Op 13 november 2014 heeft de advocaat-generaal van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) conclusie gewezen met betrekking tot de vraag of de 150-kilometergrens in de 30%-regeling strijdig is met het Europees recht (EU-recht). De advocaat-generaal is van oordeel dat hiervan geen sprake is als in de overgrote meerderheid van de gevallen de desbetreffende werknemers dagelijks op en neer kunnen pendelen tussen hun buitenlandse woning en de werkplek in Nederland.

De 150-kilometergrens in de 30%-regeling

Vanuit het buitenland ingekomen werknemers met een specifieke deskundigheid die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt komen onder voorwaarden in aanmerking voor een fiscale faciliteit: de 30% regeling. Als deze van toepassing is, mag 30% van het loon van de werknemer worden uitbetaald als een onbelaste vergoeding voor extraterritoriale kosten (de extra kosten die betrekking hebben op het tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst). De resterende 70% wordt als loon in de belastingheffing betrokken.

Sinds 1 januari 2012 komen uitsluitend werknemers die in meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaande aan de aanvang van de tewerkstelling of uitzending woonachtig waren op een afstand van meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens, in aanmerking voor de 30% regeling.

Procedures over strijdigheid maatregel met EU-recht

Hierover worden momenteel juridische procedures gevoerd, waarbij de belanghebbenden het standpunt hebben ingenomen dat de 150-kilometergrens in strijd is met het EU-recht. Zij zijn van mening dat werknemers die binnen 150 kilometer van de Nederlandse grens woonachtig waren en derhalve niet in aanmerking komen voor de 30%-regeling worden gediscrimineerd en dat sprake is van een verboden belemmering van het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie. In eerste aanleg vonden de rechtbank en vervolgens de advocaat-generaal echter dat geen sprake was van discriminatie, onder meer omdat (in de visie van rechtbank en advocaat-generaal) werknemers uit de grensstreek zodanig dicht bij hun werk wonen dat zij gemakkelijk tussen woonplaats en werkplek op en neer kunnen reizen en derhalve geen of weinig extraterritoriale kosten zullen maken.

Procedure bij het HvJ EU

De Hoge Raad heeft deze zaak in 2013 verwezen naar het HvJ EU. Dat dient te beoordelen of de 150-kilometergrens strijdig is met EU-recht en, indien dat het geval is, of sprake is van een rechtvaardigingsgrond, dat wil zeggen: een reden van algemeen belang die een verschillende behandeling van gelijke gevallen rechtvaardigt. De advocaat-generaal heeft in haar advies aan het HvJ EU geoordeeld dat geen sprake is van schending van het EU-recht als:

  1. in de overgrote meerderheid van de gevallen de desbetreffende werknemers dagelijks op en neer kunnen pendelen tussen hun buitenlandse woning en de werkplek in Nederland, en
  2. deze werknemers geen extraterritoriale kosten maken.

De Nederlandse rechter zal – indien het HvJ EU deze conclusie overneemt – moeten vaststellen of hiervan sprake is. Het arrest van het HvJ EU zal naar verwachting in het eerste halfjaar van 2015 verschijnen.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat