Op 29 februari 2016 zijn prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) in de zaak MVM (C-28/16) over het btw-aftrekrecht van een moeiende topholding binnen een energieconcern. Het betreft een nog niet eerder behandelde situatie, waarin een vennootschap die actief een bedrijf uitoefent zich daarnaast moeit in het beheer van haar deelnemingen. Voor het moeien in de deelnemingen berekent de holding geen vergoeding. Deze zaak raakt de kern van de Nederlandse holdingresolutie – grof gezegd: ‘geen btw-aftrekbeperking voor de moeiende topholding binnen concernverband’ – en is daarom beslist van belang voor de Nederlandse praktijk.

Casus

MVM Magyar Villamos Művek Zrt. (hierna: MVM) exploiteert een elektriciteitsbedrijf en is tevens een holdingmaatschappij. Zij houdt zich bezig met de verhuur van elektriciteitscentrales en optische vezelnetwerken tegen vergoeding. MVM heeft daarnaast een aantal dochterondernemingen die zich hoofdzakelijk bezighouden met de opwekking, verkoop en transmissie van elektriciteit alsmede het bijbehorende netbeheer. MVM moeit zich in het beheer van deze vennootschappen, maar berekent voor haar rol als houdster geen vergoeding en reikt evenmin facturen uit voor de managementfunctie die zij uitoefent. In feite verricht zij de houdsteractiviteiten dus om niet.

MVM vormt samen met haar dochtermaatschappijen een zogenoemde erkende groep van ondernemingen op basis van de Hongaarse Wet op de handelsvennootschappen. Deze groep heeft geen afzonderlijke rechtspersoonlijkheid: elk lid behoudt zijn eigen rechtspersoonlijkheid. Om de bedrijfsdoelstellingen van de groep te kunnen verwezenlijken, wordt MVM aangesteld als controlerende onderneming zodat zij kan optreden als een strategische en centrale holding ten opzichte van haar deelnemingen. MVM koopt ten behoeve van de groep diverse juridische, bedrijfs- en reclamediensten in die zij gebruikt voor:

a)     haar eigen aan btw onderworpen activiteiten;

b)    de activiteiten van de deelnemingen;

c)     de activiteiten van de volledige groep.

MVM bestelt de diensten op eigen naam, betaalt de dienstverleners en trekt de op de facturen vermelde btw-bedragen af. De Hongaarse belastingdienst neemt echter het standpunt in dat MVM deze btw onrechtmatig in aftrek heeft gebracht. Daartoe voert deze kort gezegd aan dat het merendeel van de ingekochte dienstverlening niet direct toerekenbaar is aan de met btw belaste activiteiten van MVM zoals bedoeld onder a.

Prejudiciële vragen Hongaarse hooggerechtshof

Het Hongaarse hooggerechtshof is van mening dat het HvJ zich tot op heden nog niet heeft uitgesproken over het btw-aftrekrecht van een moeiende houdster die zich passief gedraagt door de kosten van ingekochte diensten niet door te berekenen. Het Hongaarse hooggerechtshof stelt het HvJ daarom de vraag of MVM kwalificeert als btw-ondernemer voor haar houdsteractiviteiten en of zij in dat kader een btw-aftrekrecht heeft.

Huidige Nederlandse praktijk en impact

Een holding die een materiële onderneming uitoefent met volledig met btw belaste prestaties en daarnaast deelnemingen houdt waarin zij actief moeit, zal in de huidige Nederlandse praktijk niet zo snel met een btw-aftrekbeperking te maken hebben. Dit geldt ook als voor die bemoeienis geen vergoeding wordt berekend. Veelal zal een dergelijke groep – al dan niet op grond van de holdingresolutie (18 februari 1991, nr. VB91/347) – als btw-fiscale eenheid kunnen worden aangemerkt. Daarnaast is het onder bepaalde bijzondere omstandigheden mogelijk met de Belastingdienst overeen te komen dat het actief houden van deelnemingen een verlengstuk vormt van de (met btw belaste) onderneming van de holding. Dergelijke situaties doen zich met name voor bij topholdings die een concern aansturen, waarbij de groepsmaatschappijen prestaties verrichten die aan btw zijn onderworpen.

Voor de holding die als btw-ondernemer kwalificeert maar die niet als topholding een concern aanstuurt (bijvoorbeeld een licentievennootschap), keurt de holdingresolutie in beginsel goed dat het additioneel houden van aandelen geen invloed heeft op het bestaande btw-aftrekrecht. Deze uitleg is echter met het voortschrijden van de Europese rechtspraak in onder andere de zaken Securenta (C-437/06) en Larentia + Minerva (C-108/14 en C-109/14) wel wat verschoven. De Belastingdienst eist voor dergelijke holdings tegenwoordig steeds vaker dat de btw betaald op inkopen wordt gesplitst in een aftrekbaar en een niet-aftrekbaar deel (de zogenoemde pre pro rata). Aanpassing van de holdingresolutie laat overigens al enige tijd op zich wachten en de vraag is of de uitkomst in deze zaak daar nog invloed op heeft.

Wat kunt u nu doen?

Op grond van het bovenstaande raden wij aan de btw-positie van holdings – gevestigd in Nederland en/of in andere lidstaten van de Europese Unie – nader te bezien of te monitoren. Indien u op dit moment in discussie bent met de Belastingdienst en naheffingsaanslagen zijn of worden opgelegd, dan adviseren wij u ter behoud van rechten bezwaar aan te tekenen onder verwijzing naar de zaak MVM (C-28/16). Mogelijk is het in voorkomende gevallen zinvol om de uitspraak van het HvJ in deze zaak af te wachten. Uiteraard kunnen de adviseurs van de Indirect Tax Group van Meijburg & Co u verder in deze problematiek assisteren. Neemt u gerust contact op met een van hen of met uw gebruikelijke adviseur.

Klik hier om het memorandum te openen in pdf-formaat