Inhoud

Naar boven


1. Seminar “Succesvol grensoverschrijdend ondernemen” op 9 oktober 2014

Graag nodigen wij u uit voor het jaarlijks KPMG Belgium-Holland Desk seminar op 9 oktober 2014 in Salons De Groene Jager in Brasschaat. Tijdens dit seminar zullen onze specialisten van KPMG Belastingconsulenten en Juridische Adviseurs (België) en KPMG Meijburg & Co (Nederland) in een aantal workshops diverse fiscale mogelijkheden en aandachtspunten van (grensoverschrijdend) ondernemen in België en Nederland bespreken.

Deelname aan het seminar is gratis. Een overzicht van het programma en de mogelijkheid om in te schrijven, vindt u hier

Naar boven


2. Verplichte invoering werkkostenregeling per 1 januari 2015 – voorbereiding noodzakelijk

Per 1 januari 2015 is iedere inhoudingsplichtige voor de loonbelasting in Nederland verplicht om de werkkostenregeling toe te passen. De overstap naar de werkkostenregeling heeft voorbereiding nodig. Ten eerste is van belang om te inventariseren welke vergoedingen en verstrekkingen er binnen de organisatie plaatsvinden, zodat deze beoordeeld kunnen worden op basis van de regels van de werkkostenregeling. Aan de hand daarvan kan worden geanalyseerd welke fiscale impact de invoering van de werkkostenregeling heeft en of/welke aanpassingen noodzakelijk zijn voor onder andere de administratie en arbeidsvoorwaarden. De overstap naar de werkkostenregeling eist dus de nodige voorbereiding en wij raden elke organisatie dan ook aan zo spoedig mogelijk hiermee te starten (indien nog niet gestart). De specialisten van KPMG Meijburg & Co hebben al veel ervaring opgedaan bij elke stap in het proces, van inventarisatie tot implementatie en uiteraard ook bij de optimalisatie.

Indien u graag meer informatie over de werkkostenregeling wenst te ontvangen, kunt u bij KPMG Meijburg & Co vrijblijvend een factsheet opvragen welke op hoofdlijnen weergeeft wat de gevolgen zijn van de werkkostenregeling.

Verder verwijzen wij u graag naar bijgevoegde update (http://www.meijburg.nl/nieuws/aanpassingen-in-werkkostenregeling-aangekondigd) over de mogelijke wijzigingen die de staatssecretaris heeft aangekondigd. Op Prinsjesdag zal er meer duidelijkheid worden verschaft over deze eventuele wijzigingen.

Sandy Govers / Esther Schutte

Naar boven


3. Belgische vangnetbepaling: nog steeds geen duidelijkheid over managementvergoedingen

In een eerdere nieuwsbrief werd aandacht besteed aan de vangnetbepaling die in 2013 werd ingevoerd in de Belgische belasting van niet-inwoners. Deze bepaling geeft België de principiële mogelijkheid om een bronbelasting te heffen ten laste van niet-inwoners van België op al hun inkomsten uit Belgische bron, uiteraard binnen de grenzen van het toepasselijke belastingverdrag.

Over de draagwijdte van deze nieuwe bronbelasting (bedrijfsvoorheffing van 16,5%) heerst al sinds de invoering heel wat onzekerheid. Ondermeer doet zich de vraag voor of managementvergoedingen betaald door Belgische vennootschappen aan Nederlandse (management)vennootschappen in bepaalde gevallen ook onderworpen kunnen zijn aan de bedrijfsvoorheffing van 16,5%. Recent werd een zogenoemd “bericht aan de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing” gepubliceerd. Dit bericht brengt op een aantal punten verduidelijkingen aan in de vangnetbepaling maar laat ook een aantal vragen onbeantwoord.

Toepassingsgebied is gelimiteerd tot inkomsten die voortkomen uit de levering van diensten
In het bericht aan de schuldenaars wordt bevestigd dat de vangnetbepaling enkel van toepassing is op winsten of baten die voortkomen uit de levering van diensten. Inkomsten uit de levering van goederen of de verkoop van activa (bijvoorbeeld de verkoop van onroerend goed of aandelen) vallen dus niet onder de vangnetbepaling.

Beperking tot winst en baten
Bovendien is het toepassingsgebied beperkt tot winst of baten. Andere beroepsinkomsten, zoals bezoldigingen of pensioenen, vallen dus niet onder het toepassingsgebied van de vangnetbepaling. Mogelijk kan op grond hiervan geargumenteerd worden dat bestuurdersbezoldigingen die door een Belgische vennootschap worden betaald aan een in Nederland wonende natuurlijke persoon buiten het toepassingsgebied van de vangnetbepaling vallen. De vraag is of dit ook opgaat voor ‘oneigenlijke’ (niet-formele) bestuurdersbezoldigingen die betaald worden aan een Nederlandse vennootschap en die door deze laatste als “winst” worden gerapporteerd. De vraag doet zich dan voor of geargumenteerd kan worden dat de uitkering van een BVBA aan een Nederlandse managementvennootschap zijn karakter als ‘bestuurdersbezoldiging’ behoudt en dus niet valt binnen het toepassingsgebied van de vangnetbepaling. Het is momenteel onduidelijk wat hierin de positie is van de Belgische belastingadministratie.

‘De minimis’-regel inzake bedrijfsvoorheffing
Positief is dat de belastingadministratie volgens het bericht een “de minimis”-regel zal toepassen. Concreet betekent dit dat er geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd is op de eerste schijf van 38.000 euro van de (bruto) winsten of baten. 

Daadwerkelijk belast indien er geen belastingverdrag van toepassing is
In de gevallen waar er geen belastingverdrag van toepassing is (bijvoorbeeld betalingen vanuit België aan Curaçao), dient de verkrijger van de inkomsten te bewijzen dat de inkomsten daadwerkelijk belast werden in de Staat waarvan hij inwoner is. Indien dit bewijs niet kan worden geleverd, zal de bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn.

Dit bewijs kan worden geleverd door middel van een attest waarin de belastingautoriteit van de woonstaat van de verkrijger verklaart dat de gerechtigde (i) inwoner is van de desbetreffende Staat en (ii) in die Staat daadwerkelijk belast wordt, of daadwerkelijk belast zal worden, op die inkomsten. Enigerlei belasting lijkt te volstaan.

Aangifte in de belasting der niet-inwoners
In principe is de verschuldigde belasting op de inkomsten gelijk aan de ingehouden bedrijfsvoorheffing. Dit betekent dat de inkomsten door de verkrijger niet verplicht moeten worden vermeld in een aangifte in de belasting der niet-inwoners. De verkrijger heeft weliswaar de keuze om een aangifte in de belasting der niet-inwoners in te dienen. Dit is in beginsel voordelig indien de aan de (management)vergoeding toe te rekenen kosten meer dan 50% van de (management)vergoeding bedragen.

Indien de belastingplichtige ervoor opteert om een aangifte in te dienen, moet hij in deze aangifte alle inkomsten in aanmerking nemen (inclusief de eerste schijf van € 38.000).

Conclusie
Het valt toe te juichen dat de belastingadministratie eindelijk een aantal verzachtingen aanbrengt aan de vangnetbepaling. Het blijft evenwel ongehoord dat de belastingplichtige in het ongewisse wordt gelaten omtrent de precieze draagwijdte van de bronbelasting. Het bericht is een gemiste kans om bij wijze van voorbeeld te verduidelijken welke betalingen wel en welke er niet onder vallen. Wellicht is het wachten op de nieuwe regering om het toepassingsgebied van deze nieuwe bronbelasting drastisch in te perken en de rechtszekerheid te herstellen…

Kris Lievens / Tim van den Bruel

Naar boven


4. De Nederlandse Hoge Raad gaat ‘om’: inbreng in een transparante entiteit leidt niet tot heffing

Mensen komen zo af en toe terug op een eerdere beslissing. De Nederlandse Hoge Raad soms ook. Dit was deze zomer het geval ten aanzien van de vraag of bij de inbreng van een vermogensbestanddeel in een transparante entiteit sprake is van een realisatiemoment.

Voorbeelden van transparante entiteiten zijn een vennootschap onder firma en een besloten commanditaire vennootschap. Omdat voor fiscale doeleinden “door een transparante entiteit wordt heengekeken”, worden de activa en passiva en de resultaten van een dergelijke entiteit toegerekend aan haar participanten.

De casus voor de Hoge Raad betrof de volgende. Een vennootschap brengt een vermogensbestanddeel waarvan de werkelijke waarde hoger is dan de boekwaarde in in een besloten commanditaire vennootschap (“CV”). Omdat de activa en passiva van deze CV worden toegerekend aan haar participanten, is – naar rato van het belang van de betreffende participant in de CV – naar onze mening voor fiscale doeleinden geen sprake van een vervreemding en dient de betreffende participant in onze ogen niet te worden belast over de meerwaarde in het ingebrachte vermogensbestanddeel.

In 1954 besliste de Hoge Raad echter dat de inbreng van een vermogensbestanddeel in een transparante entiteit diende plaats te vinden tegen de werkelijke waarde, zodat de meerwaarde werd belast met vennootschapsbelasting. Hoewel dit niet strookt met de transparante behandeling van personenvennootschappen en het realisatiebeginsel en dit standpunt in de literatuur sterk werd bekritiseerd, diende de praktijk nog altijd rekening te houden met dit arrest.

Nu de Hoge Raad zich deze zomer opnieuw over deze kwestie heeft uitgelaten en ‘om’ is gegaan, is het arrest uit 1954 van tafel. Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014 dwingt goedkoopmansgebruik er namelijk niet toe bij inbreng van een vermogensbestanddeel in een transparante entiteit de daarin besloten meerwaarde als winst te verantwoorden.

Wij zijn blij dat de Hoge Raad in deze kwestie duidelijkheid heeft geboden en bespreken graag met u welke mogelijkheden dit arrest in uw situatie kan bieden.

Mark Bos / Mark Foesenek

Naar boven


5. Onmiddellijke dreiging Belgische registratieplicht schenkingen in het buitenland voorlopig afgewend

De gift met voorbehoud van vruchtgebruik van roerende goederen zoals aandelen, obligaties of effectenportefeuilles wordt veelvuldig toegepast in het kader van successieplanning. Via deze techniek wordt het vermogen fiscaalvriendelijk overgedragen tijdens het leven van de schenker, maar behoudt deze de inkomsten en de controle over de goederen. Zo kan de schenker het stemrecht over de aandelen uitoefenen en de dividenden dan wel de coupons of interesten innen.

De handgift en bankgift zijn voor deze vorm van vermogensplanning geen optie. De schenking van effecten met voorbehoud van vruchtgebruik kan wel voor een buitenlandse (bijvoorbeeld Nederlandse) notaris plaatsvinden. In dat geval zijn er immers evenmin schenkingsrechten verschuldigd. Bij het overlijden van de ouder dooft diens vruchtgebruik uit en verkrijgen de kinderen de volle eigendom van de effecten zonder betaling van successierechten.

Volgens een fictieartikel uit het Wetboek der successierechten worden effecten die voor het vruchtgebruik zijn ingeschreven op naam van de erflater (bijvoorbeeld de ouder) en voor de blote eigendom op naam van een derde (bijvoorbeeld het kind) bij het overlijden van de vruchtgebruiker belast met successierechten over de waarde in volle eigendom. De Belastingdienst aanvaardde in het verleden dat indien dergelijke inschrijving het gevolg is van een eerder plaatsgevonden schenking, het overlijden van de vruchtgebruiker geen aanleiding geeft tot de heffing van het successierecht.

De Belastingdienst wenste deze vrijstelling nu enkel nog te aanvaarden voor schenkingen onderworpen aan het registratierecht. Bovendien wilde de Administratie haar nieuwe standpunt toepasselijk maken op alle schenkingen gedaan vanaf 1 september 2013. Nochtans had de Belastingdienst de schenking met voorbehoud van vruchtgebruik an sich niet benoemd als fiscaal misbruik in haar eerdere circulaires.

Op 18 juli 2013 besliste de Belastingdienst wel al dat zij de gesplitste aankoop, dat is de aankoop waarbij de ouders het vruchtgebruik verwerven en de kinderen de blote eigendom, bij het overlijden van de ouders met successierecht zou belasten. Indien de kinderen de koopprijs van de blote eigendom verkrijgen vanwege hun ouders via voorafgaande gift, dan aanvaardt de Administratie enkel nog de vrijstelling van successierecht indien deze schenking onderworpen wordt aan het schenkingsrecht. In navolging hiervan beoogde de Belastingdienst nu dus ook voormelde buitenlandse schenkingen met successierecht te belasten.

Gezien de rechtsonzekerheid die deze retroactieve belastingheffing met zich mee zou brengen, heeft de Beleidscel financiën zich nu over deze kwestie uitgesproken. Zij bevestigt dat giften met voorbehoud van vruchtgebruik van roerende goederen zoals aandelen, obligaties of effectenportefeuilles, mogelijk blijven voor een buitenlandse notaris zonder dat er later successierechten op verschuldigd zijn. Toch kan de Belastingdienst zich nog steeds beroepen op fiscaal misbruik indien de gestelde rechtshandeling(en) hiervan blijk zouden geven. Bovendien kan de Belgische Belastingdienst bij overlijden van de schenker drie jaar terug gaan in de tijd om de niet-geregistreerde buitenlandse schenking alsnog te onderwerpen aan het successierecht. In rechte lijn kan dit oplopen tot 27% (te betalen door de kinderen).

Kortom, een inwoner van België kan onder voorwaarden nog steeds onbelast schenken tegenover een Nederlandse notaris.

Kris Lievens

Naar boven


6. Feitelijke woon-/vestigingsplaats is fiscaal van cruciaal belang

Geen opvallende stelling, maar in de praktijk wel een zeer belangrijke. Over de vraag of een persoon of een vennootschap inwoner is van land A dan wel land B wordt veelvuldig geprocedeerd. Onlangs nog besliste Hof Den Haag dat een huisarts die aangaf inwoner te zijn van België zijn fiscale woonplaats had in Nederland.

Een persoon of een vennootschap is in beginsel inwoner van Nederland (België) indien zij in Nederland (België) aan belasting wordt onderworpen op basis van woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid. In veel gevallen zal hierover geen discussie zijn. In een aantal gevallen kan op basis hiervan echter niet (exclusief) het fiscaal inwonerschap worden vastgesteld. In dat geval geldt op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en België (‘het verdrag’) de zogenoemde tie-breaker. Hieronder schetsen wij op hoofdlijnen de kaders van deze tie-breaker.

Personen
Als een persoon in zowel Nederland als België aan belasting wordt onderworpen, wordt beoordeeld of sprake is van een duurzaam tehuis in één van beide landen. Als dit in beide landen het geval is, is doorslaggevend met welk land de persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (centrum van levensbelangen). Indien dit niet kan worden bepaald, worden achtereenvolgens het gewoonlijk verblijf en de nationaliteit in aanmerking genomen en, indien ook op basis hiervan niet kan worden bepaald in welk land de persoon woont, dienen Nederland en België in overleg te beslissen van welk land de betreffende persoon fiscaal inwoner is.

Vennootschappen
Op grond van een fictie worden alle vennootschappen die naar Nederlands recht zijn opgericht, geacht in Nederland te zijn gevestigd. Dit kan ertoe leiden dat een vennootschap in zowel Nederland als in België aan belasting wordt onderworpen en dat de tie-breaker van toepassing is. In dat geval is de vennootschap inwoner van het land waar de feitelijke leiding is gelegen. Deze is gelegen in het land waar de belangrijke beslissingen ten aanzien van de vennootschap worden genomen en is onder meer afhankelijk van de beschikbaarheid van (kantoor)ruimte, de woonplaats van de bestuurders en de plaats waar de aandeelhoudersvergaderingen worden gehouden.

Onze ervaring en de jurisprudentie leert dat – met name in “grensgevallen” – niet altijd wordt ingezien dat wijzigingen van de relevante feiten en omstandigheden aanzienlijke fiscale gevolgen kunnen hebben. In de praktijk speelt dit onder meer bij de vaststelling van de fiscale woonplaats van beleggingsvennootschappen en andere “passieve” vennootschappen. Indien u met ons van gedachten wenst te wisselen over uw (gewenste) fiscale woonplaats of de vestigingsplaats van uw vennootschap, dan vernemen wij dit graag.

Mark Bos / Mark Foesenek 

Naar boven


7. Berekening compensatieregeling bij toepassing 30%-regeling

De Rechtbank heeft uitspraak gedaan inzake een geschil over de toepassing van de 30%-regeling bij de compensatieregeling.
Een inwoner van Nederland die werkzaam is in België wordt op basis van de algemene compensatieregeling gecompenseerd voor een eventueel fiscaal nadeel van het werken in België. Hiertoe wordt een vergelijking gemaakt met de belastingplicht in de situatie dat de werknemer volledig werkzaam/belast zou zijn in Nederland (hypothetische situatie).
In de feitelijke situatie kan een werknemer met een 30%-beschikking, de 30%-regeling enkel toepassen op het deel van het inkomen dat belast is in Nederland. De 30%-regeling kan niet worden toegepast op het deel waarover België het heffingsrecht heeft. Dit Belgische loon dient echter wel als onderdeel van het wereldinkomen te worden aangegeven in de Nederlandse aangifte inkomstenbelasting.

De vraag is of de 30%-regeling wel kan worden toegepast op het Belgische loon in de hypothetische situatie (100% werken/belast in Nederland) in het kader van de compensatieregeling. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit niet mogelijk is. Dit heeft tot gevolg dat de verschuldigde belasting in de hypothetische situatie hoger uitvalt en daardoor de compensatie afneemt.

Tegen de Rechtbankuitspraak is sprongcassatie ingesteld. De uitspraak van de Hoge Raad zal dus afgewacht moeten worden.

Indien u in een vergelijkbare situatie zit en de 30%-regeling wel hebt toegepast op het Belgische loon, is het zinvol om bij deze casus aan te sluiten indien de Inspecteur het niet met uw berekening eens is. Indien u de 30%-regeling niet hebt toegepast, is het zinvol om bezwaar te maken tegen uw aanslag, met het verzoek de uitspraak van de Hoge Raad af te wachten. U kunt contact opnemen met uw contactpersoon van KPMG om te bespreken of u actie dient te ondernemen.

Sandy Govers / Esther Schutte

Naar boven