Op 10 oktober 2017 hebben de VVD, het CDA, D66 en ChristenUnie, als resultaat van de gevoerde coalitiebesprekingen, het regeerakkoord 'Vertrouwen in de toekomst' gepresenteerd. Hierin worden de maatregelen beschreven die het nieuwe kabinet van plan is door te voeren. Hieronder staan wij kort stil bij de voorgenomen fiscale maatregelen voor zover die nu bekend zijn.

Dit akkoord, dat in beginsel de periode 2017 tot en met 2021 beslaat, vervangt niet de wetsvoorstellen van het pakket Belastingplan 2018. Enkele maatregelen van het akkoord leiden wel tot aanpassingen van of aanvullingen op het Belastingplan. Voor de meeste maatregelen geldt echter dat pas in een later stadium – in veel gevallen pas volgend jaar – uit wetsvoorstellen moet blijken hoe daaraan concreet vorm wordt gegeven. Veel van de hieronder genoemde maatregelen moeten in 2019 ingaan. Wanneer een andere verwachte ingangsdatum geldt, wordt dit separaat vermeld.

Verlaging tarieven vennootschapsbelasting

De vennootschapsbelasting gaat stapsgewijs omlaag: beide tarieven dalen met ingang van 2019 in drie stappen met in totaal 4%. Het reguliere tarief gaat van 25% naar uiteindelijk 21% in 2021 en het verlaagde tarief voor winst tot € 200.000 van 20% naar uiteindelijk 16% in 2021. Het nieuwe kabinet wil het fiscale vestigingsklimaat in Nederland op die manier concurrerend houden. De stapsgewijze verlenging van de eerste schijf van € 200.000 naar € 350.000 in 2021 die reeds was aangenomen, wordt teruggedraaid.

Beperking renteaftrek vennootschapsbelasting

Tegenover de tariefsverlaging in de vennootschapsbelasting staat vanaf 2019 een grondslagverbreding. De renteaftrek wordt verder ingeperkt. Onderdeel van de Anti-Tax Avoidance Directive (‘ATAD’) is een generieke renteaftrekbeperking in de vorm van een earnings-strippingmaatregel. Rente is niet langer aftrekbaar voor zover het saldo van verschuldigde en ontvangen (groeps- en derden)rente meer bedraagt dan maximaal 30% van het brutobedrijfsresultaat (‘EBITDA’: ‘earnings before interest, taxes, depreciation and amortization’). Gekozen is voor een drempel van € 1 miljoen rente; er wordt geen gebruik gemaakt van de in de richtlijn geboden mogelijkheid tot een groepsescape. Enkele bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen worden afgeschaft (met uitzondering van de specifieke renteaftrekbeperking gericht tegen winstdrainage).

Omdat banken doorgaans per saldo rente ontvangen, worden zij niet geraakt door een earnings-strippingmaatregel. Voor banken en verzekeraars wordt echter een generieke minimumkapitaalregel (‘thincap-regel’) ingevoerd die renteaftrek over vreemd vermogen boven 92% van het commerciële balanstotaal beperkt.

Versoberen verliesverrekening

Momenteel is een verlies in de vennootschapsbelasting verrekenbaar met de winst van het voorafgaande jaar (‘carry-back’) of de negen jaren daarna (‘carry-forward’). De carry-forward wordt beperkt tot zes jaar. In het regeerakkoord wordt in dit kader alleen verwezen naar de vennootschapsbelasting en dus niet naar de verliesverrekening in de inkomstenbelasting. Het regeerakkoord vermeldt op dit punt geen expliciete ingangsdatum, wel wordt pas vanaf 2028 een opbrengst verwacht.

Effectief tarief innovatiebox naar 7%

De innovatiebox is een grondslagversmallend instrument in de vennootschapsbelasting met als uitkomst een effectief tarief van 5%. Dat wordt vanaf 2018 verhoogd naar effectief 7%.

Beperking afschrijving gebouw in eigen gebruik

In de vennootschapsbelasting kan een gebouw in eigen gebruik vanaf 2019 nog maar worden afgeschreven tot maximaal 100% van de WOZ-waarde (was 50%). In het regeerakkoord wordt in dit kader alleen verwezen naar de vennootschapsbelasting en dus niet naar de afschrijving in de inkomstenbelasting.

Gedeeltelijke afschaffing dividendbelasting

De dividendbelasting wordt afgeschaft, met uitzondering van misbruiksituaties en in het geval van uitkeringen naar ‘low tax jurisdictions’. Zie voor meer informatie onze aparte (Engelstalige) berichtgeving hierover.

Invoeren gedeeltelijke bronheffing op rente en royalty’s

In verband met het afschaffen van de dividendbelasting komt er – naar verwachting vanaf 2023 – een bronheffing op rente en royalty’s naar low tax jurisdictions. Zie voor meer informatie onze aparte (Engelstalige) berichtgeving hierover.

Geen directe beleggingen in vastgoed meer door fiscale beleggingsinstellingen

Directe beleggingen in vastgoed door fiscale beleggingsinstellingen (‘fbi’s’) zijn vanaf 2020 niet meer toegestaan in verband met het afschaffen van de dividendbelasting.

Tweeschijvenstelsel box 1

Er komt in box 1 een tweeschijvenstelsel met een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%. Net zoals in de huidige situatie betalen AOW-gerechtigden geen AOW-premie, waardoor voor deze groep drie schijven blijven bestaan. Het eindpunt van de huidige derde schijf (de eerste schijf in de nieuwe tariefstructuur) wordt gedurende de kabinetsperiode bevroren op het niveau van 2018. Dit betekent dat deze schijf eindigt op circa € 68.600.

Alle aftrekposten in box 1 geleidelijk naar basistarief

In 2020 wordt het tarief waartegen kosten in box 1 aftrekbaar zijn voor alle aftrekposten gelijkgetrokken met het dan geldende aftrektarief van de hypotheekrente en wordt het met 3%-punt per jaar naar het basistarief afgebouwd. Het aftrektarief komt in 2021 op 43% uit.

Maatregelen eigen woning

De hypotheekrenteaftrek wordt vanaf 2020 versneld afgebouwd. Nu gaat de afbouw van de aftrek in de hoogste schijf in box 1 nog met stapjes van 0,5% per jaar. Vanaf 2020 wordt de aftrek in vier stappen van 3% verlaagd naar 36,93%, het nieuwe basistarief in box 1. Huizenbezitters zullen hiervoor via een verlaging van het eigenwoningforfait worden gecompenseerd. Dit gaat van 0,75 naar 0,6%, maar blijft wél belast tegen het marginale tarief. De aftrek wegens geen of een geringe eigenwoningschuld (‘Hillenaftrek’) wordt in dertig jaar met gelijke stappen afgebouwd (in het regeerakkoord staat twintig jaar, maar de vier fractievoorzitters hebben afgesproken dat deze termijn wordt verlengd naar dertig jaar). Het hoge eigenwoningforfait van 2,35% dat wordt berekend over de WOZ-waarde voor zover die meer dan € 1.060.000 (2017) bedraagt, lijkt vooralsnog in stand te blijven.

Verhoging box 2-tarief

Vanwege de tariefsverlaging in de vennootschapsbelasting wordt het box 2-tarief in de inkomstenbelasting verhoogd naar 27,3% in 2020 en 28,5% vanaf 2021.

Box 3-heffing omlaag

De heffing over inkomen uit sparen en beleggen in box 3 gaat omlaag. Het heffingvrije vermogen wordt verhoogd van € 25.000 tot € 30.000 (€ 60.000 voor partners). Ook wil het nieuwe kabinet binnen de huidige systematiek (gemiddeld) sneller aansluiten bij het werkelijke rendement door voor het rendement over het spaargedeelte gebruik te maken van actuelere cijfers.

Beperking looptijd 30%-regeling

De looptijd van de 30%-regeling wordt met ingang van 2019 verkort van acht naar vijf jaar. Het is op dit moment onduidelijk of er een overgangsregeling komt.

Maatregelen IB-ondernemers/zzp’ers

De zelfstandigenaftrek voor ondernemers in de inkomstenbelasting wordt beperkt omdat deze, net als andere aftrekposten in box 1, uiteindelijk slechts tegen het nieuwe basistarief in box 1 van 36,93% kan worden vergolden.

De omstreden Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (‘Wet DBA’) wordt teruggedraaid. In plaats daarvan komt er een opdrachtgeversverklaring waarin de relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer wordt neergelegd. Voor zzp’ers wordt bepaald dat altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst bij een laag tarief in combinatie met een langere duur van de overeenkomst of een laag tarief in combinatie met het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Wat een laag tarief is, wordt gedefinieerd als corresponderend met loonkosten tot 125% van het wettelijk minimumloon en zal liggen tussen de € 15 en € 18 per uur. Een langere duur wordt gedefinieerd als langer dan drie maanden. Aan de bovenkant van de markt wordt voor zelfstandige ondernemers een ‘opt-out’ voor de loonbelasting en de werknemersverzekeringen ingevoerd indien sprake is van een hoog tarief (volgens het nieuwe kabinet: boven € 75 per uur) in combinatie met een kortere duur van de overeenkomst of een hoog tarief in combinatie met het niet verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Een kortere duur wordt gedefinieerd als korter dan een jaar. Het huidige handhavingsmoratorium wordt na invoering van de bovenstaande maatregelen gefaseerd afgebouwd. Na invoering van de nieuwe wetgeving geldt maximaal een jaar een terughoudend handhavingsbeleid (onder andere geen boetes na eerste controle).

Lage btw-tarief van 6 naar 9%

Het lage btw-tarief gaat vanaf 2019 van 6 naar 9%. Het lage btw-tarief geldt voor veel van de eerste levensbehoeften, maar bijvoorbeeld ook voor diensten verleend door de kapper en de schoenmaker. Het hoge btw-tarief blijft 21%.

Herziening van het pensioenstelsel

Het pensioenonderdeel in het regeerakkoord ziet op de verplicht gestelde bedrijfstak- en beroepspensioenregelingen. Daarvoor geldt nu de systematiek dat de premie een percentage van de loonsom bedraagt, ongeacht de leeftijd van de deelnemer (‘doorsneepremie’). Dit is in het voordeel van oudere deelnemers en dat wordt niet meer van deze tijd geacht. Het kabinet wil het hele pensioenstelsel hervormen in de richting van een meer persoonlijk pensioenvermogen. Aan de principes van verplichtstelling, collectieve uitvoering, risicodeling, fiscale facilitering wordt echter (vooralsnog) niet getornd. De kosten van de omvorming moeten evenwichtig worden verdeeld over de verschillende generaties deelnemers. De overstap naar deze nieuwe manier van pensioenopbouw kan ten dele worden gefinancierd door een verruiming van de fiscale kaders, mits dit geen effect heeft op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op de lange termijn.

Het nieuwe stelsel mag niet in strijd komen met EU-recht, maar het kabinet staat afwijzend tegen extra Europese regels die afbreuk doen aan de nationale bevoegdheden. In het kader van meer keuzevrijheid voor de deelnemer wordt overwogen om een beperkte afkoopmogelijkheid op de pensioendatum toe te staan. Er wordt naar gestreefd om begin 2018 consensus op hoofdlijnen te hebben. In 2020 zou het flankerende wetgevingsproces moeten worden afgerond, waarna de implementatieperiode zou kunnen starten. Pensioenfondsen kunnen overigens niet worden gedwongen om over te stappen naar het nieuwe stelsel. De sociale partners bepalen wat er uiteindelijk gebeurt.

Overige fiscale maatregelen

  • De algemene heffingskorting wordt verhoogd met circa € 350 in 2021.
  • De arbeidskorting wordt verhoogd zodat het maximum circa € 365 hoger ligt en vervolgens sneller afgebouwd, het afbouwpercentage wordt 6%.
  • De ouderenkorting wordt verhoogd met circa € 160 en tegelijkertijd wordt er een geleidelijke inkomensafhankelijke afbouw geïntroduceerd in plaats van de huidige harde afbouwgrens. De afbouw gaat met 15%.
  • Naar aanleiding van de ‘Panama Papers’ wordt de informatiepositie en de opsporingscapaciteit van de Belastingdienst versterkt en komt er meer transparantie.
  • Er komt een kilometerheffing voor vrachtwagens.
  • De BPM-teruggaaf op taxi’s wordt afgeschaft.
  • Invoering van een vlieg(ticket)belasting in 2021 wordt als mogelijkheid overwogen als Europese afspraken over belastingen op luchtvaart in het kader van klimaatdoelen van ‘Parijs’ onvoldoende opleveren.
  • De onbelaste vrijwilligersvergoeding van maximaal € 1.500 per kalenderjaar wordt met € 200 verhoogd.
  • De verhuurderheffing wordt verlaagd voor corporaties afhankelijk van de omvang van hun investeren in verduurzaming van hun woningvoorraad.
  • De belasting op aardgas gaat omhoog en die op elektriciteit omlaag.
  • Er komt een hogere belasting op het verbranden van afval.
  • Het nieuwe kabinet wil bedrijven stimuleren zo groen mogelijk te produceren door middel van de invoering van een nieuwe CO2-belasting. Dit wordt verder uitgewerkt in een nieuw Energieakkoord.
  • De tabaksaccijns gaat omhoog.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat