Inhoud

Naar boven


1. Uitnodiging avondseminar “Hoe stel ik mijn rechten veilig” op 4 juni 2014 

KPMG België,  KPMG Meijburg & Co en Wealtheon Asset Management in samenwerking met het Nederbelgisch Magazine, nodigen u graag uit voor deelname aan het seminar “Hoe stel ik mijn rechten veilig?” op woensdagavond 4 juni 2014. Tijdens dit seminar zal Erwin Nijkeuter (KPMG Meijburg & Co) spreken over de procedure bij het Europese Hof van Justitie die momenteel door KPMG Meijburg & Co wordt gevoerd en zal Kizzy Wandelaer (KPMG België) de introductie van de Belgische meldplicht en de mogelijke invoering van een doorkijkbelasting behandelen. Daarnaast zal Victor Zwart (Wealtheon Asset Management) u bijpraten over het economisch herstel van aandelenbeurzen. Deelname aan het seminar is gratis. U kunt zich hier registreren

Naar boven


2. Belgische administratie verduidelijkt aspecten Fairness Tax

Zoals vermeld in een eerdere newsletter, werd de zogenoemde “Fairness Tax” ingevoerd met ingang van aanslagjaar 2014. Die tax richt zich op (grote) ondernemingen die feitelijk geen of weinig vennootschapsbelasting betalen als gevolg van de notionele interestaftrek of de aftrek van overgedragen verliezen. Het doel ervan is om deze (grote) bedrijven vooralsnog aan een belasting te onderwerpen op het ogenblik dat zij deze onbelaste winst als dividend uitkeren. Belangrijk is dat ook Belgische vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen onderworpen kunnen zijn aan de Fairness Tax, op het ogenblik dat de buitenlandse vennootschap een dividend uitkeert.

Omdat de nieuwe regeling aanvankelijk veel vragen opriep, publiceerde de Administratie op 3 april 2014 haar (eerste) circulaire bij deze nieuwe belasting.

Geen Fairness Tax over ‘goede reserves’

Dividenden die afkomstig zijn van uiterlijk tijdens aanslagjaar 2014 aangelegde en belaste reserves (de zogenoemde ‘goede reserves’), zijn vrijgesteld van Fairness Tax. Evenwel zal toch Fairness Tax van toepassing zijn bij uitkering in 2014 van winst van boekjaar 2013. De winst van boekjaar 2013 kan in regel immers enkel vanaf 2015 vrij van Fairness Tax worden uitgekeerd.

De winst van 2013 kan dan ook best gereserveerd worden in de jaarrekening per 31 december 2013. Deze winst wordt dan een ‘goede reserve’ die vervolgens in 2015 of later zonder Fairness Tax kan worden uitgekeerd. Daarbij is het echter wel belangrijk in het oog te houden dat de dividenduitkering bij voorrang wordt aangerekend op de laatst aangelegde reserves (de zogenoemde LIFO-methode). Een dividend goedgekeurd in de jaarvergadering van 2015 kan dan ook (deels) onderworpen zijn aan Fairness Tax in de mate zij geacht wordt voort te komen uit winst van 2014 die feitelijk niet belast werd ten gevolge van compensatie met notionele interestaftrek of fiscale verliesaftrek.

Tussentijdse dividenden blijven buiten schot

De bovengenoemde LIFO-methode in de overgangsbepaling deed veel vragen rijzen inzake interim-dividenden en voornamelijk tussentijdse dividenden.

De circulaire bevestigt nu dat tussentijdse dividenduitkeringen gedaan in 2013 niet onderworpen zijn aan Fairness Tax wanneer ze voortvloeien uit eerder - uiterlijk met betrekking tot aanslagjaar 2013 - belaste reserves. De Belastingdienst lijkt dus de vennootschapsrechtelijke kwalificatie van een tussentijds dividend te volgen, met name dat bij tussentijds dividend enkel gereserveerde of overgedragen winst uit een eerder goedgekeurde jaarrekening wordt uitgekeerd en niet de winst van het boekjaar. Bijgevolg zou ook een tussentijds dividend uitgekeerd in 2014 niet onderworpen zijn aan Fairness Tax aangezien dergelijk tussentijds dividend per definitie betrekking heeft op gereserveerde winst zoals die blijkt uit de jaarrekening per 31 december 2013 (“goede reserves”).

De kaarten liggen echter anders met betrekking tot interim-dividenden waarmee de winst van het lopende boekjaar wordt uitgekeerd. Interim-dividenden uitgekeerd in 2014 zijn in principe wel onderworpen aan de Fairness Tax, aangezien ze voortkomen van de winst van het boekjaar 2014 (aanslagjaar 2015).

Conclusie

Vennootschappen kunnen hun dividendpolitiek bijstellen of alleszins naar alternatieven zoeken om de Fairness Tax te verminderen. Zo is het perfect mogelijk om de Fairness Tax met betrekking tot winst van 2013 te vermijden door deze winst te reserveren en pas later uit te keren aan de aandeelhouders (bijvoorbeeld door middel van een tussentijds dividend).

Kris Lievens

Naar boven


3. Nederlandse rechtbank: crisisheffing is niet in strijd met nationale en Europese regelgeving

In 2013 en 2014 zijn werkgevers een crisisheffing ter hoogte van 16% verschuldigd over loon van hun werknemers voor zover het belastbare loon meer bedraagt  dan € 150.000 (per werknemer) in 2012 respectievelijk 2013. Het gaat hierbij om loon uit tegenwoordige dienstbetrekking; over loon uit vroegere dienstbetrekking is de heffing niet verschuldigd. Tegen deze crisisheffing zijn talloze bezwaarschriften ingediend door werkgevers. Op dit moment lopen enkele proefprocedures, waarbij de meeste werkgevers voor de afhandeling van hun bezwaarschrift hebben aangesloten.

Ook lopen er enkele individuele procedures van werkgevers die niet bij de proefprocedures hebben aangesloten. Recentelijk heeft Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in enkele van deze individuele procedures. Deze Rechtbank heeft geoordeeld dat de crisisheffing niet strijdig is met Nederlandse en Europese wetgeving. Wij informeren u hierna kort over de redenen waarom de Rechtbank de argumenten van belanghebbenden niet voldoende acht.

Het argument dat over hetzelfde loon dubbel belasting wordt geheven (bij werkgever in de vorm van een pseudo-eindheffing en de werknemer in de vorm van ingehouden loonbelasting) is afgewezen, omdat Nederlandse loonbelastingwetgeving deze mogelijkheid biedt.

De Rechtbank is het vervolgens wel eens met de stelling dat sprake is van terugwerkende kracht van de crisisheffing, maar oordeelt dat de heffing niet onredelijk is en daarmee is de terugwerkende kracht gerechtvaardigd. De keuze van de wetgever om voor de grondslag aan te sluiten bij het in 2012 genoten loon vindt de rechtbank ook niet onredelijk.

Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat de wetgever mag kiezen voor een heffing van alleen werkgevers.

Voor zover dit leidt tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen (bijvoorbeeld in vergelijking met zelfstandige ondernemers die meer dan € 150.000 op jaarbasis verdienen), is deze ongelijke behandeling niet onredelijk en daarom gerechtvaardigd.

Ten slotte is in alle procedures geoordeeld dat de crisisheffing geen individuele buitensporige last met zich meebrengt voor de werkgever.

Hoewel de uitspraak in de individuele procedures niet in het voordeel werkt van de werkgevers die deelnemen aan de proefprocedures, is deze uitspraak slechts een eerste uitspraak van een rechtbank waartegen beroep zal worden ingesteld. De proefprocedures zullen naar verwachting in de loop van dit jaar worden behandeld. Ook voor de crisisheffing die moest worden betaald op basis van de loonaangifte over maart 2014, met betrekking tot lonen boven de € 150.000 in 2013, is ons advies om een bezwaarschrift in te dienen. Als extra argument geldt dat de eenmalige crisisheffing uiteindelijk niet eenmalig was. Ook dit jaar biedt KPMG Meijburg & Co de mogelijkheid om namens werkgevers bezwaar in te stellen tegen de afdracht van de crisisheffing. Wij raden u aan hier zo snel mogelijk werk van te maken, omdat het bezwaar uiterlijk zes weken na afdracht van de crisisheffing door de Belastingdienst moet zijn ontvangen. Mocht u gebruik willen maken van ons aanbod, neemt u dan gerust contact met ons op.

Esther Schutte / Sandy Govers

Naar boven


4. Standpunt Belgische rulingdienst ten aanzien van spaar- en beleggingsverzekeringen verruimd

Vandaag bespreken we de vraag of er al dan niet successierechten verschuldigd zijn - op basis van artikel 8 Belgisch Wetboek Successierechten - bij vooroverlijden van de begunstigde echtgenoot die met de verzekeringnemer gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap.

In een recente ruling bevestigt de rulingdienst haar eerder ingenomen standpunt van 2009 inzake de onbelastbaarheid van de afkoopwaarde van een levensverzekering, doch volgens de visie van de Belgische Belastingadministratie zullen er wel degelijk successierechten verschuldigd zijn bij vooroverlijden van de begunstigde echtgenoot. 

Artikel 8 bepaalt dat indien een persoon een levensverzekering – al dan niet onder de vorm van een spaar- of beleggingsverzekering (zogenoemde Tak 21 - of Tak 23 polis) - afsluit op grond waarvan bij overlijden een kapitaal wordt uitgekeerd aan een derde-begunstigde, de uitkering in beginsel aan successierechten onderworpen is.

Vooreerst verduidelijken we de toepassing van artikel 8 Wetboek Successierechten in een klassieke AAB-configuratie – met andere woorden er wordt door één van de echtgenoten (A) een levensverzekering afgesloten met zichzelf als verzekerde (A) en de andere echtgeno(o)t(e) als begunstigde (B) - waarbij A voor de begunstigde B komt te overlijden.

Bij echtgenoten die gehuwd zijn onder een gemeenschapsstelsel (zoals het wettelijk stelsel) worden de premies geacht te zijn betaald met gelden uit het gemeenschappelijk vermogen. Er zullen derhalve successierechten verschuldigd zijn over de helft van het uitgekeerde bedrag.

Indien de premies betaald zouden zijn met eigen gelden van de verzekeringnemer, dan zullen er bij diens overlijden ingeval van een “AAB”-configuratie zelfs over het volledige bedrag van de verzekeringsprestaties successierechten verschuldigd zijn. Of omgekeerd zullen er helemaal geen successierechten verschuldigd zijn indien de begunstigde de premies met eigen gelden heeft voldaan.

Zullen er eveneens successierechten verschuldigd zijn indien begunstigde B vooroverlijdt? In een recente ruling de dato 14 januari 2014 bevestigt de rulingdienst nu haar eerder ingenomen - maar door de Belgische Belastingadministratie naderhand afgewezen - standpunt inzake de onbelastbaarheid van de afkoopwaarde van een levensverzekering.

In de voormelde AAB- configuratie zal volgens de rulingdienst een vooroverlijden van de begunstigde geen successierechten opeisbaar maken. Er is immers geen kapitaaluitkering en de vermogenswaarde van de levensverzekering (= de afkoopwaarde van de polis) behoort tot het eigen vermogen van de nog in leven zijnde verzekeringnemer. Er is weliswaar een vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen (ten belope van de verarming van het gemeenschappelijk vermogen ten voordele van het eigen vermogen van de verzekeringnemer). De praktijk toont echter aan dat het standpunt van de Belgische Belastingadministratie afwijkt van de visie van de rulingdienst. De Belastingadministratie beschouwt de afkoopwaarde immers als een gemeenschappelijk goed waardoor in principe over de helft van de afkoopwaarde successierechten verschuldigd zijn.

De recente ruling breidt dit standpunt nu ook uit tot gemengde levensverzekeringen van de “AAAB”-configuratie (Tak-21 of Tak-23 polissen). Hierbij sluit één van de echtgenoten een levensverzekering af op zijn eigen hoofd, ten gunste van zichzelf bij leven (bijvoorbeeld bij 65 jaar) en ten gunste van zijn echtgenote bij overlijden (bijvoorbeeld voor 65 jaar). Wanneer de begunstigde echtgenote overlijdt op het ogenblik dat de echtgenoot/verzekeringnemer nog geen 65 jaar is, dan komt de afkoopwaarde van de polis opnieuw toe aan het eigen vermogen van de nog in leven zijnde verzekeringnemer zonder dat er successierechten verschuldigd zijn.

Hoewel deze nieuwe ruling de bevestiging en verruiming inhoudt van een eerdere ruling van 2009, mag men niet uit het oog verliezen dat de Belgische Belastingadministratie haar gewestelijke directies destijds instructie heeft gegeven om de ruling van 2009 te negeren. Het valt af te wachten hoe de Belastingadministratie zal reageren op deze nieuwe bevestigende rulinguitspraak.

Sophie Schellens / Kizzy Wandelaar

Naar boven


5. Nederlandse heffing over (materiële) bestuurdersbeloningen beperkt tot netto-vergoeding

Op grond van artikel 17a, onderdeel d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 kan Nederland sinds 1 januari 2013 vennootschapsbelasting heffen van een Belgische NV ter zake van zogenoemde materiële bestuurdersbeloningen die worden ontvangen van een Nederlandse vennootschap.

Onduidelijk was of Nederland op grond van deze bepalingsvennootschapsbelasting kan heffen over de betreffende vergoedingen minus de daaraan toerekenbare kosten (netto-benadering) of over de bruto vergoeding (bruto-benadering).

Om meerdere redenen waren wij reeds van mening dat de zogenoemde netto-benadering diende te worden toegepast. Omdat de parlementaire geschiedenis hierover geen uitsluitsel biedt, hebben wij deze vraag recentelijk aan de Nederlandse Belastingdienst voorgelegd.

Wij zijn verheugd met de reactie van de Belastingdienst. In de specifieke situatie die wij hen hebben voorgelegd, delen zij namelijk onze mening dat voor toepassing van artikel 17a, onderdeel d Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de netto-benadering van toepassing is.

Mark Bos / Mark Foesenek

Naar boven


6. Nederlandse bedrijfsopvolgingsregeling – de tijd is nu! 

In Nederland wordt de laatste jaren veelvuldig gesproken over de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet. Aanleiding hiervoor was de uitspraak van Rechtbank Breda op 13 juli 2012, welke uitspraak uiteindelijk op 22 november 2013 door de Hoge Raad werd ‘overruled’.

Kort gezegd, oordeelde Rechtbank Breda destijds dat de Nederlandse bedrijfsopvolgingsfaciliteiten voor de schenk- en erfbelasting op grond van het gelijkheidsbeginsel ook van toepassing zijn op vermogen dat volgens de wet niet als ondernemingsvermogen kwalificeert. Omdat dit standpunt door de Hoge Raad werd verworpen, werden de vele bezwaren die naar aanleiding van deze procedure werden ingediend, afgewezen.

Hoewel de aanslagen van de betreffende belastingplichtigen na het arrest van de Hoge Raad in stand zijn gebleven, heeft de procedure een maatschappelijke discussie op gang gebracht en aanpassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten op de politieke agenda geplaatst. In dit kader liet de Staatssecretaris van Financiën zich onlangs ontvallen het voornemen te hebben de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten nog eens kritisch te willen bezien en te willen beoordelen of zou kunnen worden volstaan met een lager vrijstellingspercentage of een betalingsregeling. Zeer kort na deze uitlating, berichtte hij echter dat hij niet (meer) voornemens is de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in deze kabinetsperiode te herzien.

Gezien de recente ontwikkelingen en op basis van de huidige stand van zaken, verwachten wij niet dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten op zeer korte termijn zullen worden aangepast. Echter, omdat dit na de volgende Tweede Kamerverkiezingen (uiterlijk in 2017) heel goed anders kan zijn, is wat ons betreft nu het moment om op de bedrijfsopvolgingsregeling voor te sorteren. Lees meer

Mark Bos / Mark Foesenek

Naar boven


7. Notionele interestaftrek en buitenlandse inrichtingen: de Belgische belastingadministratie publiceert een circulaire met betrekking tot de Argenta-zaak

De belastingadministratie heeft recent een circulaire gepubliceerd over de gevolgen van de Argenta-zaak en met richtlijnen voor de behandeling van de geschillen.

