Op 4 maart 2016 heeft de Hoge Raad einduitspraak gedaan in de zaken Miljoen, X en Société Générale. Deze zaken gaan over de heffing van dividendbelasting van buitenlandse aandeelhouders. Drie buitenlandse aandeelhouders (twee Belgische particulieren en een Franse bank) hebben bezwaar gemaakt tegen de heffing van dividendbelasting in Nederland. Zij zijn van mening dat zij op het door hen ontvangen dividend door Nederland zwaarder zijn belast dan een met hen vergelijkbare inwoner van Nederland voor hetzelfde dividend in Nederland zou zijn belast. Eind 2013 heeft de Hoge Raad in deze zaken prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU), waarop het HvJ EU in september 2015 heeft beslist. Hieronder gaan wij in op de einduitspraak van de Hoge Raad – volgend op het oordeel van het HvJ EU.

Achtergrond

De zaken gaan over de heffing van Nederlandse dividendbelasting over dividenden uitgekeerd aan twee Belgische particulieren (Miljoen en X) en een Franse vennootschap (Société Générale), die allen een portfolio aandelenbezit houden in een Nederlandse vennootschap. Aan de orde is of de heffing van dividendbelasting leidt tot een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal. Het tarief van de dividendbelasting is weliswaar hetzelfde voor niet-ingezetenen als voor ingezetenen, maar voor niet-ingezetenen vormt de dividendbelasting een eindheffing en ingezetenen kunnen deze verrekenen met de van hen geheven inkomsten- of vennootschapsbelasting.

Op 20 december 2013 stelde de Hoge Raad het HvJ EU hier vragen over. Het HvJ EU oordeelde op 17 september 2015 dat, bij de vergelijking van de fiscale behandeling van ingezeten en niet-ingezeten aandeelhouders, de vennootschapsbelasting/ inkomstenbelasting betaald door ingezeten aandeelhouders in de vergelijking moet worden betrokken. De uiteindelijke belastingdruk in beide situaties moet dus worden vergeleken. Voorts heeft het HvJ EU grotendeels aangeven hoe die vergelijking moet geschieden en of een eventueel discriminerende bronheffing kan worden geneutraliseerd door verrekening of aftrek van deze bronheffing in de woonstaat. Voor een uitgebreidere beschrijving van het oordeel van het HvJ EU verwijzen wij naar ons (Engelstalig) bericht hierover.

Einduitspraak Hoge Raad

In de zaken over de Belgische particulieren oordeelt de Hoge Raad als volgt. Voor de vergelijking van de belastingdruk voor niet-ingezeten belastingplichtige natuurlijke personen met de belastingdruk voor ingezeten belastingplichtige natuurlijke personen moet volgens het HvJ EU een referentietijdvak van een kalenderjaar in aanmerking worden genomen. Daarbij moeten de aandelen in Nederlandse vennootschappen in zijn geheel in de beschouwing worden betrokken en moet rekening worden gehouden met het heffingvrije vermogen. Voor wat betreft de vraag in hoeverre rekening moet worden gehouden met het heffingvrije vermogen, leidt de Hoge Raad uit het oordeel van het HvJ EU af dat een vergelijking moet worden gemaakt met een ingezeten belastingplichtige wiens vermogen zou bestaan uit de door de door de niet-ingezeten belastingplichtige gehouden aandelen. Dat laatste leidt er dus toe dat bij de vergelijking het volledige heffingvrije vermogen in aftrek kan worden gebracht. Dit hoeft dus niet pro rata te worden verdeeld over het aandelenbezit en het overige vermogen van de niet-ingezetene belastingplichtige, zoals A-G Wattel in zijn nadere conclusie bij deze zaken betoogde.

Op basis van deze wijze van vergelijking van de belastingdruk van de Belgische particulier Miljoen met die van een ingezetene ontvangt hij geen teruggaaf. De van hem in het onderhavige jaar 2007 geheven dividendbelasting is namelijk minder dan de box 3 belasting die een inwoner in hetzelfde kalenderjaar over de totale waarde van het aandelenbezit minus het heffingvrije vermogen zou zijn verschuldigd. Voor de Belgische particulier X ligt de effectieve belastingdruk volgens deze wijze van vergelijking echter wel hoger, zodat in deze zaak sprake is van een schending van de vrijheid van kapitaalverkeer en een teruggave van dividendbelasting moet worden verleend.

In de zaak over de Franse vennootschap, Société Générale, oordeelt de Hoge Raad als volgt. Volgens het HvJ EU moet bij de vergelijking van de belastingdruk voor niet-ingezeten vennootschappen met die van ingezeten vennootschappen slechts rekening worden gehouden met de kosten die rechtstreeks verband houden met de inning als zodanig van de dividenden. Gelet daarop heeft de Rechtbank volgens de Hoge Raad terecht een eventueel meegekocht dividend en de financieringslasten met betrekking tot het aandelenbezit niet tot die kosten gerekend. Daarvan uitgaande is in cassatie voorts niet in geschil dat de belastingdruk van Société Générale in 2008 niet hoger was dan die van een ingezeten vennootschap. Er is dus geen sprake van een schending van het vrije verkeer van kapitaal.

Commentaar Meijburg & Co

Het oordeel van de Hoge Raad is gunstig voor buitenlandse particulieren met aandelen in Nederlandse vennootschappen. Bij de vergelijking van de belastingdruk met een ingezetene kan immers het volledige heffingvrije vermogen in aftrek worden gebracht. Dit hoeft dus niet pro rata te worden toegerekend aan het aandelenbezit en het overige vermogen.

Bij de vergelijking van de belastingdruk van een niet-ingezeten vennootschap met die van een ingezeten vennootschap wordt echter rekening gehouden met een zeer beperkte hoeveelheid kosten. Daarom verwachten wij dat de gevallen waarin buitenlandse vennootschappen een teruggaaf krijgen beperkt zijn.

In zijn brief aan de Tweede Kamer van 9 oktober 2015 heeft de staatssecretaris van Financiën aangekondigd dat hij na het arrest, vooruitlopend op een wetswijziging, met een beleidsbesluit zal komen waarin voor de praktijk helderheid zal worden geboden omtrent de toepassing van de vergelijkingsmaatstaf.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat