 2014 voor u uiteengezet.

Vennootschapsbelasting

Verruiming toegelaten activiteiten voor fiscale beleggingsinstellingen
Op basis van de huidige wettekst zijn fiscale beleggingsinstellingen (fbi’s) beperkt in hun mogelijkheden om bijkomstige werkzaamheden te verrichten die verband houden met door hen verhuurd vastgoed. Huurders en beleggers verlangen echter in toenemende mate van verhuurders van commercieel vastgoed dat zij zich actiever opstellen ten aanzien van de ontwikkeling en het beheer van de door hen aangehouden beleggingsobjecten. Voorgesteld wordt dat fbi's indirect de mogelijkheid krijgen bijkomstige werkzaamheden te verrichten die rechtstreeks verband houden met het aanhouden en verhuren van vastgoed zonder de status van fbi te verliezen. Daarbij kan worden gedacht aan het verzorgen van bepaalde facilitaire diensten aan huurders, zoals schoonmaakdiensten en het verzorgen van de catering.

Voorwaarde is dat deze activiteiten plaatsvinden in een normaal belastingplichtige dochtervennootschap van de fbi en dat aan een aantal aanvullende voorwaarden wordt voldaan. Zo mag de (fiscale) waarde van de aandelen in de belaste dochter niet meer bedragen dan 15% van het (fiscale) eigen vermogen van de fbi. Ten tweede mag de omzet uit de bijkomstige werkzaamheden niet meer bedragen dan 25% van de omzet, zoals de verhuuropbrengst, uit het beleggen in het beleggingsobject waarvoor de bijkomstige werkzaamheden worden verricht. Deze limiet moet per beleggingsobject afzonderlijk worden bezien. Om te voorkomen dat de winst van de belaste dochtervennootschap wordt uitgehold en dat de waarde van de aandelen in dat lichaam laag wordt gehouden door dat lichaam met veel vreemd vermogen te financieren, geldt het vereiste dat de desbetreffende vennootschap geheel met eigen vermogen is gefinancierd. Hierbij worden normale afnemers- en leverancierskredieten niet als vreemd vermogen aangemerkt.

Loonheffing

Verlenging werkgeversheffing hoge lonen (‘crisisheffing’)
In 2013 is een eenmalige werkgeversheffing geïntroduceerd van 16% over lonen voor zover die in 2012 meer dan € 150.000 bedroegen. De eenmalige crisisheffing wordt eenmalig verlengd in 2014. Derhalve is de crisisheffing ook in 2014 verschuldigd over lonen voor zover die in 2013 boven de drempel van € 150.000 uitkomen.

Afschaffen stamrechtvrijstelling, korting bij uitkering in 2014
Met ingang van 1 januari 2014 komt de stamrechtvrijstelling te vervallen. Het is dan niet langer mogelijk om de inkomsten uit een gouden handdruk bij ontslag gespreid te genieten via een verzekerde lijfrente, een stamrechtspaarrekening of een stamrechtbeleggingsrecht. Een uitkering bij ontslag wordt eenmalig en is direct progressief belast. Op 1 januari 2014 komt de eis dat bestaande stamrechten in periodieke termijnen moeten worden uitgekeerd te vervallen (ontklemming): ineens uitkeren is mogelijk, zonder dat revisierente wordt geheven. Als ineens wordt uitgekeerd in 2014, wordt bovendien slechts 80% in de heffing betrokken. Dit geldt ongeacht waar het stamrecht is ondergebracht (bij de ex-werkgever in eigen beheer, bij een bank, een beleggingsinstelling, een verzekeringsmaatschappij of in een eigen stamrecht-bv).

Btw

Afschaffen btw-integratieheffing
De btw-integratieheffing doet zich voor als een ondernemer (on)roerende goederen vervaardigt of laat vervaardigen onder terbeschikkingstelling van materialen, zoals grond, en deze in gebruik neemt voor van btw vrijgestelde leveringen of diensten. Deze integratieheffing komt te vervallen met ingang van 1 januari 2014. De afschaffing houdt verband met knelpunten op de woningmarkt.

Inkomstenbelasting 
Geen indexatie van belastingschijven en heffingskortingen
Normaliter worden de belastingschijven en heffingskortingen jaarlijks gecorrigeerd voor de inflatie. Door in 2014 van indexatie af te zien zal het inkomen eerder in een hogere belastingschijf vallen.

Verhoging algemene heffingskorting met afbouw in tweede en derde schijf
De algemene heffingskorting wordt verhoogd met € 99. Daar staat tegenover dat deze met 2% wordt afgebouwd vanaf het begin van de tweede schijf tot het einde van de derde schijf. Vanaf 2015 vervalt de bovengrens voor de afbouw, zodat de algemene heffingskorting ook in de vierde schijf wordt afgebouwd tot uiteindelijk nihil. In 2015 en 2016 wordt de algemene heffingskorting verder verhoogd, maar neemt het afbouwpercentage eveneens toe.

Verhoging arbeidskorting, geleidelijke afschaffing voor hoge inkomens
De arbeidskorting wordt met € 374 verhoogd en meer inkomensafhankelijk gemaakt. Vanaf een inkomen van 225% van het wettelijk minimumloon wordt de arbeidskorting in stappen afgebouwd. Met ingang van 2017 bedraagt de arbeidskorting vanaf een inkomen van circa € 110.000 nihil.

Periodieke giften ook via onderhandse akte
Vaste en gelijkmatige periodieke giften die gedurende vijf jaar of langer worden gedaan aan een aangewezen goed doel, zijn aftrekbaar van het inkomen. De voorwaarde dat de gift moet worden vastgelegd in een notariële akte komt met ingang van 1 januari 2014 te vervallen. Vanaf dat moment kan de gift ook plaatsvinden via een onderhandse akte. De Belastingdienst stelt daartoe een onderhandse schenkingsovereenkomst ter beschikking die aan alle nieuwe eisen voldoet.

Herziening keuzeregeling buitenlandse belastingplichtigen (2015)
De keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen wordt herzien. Onder de huidige regeling kunnen bepaalde buitenlandse belastingplichtigen kiezen voor toepassing van de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor binnenlandse belastingplichtigen. Deze regeling komt te vervallen per 1 januari 2015. Onder de nieuwe regeling kunnen buitenlandse belastingplichtigen onder bepaalde voorwaarden wat betreft hun persoonlijke en gezinssituatie hetzelfde worden behandeld als binnenlandse belastingplichtigen. Hiermee wordt de reikwijdte van de huidige regeling meer in lijn gebracht met wat wordt vereist op grond van het EU-recht. De nieuwe regeling zal in principe beperkt zijn tot buitenlandse belastingplichtigen die inwoner zijn van een EU- of EER-lidstaat, Zwitserland of de BES-eilanden, en die hun inkomen voor 90% of meer in Nederland verdienen. De huidige regeling gaat uit van het wereldinkomen van de belastingplichtige, waarna voorkoming van dubbele belasting wordt verleend. Onder de nieuwe regeling worden kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen echter ‘gewoon’ voor hun Nederlandse inkomen in de heffing betrokken, maar hebben zij in beginsel recht op dezelfde aftrekposten en heffingskortingen als binnenlandse belastingplichtigen. Hiermee wordt de nieuwe regeling fors vereenvoudigd ten opzichte van de huidige. Voor het in werking treden van de nieuwe regeling wordt gekeken naar de gevolgen van de afschaffing van de keuzeregeling voor migrerende binnenlandse belastingplichtigen.

Erf- en schenkbelasting

Verhoging vrijstelling schenkbelasting voor woningen tot € 100.000
De eenmalig verhoogde vrijstelling in de schenkbelasting voor schenkingen van ouders aan kinderen tussen de 18 en 40 jaar voor schenkingen ter verkrijging van een eigen woning of voor de kosten van verbetering of onderhoud van die woning, ter zake van de afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die woning dan wel voor de aflossing van een eigenwoningschuld wordt verruimd. De hoogte van de vrijstelling wordt tijdelijk (van 1 oktober 2013 tot 1 januari 2015) verruimd van € 51.407 tot € 100.000. Voor dezelfde periode vervalt de beperking dat de schenking moet zijn gedaan van een ouder aan een kind tussen 18 en 40 jaar. Van 1 oktober 2013 tot 1 januari 2015 kan dus iedereen van zowel een familielid als een derde belastingvrij een schenking ontvangen van maximaal € 100.000, mits deze wordt aangewend voor de eigen woning. Tot slot wordt de reeds bestaande vrijstelling met ingang van 1 oktober 2013 zodanig uitgebreid dat ook een schenking die is bestemd voor de aflossing van een restschuld onder de faciliteit wordt gebracht. Deze laatste verruiming is permanent.

Waardering serviceflats
In de Successiewet wordt een onevenwichtigheid bij de waardering van serviceflats gerepareerd. Sinds 2010 wordt bij de waardering van woningen aangesloten bij de WOZ-waarde. Kort gezegd is dat de waarde die aan de onroerende zaak wordt toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen. Bij serviceflats bestaat vaak een persoonlijke verplichting tot het betalen van servicekosten voor diensten die geen betrekking hebben op de woning zelf, maar waartegenover persoonlijke diensten (kunnen) worden ontvangen (bijvoorbeeld maaltijden, kapper of alarmservice). Die verplichting drukt vaak de waarde in het economisch verkeer, maar niet de WOZ-waarde van de flat. Er wordt nu voorgesteld dat een erfgenaam voor serviceflats de waarde in het economisch verkeer in aanmerking mag nemen indien die waarde als gevolg van zo’n persoonlijke verplichting in belangrijke mate afwijkt van de WOZ-waarde. Dit werd in de jaren 2010 tot en met 2013 al goedgekeurd op grond van beleidsbesluiten.

Wet op belastingen van rechtsverkeer

Van onroerendezaaklichaam naar onroerendezaakrechtspersoon
Met de voorgestelde wijzigingen wordt beoogd om de onduidelijkheid weg te nemen die is ontstaan na een arrest van de Hoge Raad uit 2004 over de heffing van overdrachtsbelasting bij de verkrijging van een direct of indirect belang in een onroerende zaak. In dat arrest heeft de Hoge Raad beslist dat een verkrijging van participaties in een personenvennootschap zonder rechtspersoonlijkheid – die aan de criteria voor de kwalificatie van een onroerendezaaklichaam (ozl) voldeed – als de verkrijging van participaties in een ozl moet worden aangemerkt. Dit betekent dat pas belasting verschuldigd is als de verkrijging van die participaties een belang van een derde gedeelte of meer vertegenwoordigt. Als gevolg van dit arrest is voor de verkrijging van de directe (economische) eigendom van onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen door middel van participaties in personenvennootschappen die als ozl kunnen worden aangemerkt, een gunstiger regime van toepassing dan voor personenvennootschappen die niet als ozl kunnen worden aangemerkt. Bij verkrijging van participaties in laatstbedoelde vennootschappen is immers in beginsel altijd overdrachtsbelasting verschuldigd, omdat daarbij rechtstreeks onroerende zaken in (economische) eigendom worden verkregen. Bij verkrijging van participaties in personenvennootschappen die als ozl kunnen worden aangemerkt, wordt pas overdrachtsbelasting geheven indien sprake is van een belang van ten minste een derde gedeelte.

In dit wetsvoorstel wordt vastgehouden aan de expliciete scheiding tussen de directe verkrijging (economisch) van onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen en de indirecte verkrijging hiervan door middel van aandelen in een ozl. Enerzijds blijft het uitgangspunt dat een verkrijging van een deelgerechtigdheid in een personenvennootschap die de economische eigendom bezit, belast is bij de verkrijger van de deelgerechtigdheid, ongeacht de grootte van het belang. Anderzijds wordt de regeling voor belangen in een ozl beperkt tot belangen in rechtspersonen. In het vervolg zal dan ook niet meer worden gesproken over onroerendezaaklichamen, maar over onroerendezaakrechtspersonen.

Een uitzondering geldt voor belangen tot een derde gedeelte in beleggingsfondsen of fondsen voor collectieve belegging in effecten: deze worden buiten het bereik van de overdrachtsbelasting gebracht, zonder onderscheid tussen open en besloten fondsen. Beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve belegging in effecten zijn beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht. Dit zijn beleggingsfondsen die zich richten op het publiek en/of institutionele beleggers. Het niet belasten van belangen tot een derde gedeelte in zowel open als besloten beleggingsfondsen of fondsen voor collectieve belegging in effecten gebeurt vanuit de gedachte dat het de belegger in deze situaties in feite veelal niet te doen zal zijn om (een deel van) de onroerende zaken in zijn macht te krijgen.

Fiscale innovatieregelingen (inclusief diverse aanpassingen EIA, MIA en VAMIL)

RDA
De regeling research- & developmentaftrek (‘RDA’) is een in 2012 ingevoerde regeling die belastingplichtigen die beschikken over een S&O-verklaring een extra aftrek op de winst biedt op basis van kwalificerende innovatieve kosten (niet zijnde loonkosten) en uitgaven. Voor 2013 bedroeg het percentage 54%. Op grond van het Belastingplan 2014 wordt het budget van de RDA met € 138 miljoen teruggebracht, terwijl daarnaast € 60 miljoen structureel naar het budget van de S&O-afdrachtvermindering wordt overgeheveld. Daarmee resteert in 2014 een RDA-budget van € 302 miljoen. Met dit budget bestaat ruimte voor een voorlopig percentage van de RDA in 2014 van circa 60%. Dit kan op basis van de ontwikkelingen in 2013 echter nog worden bijgesteld (eind 2013 wordt het percentage definitief vastgesteld).

S&O-afdrachtvermindering
De afdrachtvermindering in de loonbelasting voor speur- en ontwikkelingswerk (‘S&O-afdrachtvermindering’, ook wel bekend als WBSO) is net als de RDA een fiscaal instrument ter stimulering van innovatie door private partijen dat de loonkosten van speur- en ontwikkelingswerk faciliteert.

Het kabinet stelt voor om met betrekking tot de S&O-afdrachtvermindering de eerste schijf te verlengen van € 200.000 naar € 250.000. Hierdoor is het hoge percentage van de S&O-afdrachtvermindering van toepassing op een groter deel van de loonkosten van S&O. Het kabinet beoogt hiermee vooral het MKB meer mogelijkheden te bieden om door te groeien. Het tarief in de eerste schijf wordt wel verlaagd van 38% naar 35%. Het beschikbare budget voor de S&O-afdrachtvermindering in 2014 bedraagt € 756 miljoen.

Ter vermindering van de administratieve lasten stelt het kabinet voor om iedere S&O-inhoudingsplichtige de mogelijkheid te bieden om een S&O-verklaring voor een periode langer dan zes maanden aan te vragen, met een maximum van een geheel kalenderjaar. Momenteel staat de mogelijkheid van een jaaraanvraag alleen open voor S&O-inhoudingsplichtigen die beschikken over een onderzoek- of een ontwikkelafdeling en die tevens in het voorafgaande kalenderjaar een S&O-verklaring ontvangen hebben.

Het kabinet stelt bovendien voor toe te staan dat inhoudingsplichtigen de S&O-afdrachtvermindering, die niet verzilverd kan worden in de periode waarop de S&O-verklaring ziet, kunnen verrekenen in andere aangiftetijdvakken die eindigen in het kalenderjaar waarop de S&O-verklaring ziet.

EIA/MIA/VAMIL
In 2014 wordt een structurele korting van € 10 miljoen per regeling doorgevoerd op de energie-investeringsaftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL). Het kabinet gaat onderzoeken hoe de MIA en de VAMIL te integreren. Voor 1 januari 2019 moet voor alle drie de regelingen een evaluatie gereed zijn op basis waarvan moet worden besloten de regelingen per die datum te continueren of anders te laten vervallen.

Het kabinet stelt voor om ook bedrijfsmatige verhuurders van woonruimte voor bijvoorbeeld het saneren van asbest, al dan niet in combinatie met het plaatsen van zonnepanelen, in aanmerking te laten komen voor de MIA.

Om de administratie- en uitvoeringskosten te verlagen wordt voor aanmelding bij Agentschap NL het drempelbedrag van de EIA, MIA en VAMIL verhoogd naar € 2.500.

Afgezonderd particulier vermogen
De inbrenger van vermogen in een APV (afgezonderd particulier vermogen) beoogt meer dan bijkomstig vooral particuliere belangen te behartigen. Onder die omstandigheden wordt het vermogen van het APV aan de inbrenger dan wel aan zijn erfgenamen toegerekend (fiscale transparantie), tenzij het APV is gevestigd in een land dat de winst van het APV belast met 10% of meer (reële heffing). Het Ministerie van Financiën heeft gesignaleerd dat wordt getracht om met een APV de heffing over aanmerkelijkbelangwinst te voorkomen. Dit gebeurt door de aandelen eerst in te brengen in een APV (geen vervreemding voor het aanmerkelijk belang) en vervolgens te bewerkstelligen dat het APV wordt gevestigd in een land met een naar Nederlandse maatstaven reële heffing. Het ministerie is van mening dat een dergelijke opzet niet werkt. Om volledige zekerheid te krijgen wordt wel voorgesteld om de wet aan te passen.

Ook in de vennootschapsbelastingsfeer heeft het ministerie ongewenst gebruik gesignaleerd: het APV zou mogelijk kunnen worden gebruikt om de renteaftrekbeperkingen te frustreren die zijn gericht tegen winstdrainage. Ook hier wordt iets aan gedaan. De renteaftrekbeperkingen kunnen onder omstandigheden toepassing blijven vinden, ook als een APV wordt betrokken in een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing.

Auto

Motorrijtuigenbelasting en oldtimers
Vanaf 1 januari 2014 zijn alleen nog motorrijtuigen van 40 jaar en ouder vrijgesteld van motorrijtuigenbelasting (MRB). Daarnaast komt er een overgangsregeling voor personen- en bestelauto’s rijdend op benzine, motorfietsen, bussen en vrachtauto’s, die op 1 januari 2014 26 jaar of ouder zijn maar nog geen 40 jaar.

MRB en buitenlandse kentekens
De laatste jaren blijkt het gebruik van een buitenlands gekentekend motorrijtuig door een ingezetene van Nederland waarbij ten onrechte geen motorrijtuigenbelasting (MRB) voor het betreffende motorrijtuig wordt betaald, sterk te zijn toegenomen. Om dit te bestrijden, wordt in de Wet MRB een woonplaatsvermoeden ingevoerd. Dit houdt in dat een natuurlijk persoon wordt geacht voor de MRB ingezetene van Nederland te zijn indien hij is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) of hij zich daarin had moeten inschrijven. Tegenbewijs is mogelijk. Verder wordt, ook met de mogelijkheid van tegenbewijs, een fictie voorgesteld ter zake van de verschuldigdheid van de belasting en de aanvang van de belastingplicht, namelijk de datum waarop de houder zich heeft ingeschreven of had moeten inschrijven in de GBA. De maatregelen zullen worden gecombineerd met de intensivering van de controle op de weg.

Verhoging accijnzen diesel en lpg
De accijns op diesel wordt met 3 cent per liter verhoogd en de accijns op lpg met 7 cent per liter.

Formeelrechtelijke wijzigingen

Wijziging percentage belasting- en invorderingsrente
Per 1 januari 2013 is de regeling van de belastingrente in werking getreden. Als rentepercentage geldt het tarief van de wettelijke rente voor niet-handelstransacties. In de voorstellen wordt nu geregeld dat het percentage van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting op het percentage van de wettelijke rente voor handelstransacties wordt gesteld met een minimum van 8%. De belasting- en invorderingsrente voor de andere belastingen blijft op het percentage voor niet-handelstransacties, maar wel met een minimum van 4%. Deze percentages gaan gelden voor renteperiodes na 31 maart 2014.

Internationale gegevensuitwisseling
Wanneer door de Nederlandse fiscus op verzoek of spontaan inlichtingen worden verstrekt aan een buitenlandse belastingdienst, wordt degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn daarvan op de hoogte gesteld door middel van een kennisgeving. Tot tien dagen na die kennisgeving worden de inlichtingen nog niet aan het desbetreffende buitenland verstrekt. In die periode kan door middel van een voorlopige voorzieningsprocedure de uitwisseling worden geschorst. Deze kennisgevingsprocedure wordt per 1 januari 2014 afgeschaft voor verzoeken om inlichtingen vanaf die datum. Eenzelfde wijziging zal voor de BES-eilanden gelden.

Fraudeaanpak toeslagen en fiscaliteit

De grootschalige fraude bij toeslagen heeft geleid tot een aantal voorstellen om dergelijke fraude beter te kunnen bestrijden. De meeste maatregelen zien op de Belastingdienst/Toeslagen. Voor de fiscaliteit worden de volgende maatregelen voorgesteld:

  • Nieuwe boetebepaling voor het doen van een onjuiste aanvraag voor een voorlopige teruggaaf of een onjuist verzoek om herziening
    Vanaf 1 januari 2014 zal het opzettelijk doen van een onjuist verzoek om herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting een beboetbaar feit vormen. Dit geldt ook voor het opzettelijk doen van een onjuiste aanvraag om een voorlopige teruggaaf (inkomstenbelasting). Deze boete zal maximaal 100% bedragen van het als gevolg van de onjuiste inlichtingen ten onrechte teruggegeven of niet-betaalde bedrag aan belasting.
  • Nieuwe strafbepaling wegens het opzettelijk niet betalen van aangiftebelastingen
    Vanaf 1 januari 2014 wordt het mogelijk dat belastingplichtigen strafrechtelijk worden vervolgd als zij voor aangiftebelastingen, zoals de omzetbelasting of de loonbelasting, wel de juiste aangifte doen maar opzettelijk de belasting niet betalen. Dit kan op dit moment wel via een fiscale boete worden beboet, maar niet strafrechtelijk worden vervolgd.

Invorderingsmaatregelen

  • De vervreemding of verpanding van vorderingen op de Belastingdienst tot uitbet