1. Geschilpunten btw-koepelvrijstelling

De btw-koepelvrijstelling geldt voor:

  • diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen;
  • die een activiteit uitoefenen welke is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn;
  • teneinde aan hun leden de diensten te verlenen die direct nodig zijn voor de uitoefening van voornoemde activiteit;
  • wanneer die groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven;
  • mits deze vrijstelling niet tot verstoring van de mededinging kan leiden.

Voor een samenvatting van de feiten en het procesverloop, verwijzen wij naar onze eerdere nieuwsberichten over de conclusies van de advocaat-generaal (‘A-G’) van het HvJ in de zaken DNB Banka, Aviva en in de inbreukprocedure van de Europese Commissie tegen Duitsland.

De nationale rechters hebben het HvJ in bovengenoemde zaken verzocht uitspraak te doen over de volgende geschilpunten:

  • toepassing van de btw-koepelvrijstelling in grensoverschrijdende situaties;
  • de uitleg van het begrip ‘zelfstandige groepering van personen’ (‘koepelorganisatie’);
  • de impact van transfer pricing correcties op de toepassing van de btw-koepelvrijstelling;
  • inperking van de btw-koepelvrijstelling tot bepaalde sectoren;
  • de uitleg van het criterium dat de btw-koepelvrijstelling niet tot een verstoring van de mededinging kan leiden.

2. HvJ-uitspraken

Hieronder hebben wij de belangrijkste overwegingen van het HvJ in bovengenoemde uitspraken uiteengezet.

Geen toepassing van de btw-koepelvrijstelling in de financiële en verzekeringssector

Het HvJ oordeelt dat de btw-koepelvrijstelling niet geldt voor de financiële en verzekeringssector. Dit volgt niet direct uit de tekst van de btw-vrijstellingsbepaling. Uit de context en het doel van deze bepaling volgt naar het oordeel van het HvJ echter dat de btw-koepelvrijstelling slechts geldt voor koepelorganisaties met leden die activiteiten van ‘algemeen belang’ als bedoeld in artikel 132 Btw-richtlijn uitoefenen. De algemene regel dat btw-vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, onderstreept deze beperking volgens het HvJ.

Uit de dossierstukken heeft het HvJ opgemaakt dat bepaalde EU lidstaten - op basis van het eerdere HvJ-arrest van 20 november 2003 in de zaak Taksatorringen (nr. C-8/01) - de btw-koepelvrijstelling ook toestaan in de financiële en verzekeringssector. Deze zaak had betrekking op een koepelorganisatie met verzekeraars als leden, en betrof de uitlegging van het mededingingscriterium. In dat kader overweegt het HvJ dat belastingautoriteiten:

  • definitief afgesloten tijdvakken niet kunnen heropenen op basis van bovenstaande beperkte(re) uitleg door het HvJ;
  • de btw-koepelvrijstelling niet mogen weigeren voor openstaande tijdvakken op basis van een rechtstreeks beroep op (bovenstaande uitleg door het HvJ van) de Btw-richtlijn, omdat een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan belastingplichtigen kan opleggen.

Bovendien dienen nationale rechters bij een zogenoemde ‘richtlijnconforme uitleg’ van de btw-koepelvrijstelling in hun nationale wetgeving, de algemene beginselen van het Unierecht, zoals het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, te eerbiedigen.

Inperking tot bepaalde sectoren en het mededingingscriterium

Het HvJ oordeelt dat de btw-koepelvrijstelling niet in algemene zin mag worden ingeperkt tot bepaalde beroepsgroepen van ‘algemeen belang’. De inperking van de btw-koepelvrijstelling tot gezondheidskundige beroepsgroepen in de Duitse nationale btw-wetgeving is derhalve niet in overeenstemming met de Btw-richtlijn.

Bovengenoemde inperking van de btw-koepelvrijstelling in de Duitse nationale btw-wetgeving kan naar het oordeel van het HvJ evenmin worden gerechtvaardigd op basis van het vereiste dat de btw-koepelvrijstelling niet tot een verstoring van de mededinging kan leiden. Het HvJ lijkt ruimte te geven voor uitvoeringsregels met betrekking tot dit criterium, maar een beperking op algemene wijze is niet toegestaan. Bovendien heeft Duitsland het belang van een algemeen onderscheid tussen sectoren voor dit criterium niet voldoende aangetoond.

Overige geschilpunten

Gelet op het oordeel van het HvJ over het eerste geschilpunt, heeft het HvJ niet over de andere geschilpunten geoordeeld.

3. Belang voor de praktijk

In de financiële en verzekeringssector wordt de btw-koepelvrijstelling veelvuldig toegepast, zowel in Nederland als in andere EU-lidstaten. Het oordeel van het HvJ dat deze btw-vrijstelling niet geldt in de financiële en verzekeringssector is derhalve van groot belang.

Conform bovenstaand oordeel van het HvJ kan de toepassing van de Nederlandse btw-koepelvrijstelling in de financiële en verzekeringssector (mits is voldaan aan alle voorwaarden) naar onze mening niet worden gecorrigeerd voor het verleden. In de Nederlandse Wet op de omzetbelasting 1968 kan niet uit de context van de wettelijke bepaling (afdeling ‘Vrijstellingen’) worden afgeleid dat deze beperkt is tot koepelorganisaties van belastingplichtigen met activiteiten van algemeen belang. Bovendien geven de uitvoeringsregels aanwijzingen dat de btw-koepelvrijstelling in Nederland wel geldt in de financiële en verzekeringssector, bijvoorbeeld door de expliciete uitsluiting van schadewerkzaamheden in het kader van verzekeringen en werkzaamheden met betrekking tot pensioenadministratie. De vraag is of en in hoeverre dergelijke specifieke elementen van de Nederlandse btw-wetgeving en uitvoeringsregels, tot het moment van aanpassing hiervan, tevens bescherming bieden voor toekomstige tijdvakken. Daarnaast dient in individuele gevallen waarin de toepassing van de btw-koepelvrijstelling is afgestemd met de Belastingdienst rekening te worden gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Op 4 mei 2017 heeft het HvJ tevens uitspraak gedaan over de btw-koepelvrijstelling in de inbreukprocedure van de Europese Commissie tegen Luxemburg (nr. C-274/15). Naar aanleiding van dit HvJ-arrest heeft het ministerie van Financiën de verruimde toepassing van de btw-koepelvrijstelling bij samenwerkende gemeenten (met deels btw-belaste activiteiten) recent beëindigd.

Wij raden marktpartijen die geraakt worden door bovengenoemde uitspraken van het HvJ aan om de mogelijke gevolgen en eventuele alternatieven (zoals kosten voor gemene rekening) in kaart te brengen. Vanzelfsprekend helpen de adviseurs van de Indirect Tax Financial Services Group van Meijburg & Co u hier graag bij. Neemt u gerust contact op met een van hen, of met uw gebruikelijke adviseur.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat