Het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) heeft op 16 juli 2015 uitspraak gedaan in de gevoegde zaken Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrts. Deze zaken gaan over de btw-aftrekpositie van houdstermaatschappijen en de voorwaarden voor de ‘fiscale eenheid btw’. Het HvJ oordeelt dat een moeiende houdster die tegen vergoeding met btw belaste prestaties verricht, recht heeft op aftrek van de btw op de acquisitiekosten. Het betreft hier kosten die zij maakt in verband met het aantrekken van kapitaal ter verwerving van deelnemingen in dochterondernemingen. Verder meent het HvJ dat ook entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid in een fiscale eenheid btw kunnen worden opgenomen.

Casus

De feiten zijn vereenvoudigd weergegeven als volgt: Larentia + Minerva mbH & Co. KG (hierna: Larentia) is een naar Duits recht opgerichte personenvennootschap (entiteit zonder rechtspersoonlijkheid). Larentia bezit twee deelnemingen, waarvoor zij tegen vergoeding administratieve en commerciële diensten verricht. De deelnemingen houden zich bezig met de exploitatie van volcontainerschepen. Met het oog op het verwerven van een aantal nieuwe deelnemingen maakt Larentia kosten waarop btw drukt. De btw op deze kosten bedraagt ruim € 760.000, terwijl de omzet voor met btw belaste diensten in het eerste jaar veel lager is. De feiten in de tweede procedure zijn grotendeels hetzelfde. Marenave Schiffahrts AG (hierna: Marenave) maakt kosten voor een aandelenuitgifte (het btw-bedrag is ruim € 373.000). In het desbetreffende jaar ontving zij een kleine vergoeding voor bestuursdiensten aan haar deelnemingen. Beide belastingplichtigen nemen de btw op de kosten ter zake van de verwerving van de deelnemingen en de beursgang in aftrek. De Duitse belastingdienst weigert in beide zaken de btw-aftrek gedeeltelijk, omdat de kosten die zien op het ophalen van kapitaal en de beursgang naar zijn mening deels toerekenbaar zijn aan ‘niet-economische activiteiten’ van de houdster, namelijk het houden van aandelen.

Vragen

De nationale Duitse rechter stelt, vereenvoudigd weergegeven, de volgende vragen aan het HvJ:

  • Hebben Larentia en Marenave terecht btw in aftrek gebracht op de gemaakte kosten inzake het ophalen van kapitaal en de beursgang?
  • Kunnen entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid in een fiscale eenheid btw worden opgenomen?
  • Kan een belastingplichtige een rechtstreeks beroep doen op de fiscale eenheidsbepaling uit de btw-richtlijn?

Beslissing Hof van Justitie

In de beslissing van het HvJ kunnen vele (technische) aspecten worden onderkend. Wij beperken ons hierna echter tot een viertal daarvan.

a) Bij actief houden aandelen volledige btw-aftrek

Het HvJ oordeelt in lijn met eerdere rechtspraak dat een actieve houdster die zich mengt in het beheer van haar dochterondernemingen recht heeft op aftrek van btw wanneer zij kosten maakt ter verwerving van een deelneming. Deze kosten kwalificeren als algemene kosten van de vennootschap en hebben een onmiddellijke en rechtstreekse samenhang met de totale bedrijfsactiviteit van de houdster. Hiermee wordt opnieuw bevestigd dat het houden van een deelneming waarin tegen vergoeding wordt gemoeid, geen btw-aftrekbeperking teweegbrengt. Een btw-aftrekbeperking kan hooguit van toepassing zijn indien de houdster naast met btw belaste prestaties ook van btw vrijgestelde handelingen verricht. Deze beslissing van het HvJ strookt naar onze mening met de huidige Nederlandse praktijk, alsook met de achterliggende gedachte van de zogenoemde holdingresolutie (18 februari 1991, VB91/347).

b) Bij passief houden aandelen mogelijk wel btw-aftrekbeperking

Hoewel Larentia en Marenave alleen deelnemingen hadden waarin zij moeiden, bespreekt het HvJ tevens de situatie waarin de houdster ook passief deelnemingen houdt. Op kosten die mede betrekking hebben op die passieve deelnemingen geldt volgens het HvJ mogelijk wel een aftrekbeperking (‘pre pro rata’). Het HvJ stelt dat het aan de nationale autoriteiten van lidstaten van de Europese Unie (hierna: EU) is om aanwijzingen te geven voor de berekening daarvan. In Nederland is hieraan uitvoering gegeven in het besluit aftrek van omzetbelasting (25 november 2011, nr. BLKB 2011/641M, hierna: besluit). Dit besluit beschrijft algemene regels voor het recht op btw-aftrek bij ondernemers die economische en niet-economische handelingen verrichten.

Deze situatie – meerdere deelnemingen, met en zonder bemoeienis van de houdster – geeft ook in de Nederlandse praktijk aanleiding tot discussie met de Belastingdienst. Naar onze mening is het in bepaalde situaties echter nog steeds verdedigbaar dat het passief houden van aandelen geen invloed heeft op het btw-aftrekrecht van een actieve houdster, ofwel op grond van de huidige holdingresolutie ofwel op andere gronden. Bijvoorbeeld als het houden van aandelen het verlengstuk is van de economische activiteiten van die houdster. Hiervan kan onder meer sprake zijn als het houden van de aandelen rechtstreeks samenhangt met de wijze waarop de activiteiten van het concern zijn georganiseerd en juridisch gestructureerd, of zo nauw verbonden is met de belaste activiteiten van de houdster voor andere deelnemingen, dat bij elkaar genomen slechts sprake is van één economische handeling. Hierbij valt te denken aan een holding die een deelneming houdt vanuit bedrijfsstrategische overwegingen en niet als een belegging.

Indien in bepaalde situaties wel een btw-aftrekbeperking geldt, is in Nederland nog steeds onzeker op welke wijze de voorbelasting moet worden gesplitst, aangezien het besluit slechts algemene regels bevat. Dit dient dus van geval tot geval met de Belastingdienst te worden afgestemd.

c) Relatie tussen kosten en omzet?

In beide zaken zijn de kosten in het jaar van verwerving van de deelnemingen en van de beursgang aanzienlijk hoger dan de met btw belaste omzet. Hoewel het HvJ niet expliciet ingaat op de hoogte van de kosten in relatie tot de hoogte van de omzet, lijkt het HvJ niettemin van mening te zijn dat de kosten in beide zaken kunnen worden aangemerkt als algemene kosten. Dit is op zich een belangrijk aspect, omdat de Nederlandse Belastingdienst in de praktijk geneigd is de omvang van de kosten te vergelijken met de hoogte van de omzet. Als de kosten niet, of slechts gedeeltelijk, in de omzet worden doorberekend, wordt door de Belastingdienst in een houdstercontext al snel een btw aftrekbeperking voorgestaan.

d) Voorwaarden fiscale eenheid btw en rechtstreekse werking

Ten aanzien van de toepassing van de fiscale eenheid btw kent de Duitse regelgeving een aantal voorwaarden: (1) entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid zijn uitgesloten van opname in een fiscale eenheid btw en (2) voor opname in een fiscale eenheid btw is een hiërarchische verhouding vereist tussen de onderdelen van de groep. Het HvJ meent dat deze voorwaarden in strijd zijn met de Europese btw-richtlijn (hoewel de zaak wordt gewezen onder de Zesde richtlijn, de voorloper van de Europese btw-richtlijn, zijn op dit punt geen wijzigingen beoogd). Dit is slechts anders indien deze voorwaarden nodig zijn om misbruik te voorkomen of fraude te bestrijden. In Nederland kunnen entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid deel uitmaken van een fiscale eenheid btw, waardoor dit punt geen impact heeft op de Nederlandse praktijk.

Het HvJ beslist tot slot dat de fiscale eenheidsbepaling uit de Europese btw-richtlijn geen rechtstreekse werking heeft, omdat deze bepaling voorwaarden kent waarbij het aan de lidstaten wordt overgelaten om die te concretiseren. Dit betekent dat belastingplichtigen zich er niet tegenover hun lidstaat op kunnen beroepen ingeval de wetgeving van hun lidstaat niet verenigbaar is met deze regeling.

Wat kunt u nu doen?

Dit arrest van het HvJ ligt behoorlijk in lijn met de reeds bestaande praktijk in Nederland. Dit is niet in alle EU-lidstaten het geval, waardoor de impact voor houdsters in sommige lidstaten (bijv. Duitsland en het Verenigd Koninkrijk) aanzienlijk kan zijn. Het is dan ook raadzaam om de btw-positie van uw holdingstructuur binnen Nederland of in overige EU-lidstaten nader te bezien. Indien u op dit moment in discussie bent met de Nederlandse Belastingdienst en er zijn of worden naheffingsaanslagen opgelegd, dan adviseren wij u ter behoud van rechten bezwaar aan te tekenen. Verwacht u binnenkort kosten te gaan maken in verband met een geplande beursgang, aandelenuitgifte of overweegt u anderszins een herstructurering, dan adviseren wij u tijdig advies in te winnen over de btw-gevolgen. Uiteraard kunnen de adviseurs van de Indirect Tax Group van Meijburg & Co u in deze problematiek verder assisteren. Neemt u gerust contact op met een van hen of met uw gebruikelijke adviseur.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat