Casus

Belanghebbende is in het kader van een reorganisatie een sociaal plan overeengekomen met de vakbonden. Dit plan bevat ook een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling (hierna: de regeling). Werknemers die gebruikmaken van deze regeling ontvangen een vergoeding die gebaseerd is op de kantonrechtersformule, of zoveel minder als de inkomensderving tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd bedraagt. Daarbij is rekening gehouden met uitkeringsrechten waarop de werknemer aanspraak kan maken. 

De werkgever heeft de Belastingdienst verzocht om een beschikking waarbij de regeling niet wordt aangemerkt als een RVU. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen. Rechtbank en hof oordelen dat er geen sprake is van een RVU. De Hoge Raad overweegt dat voor de beoordeling of sprake is van een RVU doorslaggevend is of de uitkeringen en verstrekkingen bedoeld zijn ter overbrugging of aanvulling op het inkomen van de gewezen werknemer tot aan de pensioendatum. Dit betekent dat bij de beoordeling of een regeling een RVU is niet van belang zijn de:

  • beweegredenen van de inhoudingsplichtige om uitkeringen of verstrekkingen te doen;
  • intenties en keuzes van werknemers om voor de vertrekregeling te opteren;
  • feitelijke uitstroom van de werknemers;
  • hoogte van de feitelijk overeengekomen beëindigingsvergoedingen. 

Belang voor de praktijk

Als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad zal bij reorganisaties als gevolg waarvan personeel moet afvloeien en waar een remplaçanten- of plaatsmakersregeling deel van uitmaakt, niet snel sprake zijn van een RVU als deze regeling niet bedoeld is ter overbrugging of aanvulling op het inkomen van de gewezen werknemer tot aan pensioendatum.