Op 4 juli 2013 heeft het Europese Hof van Justitie in de Argenta-zaak beslist dat het niet in aanmerking nemen van het netto-actief van buitenlandse inrichtingen gelegen in een EU lidstaat voor de vaststelling van de aftrek voor risicokapitaal, een belemmering vormt van de vrijheid van vestiging.

Volgend op deze uitspraak heeft België zijn wetgeving eind vorig jaar aangepast. Volgens de nieuwe wetgeving kan de notionele interest berekend over het netto actief van een inrichting gelegen in de Europese Economische Ruimte niet in aftrek worden gebracht, maar alleen voor zover de notionele interestaftrek op dit netto actief  lager is dan of gelijk aan de winsten die kunnen worden toegerekend aan deze vaste  inrichting (notionele interestaftrek berekend op het netto-actief van inrichtingen die niet gelegen zijn in de Europese Economische Ruimte moet altijd worden uitgesloten van de berekeningsbasis van de notionele interestaftrek). Bijgevolg zal een Belgische onderneming wel notionele interestaftrek kunnen toepassen voorzover deze toerekenbaar is aan de vaste inrichtingen die in lidstaten van de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn en die in een verliespositie zitten of onvoldoende winsten hebben.

In de circulaire van 16 mei 2014 stelt de belastingadministratie dat alle hangende geschillen zullen worden afgewikkeld in overeenstemming met de uitspraak van het Hof van justitie. De uitspraak wordt beschouwd als een nieuw feit en biedt de mogelijkheid om een verzoek tot ambtshalve ontheffing in te dienen.

De circulaire eindigt met de opmerking dat voor de berekening van de notionele interestaftrek voor vennootschappen met inrichtingen in de Europese Economische Ruimte, de belastingadministratie de berekeningsmethode kan gebruiken zoals ingevoerd door de nieuwe wet. Naar onze mening is het echter twijfelachtig dat de nieuwe wetgeving, die van toepassing is vanaf aanslagjaar 2014, retroactief kan worden toegepast.

Kris Lievens

Naar boven


8. Nederlandse Hoge Raad: forfaitaire rendementsheffing (box III) is niet in strijd met belastingverdragen

Dit oordeelde de Hoge Raad op 23 mei 2014.

In de betreffende casus hield een inwoner van Nederland (“X”) in privé aandelenparticipaties in verschillende beleggingsfondsen gevestigd in onder meer België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten. Een aantal van deze beleggingsfondsen betaalden dividenden, een aantal andere niet. Op basis van de nationale Nederlandse wet wordt X geacht op deze beleggingen een rendement van 4% te realiseren en wordt over dit (fictief) rendement 30% inkomstenbelasting geheven.

X stelt primair dat Nederland op grond van de door Nederland gesloten belastingverdragen niet gerechtigd is belasting te heffen over een fictief rendement, ongeacht of daadwerkelijk dividend is uitgekeerd. Het argument hiervoor is dat het zogenoemde dividendartikel in verdragen slechts het heffingsrecht over betaalde of verkregen dividenden aan Nederland toewijst. X stelt subsidiair dat, indien Nederland niettemin over een fictief rendement mag heffen, eveneens verrekening van fictieve bronbelasting dient plaats te vinden.

Evenals de Rechtbank, Gerechtshof Arnhem en de Advocaat-Generaal eerder, wijst de Hoge Raad met weinig woorden beide stellingen van X af. De reden hiervoor is mogelijk dat het heffingsrecht over de daadwerkelijk ontvangen dividenden en vermogenswinsten in casu aan Nederland wordt toegewezen. Omdat Nederland zelf mag bepalen hoe en op welk tijdstip zij deze inkomsten in aanmerking neemt, hoeft een inhoudelijke toetsing van betaalde of verkregen dividenden niet te worden gemaakt.

Indien de Hoge Raad het standpunt van X had toegewezen, zou dit de deur hebben geopend om in voorkomende gevallen de Nederlandse forfaitaire box III-heffing met succes ter discussie te stellen.

Mark Bos / Mark Foesenek

Naar boven